Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:6620
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,539 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 23/729
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking van 17 juli 2022 het kindgebonden budget van eiser voor het jaar 2020 vastgesteld en bepaald dat eiser een bedrag van € 1.432 moet terugbetalen. Daarbij is € 2 aan belastingrente in rekening gebracht.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar de terugvordering met 50% gematigd tot € 716 en de belastingrente verminderd tot € 1.
Eiser heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Namens eiser zijn op de dag voorafgaand aan de zitting per e-mail nadere stukken ingediend en door de gemachtigde van eiser in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025 te Alkmaar . De zaak is op zitting tegelijkertijd behandeld met de zaken met zaaknummers ALK 23/730 en ALK 23/731 van [naam 1] (de echtgenote van eiser). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. In 2020 woonde eiser samen met zijn echtgenote en hun drie minderjarige kinderen in [woonplaats] .
2. Bij wijze van voorschot is aan eiser voor het jaar 2020 een kindgebonden budget toegekend van € 3.164, gebaseerd op een geschat gezamenlijk (toetsings-)inkomen van € 21.731 dat alleen bestond uit de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eisers echtgenote. Eiser zelf had geen inkomen.
3. Het gezin van eiser maakte in 2020 ook aanspraak op huurtoeslag en zorgtoeslag. Deze toeslagen zijn toegekend aan eisers echtgenote, en daarover gaan de bij deze rechtbank gevoerde parallelle procedures (met kenmerk ALK 23/730 en ALK 23/731).
4. In 2020 kreeg eiser na lang procederen een arbeidsongeschiktheidsuitkering: van het Uwv ontving hij over de periode 2016-2020 een nabetaling van € 37.439.
5. Die nabetaling verhoogde het gezamenlijke inkomen en dat had gevolgen voor de uitkering van eisers echtgenote: het Uwv heeft over de periode 2016-2020 een bedrag van € 20.107,59 (exclusief 8% vakantiegeld) aan teveel uitbetaalde toeslag op haar Wajong-uitkering teruggevorderd.
6. In verband met de nabetaling kreeg eiser een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2020 met een te betalen bedrag van circa € 10.000.
7. Naast het Uwv en de belastingdienst hield ook verweerder rekening met de nabetaling door alle toeslagen van het gezin te herberekenen. In deze procedure gaat het alleen om het kindgebonden budget want de andere toeslagen staan op naam van eisers echtgenote – daarover gaan de procedures met kenmerk ALK 23/730 en ALK 23/731. Verweerder heeft het kindgebonden budget van eiser over 2020 vastgesteld op € 1.732, uitgaande van een gezamenlijk (toetsings-)inkomen dat bestaat uit de som van het inkomen van eiser (€ 38.244) en het inkomen van de echtgenote (€ 21.153, samen is dat € 59.391). In deze beslissing is tevens bepaald dat eiser het verschil tussen het voorschot en het definitief vastgestelde bedrag aan kindgebonden budget (€ 1.432) moet terugbetalen.
8. Met dat gezamenlijk (toetsings-)inkomen van € 59.391 had het gezin in 2020 geen recht meer op huur- en zorgtoeslag. Van eisers echtgenote is daarom het bij wijze van voorschot toegekende bedrag aan zorgtoeslag (€ 2.360) teruggevorderd en het verschil tussen het voorschot en het bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde bedrag aan huurtoeslag (€ 526).
9. Bij beslissing op bezwaar is het bedrag aan kindgebonden budget over 2020 dat van eiser werd teruggevorderd met 50% gematigd tot € 717.
Geschil
10. In geschil is de terugvordering van het teveel ontvangen bedrag aan kindgebonden budget. Eiser meent dat die terugvordering met 100% moet worden gematigd zodat hij niets hoeft terug te betalen, verweerder stelt dat niet verder hoeft te worden gematigd dan met 50%.
11. Eiser voert aan dat, gelet op de specifieke en bijzondere omstandigheden waarin hij met zijn gezin verkeert, de terugvordering niet terecht is. Hij klaagt erover dat de beslissing op zijn bezwaar tegen de terugvordering onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Ook vraagt hij om schadevergoeding en om een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase. Op de vraag aan eiser wat hij uiteindelijk van deze procedure verwacht antwoordde hij dat hij zou willen dat het over was.
12. Verweerder voert aan dat het kindgebonden budget voor het jaar 2020 terecht is vastgesteld op € 1.732 en dat de terugvordering van het kindgebonden budget terecht niet verder is gematigd dan tot 50%. Zijn besluit is zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Verweerder wijst erop dat eiser over de jaren 2016-2019 in totaal € 911 teveel aan kindgebonden budget heeft gekregen (want het door de nabetaling was het gezinsinkomen over die jaren hoger) en dat voordeel wordt niet teruggevorderd. Volgens verweerder is het beroep ongegrond en heeft eiser geen recht op schadevergoeding.
Overwegingen
Het recht op en de hoogte van de toeslag
13. Tegen het bedrag waarop het kindgebonden budget over 2020 is vastgesteld zijn geen klachten aangevoerd, de rechtbank gaat er daarom van uit dat het terecht is vastgesteld op € 1.732.
Terugvordering
14. Bij de vraag of en in hoeverre het verschil tussen het voorschot en de definitieve berekening van het kindgebonden budget van eiser kan worden teruggevorderd, kent de rechtbank gewicht toe aan de volgende feiten en omstandigheden.
15. Eiser heeft na een gewonnen procedure een nabetaling/AO-uitkering gekregen waarna drie verschillende overheidsinstanties bedragen van het gezin zijn gaan terugvorderen. Inmiddels is het bedrag van die nabetaling (na de terugvordering door het Uwv, na de aanslag inkomstenbelasting van de belastingdienst, en na de herrekening door verweerder van de toeslagen) weer goeddeels terug bij de overheid. De oorzaak van de terugvorderingen ligt niet bij eiser, hem valt niets te verwijten. Het ligt niet aan eiser dat het Uwv hem in de jaren 2016-2019 niet de uitkering verstrekte waar hij recht op had. Eiser en zijn echtgenote zijn eenvoudige mensen (die naar eigen zeggen het verweerschrift niet hebben gelezen) en hun gezinsinkomen ligt al jaren rond de beslagvrije voet. Het bedrag waarover dit geschil gaat, namelijk € 717, is relatief beperkt. Terugbetaling betekent voor het gezin van eiser echter een forse aanslag op het gezinsbudget.
16. Zoals verweerder terecht heeft gesteld dient de terugvordering het algemene belang dat gemeenschapsgelden juist worden besteed. Is er teveel kindgebonden budget uitbetaald, dan moet dat in beginsel worden terugbetaald. Maar met die terugvordering zijn ook maatschappelijke kosten gemoeid: eiser krijgt te maken met een volgende uitvoeringsorganisatie die zijn betalingscapaciteit en een betaalschema gaat vaststellen, daarna brieven over de maandelijkse aflossingen aan eiser zal sturen en zijn restschuld zal administreren. Denkbaar is dat bij personen met een zeer beperkte betalingscapaciteit de kosten van het terugvorderen hoger kunnen zijn dan het bedrag dat wordt teruggevorderd. Verweerder heeft de discretionaire bevoegdheid om het terug te vorderen kindgebonden budget te matigen.
17. Wanneer de rechtbank alle rechtstreeks betrokken belangen afweegt, wegen de nadelige gevolgen van een terugvordering voor eiser zwaarder dan de met die terugvordering te dienen doelen. Daarbij heeft de rechtbank erg weinig gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser over de jaren 2016-2019 te veel kindgebonden budget heeft ontvangen (verweerder spreekt van ‘een voordeel van € 911’) omdat dat bedrag dat omgerekend nog geen € 20 per maand bedraagt zeer beperkt is te noemen.
18. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de terugvordering dient te worden verminderd naar nihil. Het beroep wordt gegrond verklaard en daarom behoeven zijn overige klachten over de terugvordering niet te worden behandeld.
Vergoeding van materiele schade
19. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de door eiser en zijn partner geleden schade (waaronder de wettelijke rente). Bij hem bestaat veel ongenoegen over de handelwijze van verweerder. Volgens eiser heeft zijn gezin dusdanig financieel geleden onder de beslissing van verweerder, dat hij daardoor zelfs niet naar de tandarts kon. Eiser heeft het bedrag van de door hem geleden materiele schade echter niet onderbouwd. Het verzoek van eiser om een schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.
Vergoeding van immateriële schade
20. Eiser vraagt ook om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak. Het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, levert voor deze vordering het toetsingskader.
21. Het bezwaar is op 19 juli 2021 door verweerder ontvangen. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 2 november 2022. De rechtbank doet heden uitspraak. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil met afgerond 21 maanden overschreden. Voor een deel kan die lange behandelduur echter aan eiser worden toegeschreven. Eiser is door de rechtbank uitgenodigd voor een zitting op 5 juni 2024. Op verzoek van de gemachtigde is die zitting uitgesteld. Hetzelfde is gebeurd met de zitting van 30 augustus 2024. De zitting van 14 januari 2025 is door de rechtbank verdaagd. Rekening houdend met het een en ander is de redelijke termijn in beroep met afgerond zeventien maanden overschreden.
22. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft het gezin van eiser recht op een vergoeding van € 1.500. Nu de zaak van eiser zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase gelijktijdig is behandeld met de zaken van zijn echtgenote (ALK 23/730 en ALK 23/731) en beide zaken betrekking hebben op een identiek probleem, zal de rechtbank de schadevergoeding gelijk over de echtelieden verdelen zodat eiser daarvan 50%, oftewel € 750, krijgt.
23. De overschrijding van de redelijke termijn is deels (10/17) toe te rekenen aan verweerder en deels aan de rechtbank (7/17). De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 441 en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 309 voor de overschrijding van de redelijke termijn.
Proceskosten en griffierecht
24. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Gelet op de gelijktijdige behandeling van de zaken van de echtgenote (ALK 23/730 en ALK 23/731) wordt de proceskostenvergoeding bij helfte over de echtgenoten verdeeld. De aan eiser te betalen proceskostenvergoeding bedraagt aldus € 1.554. De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.
25. Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin een terugvordering van eiser ligt besloten;
- vermindert de terugvordering van het kindgebonden budget tot nihil;
- laat de uitspraak op bezwaar voor het overige in stand;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 441 aan eiser voor de overschrijding van de redelijke termijn;
veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 309 aan eiser voor de overschrijding van de redelijke termijn;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.554; en
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post aan partijen verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.