Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:6374
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,918 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/360200 / JU RK 24-1895
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] ,
advocaat: mr. J. de Haan, kantoorhoudende in Alkmaar,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 18 december 2024;
door de GI geformuleerde omgangsvoorwaarden, ontvangen op 18 december 2024;
het e-mailbericht van de vader met bijlagen, ontvangen op 30 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft voorafgaand aan de zitting een brief verzonden aan de kinderrechter. [de minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 januari 2024 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 10 januari 2025.
3Het verzoek
verlenging ondertoezichtstelling
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende aangevoerd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de thuissituatie getuige geweest van spanningen en conflicten tussen de ouders. Ook nadat de ouders in maart 2023 uit elkaar zijn gegaan, komen zij niet tot samenwerking in het ouderschap. Daarnaast is sprake van escalatie, verharding en juridisering in de onderlinge communicatie. De ouders wijzen naar elkaar en maken zich zorgen over elkaars thuissituatie. Een zorg daarbij is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] klem zitten tussen de ouders. De kinderen hebben voortdurend last van stress en er is geen ruimte voor hen om de scheiding tussen de ouders te verwerken. Daarnaast laten beide kinderen gedragsproblematiek en zorgelijke signalen zien. Ook hebben zij last van angsten. In de thuissituatie gaat het met [de minderjarige 2] op dit moment moeizaam. Hij heeft regelmatig uitbarstingen en heeft moeite om de prikkels van de dag te verwerken. De school, Happy2Move en de zorgboerderij geven aan dat ze een onrustige [de minderjarige 2] zien en maken zich zorgen. [de minderjarige 2] lijkt op alle vlakken uit te vallen. Op dit moment wordt gekeken naar medicatie voor [de minderjarige 2] om de prikkels beter te verwerken. Tevens zoekt de GI naar een vorm van intensieve ambulante begeleiding in de thuissituatie, waarbij de moeder en [de minderjarige 2] kunnen worden ondersteund. Hoewel [de minderjarige 1] het op school goed doet, zijn er zorgen over haar executieve functies en haar EQ. Ook heeft [de minderjarige 1] moeite met het krijgen van overzicht en anticiperen. [de minderjarige 1] wil graag zo snel mogelijk diagnostiek om in kaart te brengen wat er nu precies bij haar speelt.
Een andere zorg is het verstoorde contact tussen de vader en de kinderen. De GI heeft Jij & Co vanaf maart 2024 ingezet om de begeleide omgang met de vader opnieuw vorm te geven. De vader heeft in juni 2024 zijn twijfel uitgesproken over de begeleide omgang en de voortzetting hiervan. Daarbij ging de vader niet akkoord met de voorwaarden voor de omgang van de GI. In augustus 2024 heeft de vader opnieuw aangegeven geen begeleide omgang te willen, omdat dit te veel spanningen bij hem opriep en dit niet in het belang is van de kinderen. Op 8 september 2024 herhaalde de vader tijdens de begeleide omgang per direct te willen stoppen, tenzij de GI per direct zou overgaan naar een onbegeleide weekendregeling. De ambivalentie waar de kinderen zodoende mee te maken kregen, is zorgelijk. De vader geeft daarbij aan dat de onzekerheid over het perspectief zo veel spanning geeft dat hij er zelf voor kiest om de omgang stop te zetten. Een zorg vanuit de GI is dat de vader door de hoog opgelopen spanningen niet voorspelbaar kan blijven voor de kinderen. [de minderjarige 2] heeft aangegeven de vader niet te willen zien. Daarentegen wil [de minderjarige 1] de vader wel zien, maar zij ondervindt last van de uitspraken van de vader tijdens de omgangsmomenten. In oktober en november 2024 heeft de vader aangegeven dat hij omgang wenst met de kinderen. De GI vraagt zich echter af wat er de afgelopen periode concreet bij de vader is veranderd, waardoor hervatting van de omgang binnen de kaders van de GI nu wel mogelijk is. Daarnaast is het belangrijk om te overwegen of het voor het hervatten van de omgang, gezien de huidige omstandigheden, het juiste moment is. Verder wil de GI ook graag informatie van de vader met betrekking tot zijn persoonlijk functioneren, maar deze informatie wil de vader niet delen.
3.3.
De GI acht het van belang om de hulpverlening te continueren en te onderzoeken of en hoe het contact tussen de vader en de kinderen invulling kan krijgen. Beide kinderen hebben baat bij duidelijkheid. Voor nu is besloten de omgang niet op te starten, omdat er veel speelt bij de kinderen en het belang dat hulpverlening goed op gang komt voorop staat.
3.4.
De GI heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht. Praktijk MINT kan de diagnostiek voor [de minderjarige 1] uitvoeren, maar hiervoor is een informatieoverdracht noodzakelijk vanuit Family Supporters. Family Supporters is in de veronderstelling dat de vader hiervoor geen toestemming zal verlenen. Happy2Move heeft met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige 2] aangegeven dat vier doelstellingen (nog) niet zijn behaald en dat er dus nog stappen te zetten zijn. Verder vindt de GI het ook belangrijk dat de vader behandeling krijgt voor zijn emotieregulatie, zodat hij zich beter kan beheersen en betrouwbaarder kan zijn voor de kinderen.
4De standpunten
het standpunt van de vader
4.1.
De vader kan zich vinden in toewijzing van het verzoek, aangezien hij alleen op deze manier kans maakt om zijn kinderen weer te zien. De vader heeft er verdriet van dat hij al langere tijd geen contact heeft met de kinderen. De vader staat open voor begeleide omgang, maar hij wil niet dat dit nog jarenlang op een kantoor plaatsvindt. De vader vindt het bezwaarlijk om de GI inzage te geven in zijn GGZ-rapport, aangezien de situatie waar dit rapport op ziet geheel anders was dan de situatie nu. Daarnaast geeft de vader aan dat hij toestemming geeft voor het afnemen van diagnostiek bij [de minderjarige 1] . Tot slot benadrukt de vader dat er een concreet plan door de GI moet worden opgesteld met doelen, omdat dit nu ontbreekt. In de visie van de vader levert de hulpverlening geen goed werk. De spanning die de kinderen lieten zien, laten zij ook zien nu er geen omgang meer is en er is gedurende het afgelopen OTS-jaar niks ten goede veranderd.
het standpunt van de moeder
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter het verzochte staat. De moeder vindt het vooral belangrijk dat de hulpverlening voor de kinderen spoedig wordt opgestart. Het lukt tot op heden niet de noodzakelijke behandelingen voor de kinderen op te starten, omdat de vader bezwaren blijft opwerpen.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting besproken is, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 1:260 tweede lid BW. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het gaat op dit moment niet goed met beide kinderen en meerdere hulpverleningsinstanties hebben hierover hun zorgen geuit. Zij laten allebei zorgelijk gedrag zien en hebben te kampen met angsten en spanning. [de minderjarige 2] is autistisch en er zijn ook zorgen over hechtingsproblematiek en trauma bij hem. [de minderjarige 2] heeft veel last van overprikkeling. Hij heeft hierdoor regelmatig uitbarstingen en zijn ontwikkeling loopt vast. Bij [de minderjarige 1] wordt gezien dat zij veel stress ervaart en het heel erg goed wil doen, maar moeite heeft met overzicht houden en anticiperen. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van haar executieve functies en [de minderjarige 1] ondervindt er last van dat er nog geen diagnostiek bij haar is afgenomen om te bepalen welke hulp zij nodig heeft. De kinderrechter ziet dat beide kinderen behoefte hebben aan hulpverlening, maar vanwege de gezinssituatie blijkt het moeilijk om de juiste hulp van de grond te laten komen. De moeizame samenwerking met de vader speelt hierin een vertragende rol. De verhouding tussen de vader en de moeder en de vader en de kinderen is ernstig verstoord. De GI heeft in maart 2024 nog een poging gedaan om begeleide omgang op te starten, maar dit is na een aantal maanden gestagneerd doordat de vader zich niet kon vinden in de opgestelde omgangsvoorwaarden. [de minderjarige 2] wil op dit moment geen contact met de vader en [de minderjarige 1] wil graag onder begeleiding haar vader weer zien. De kinderrechter vindt het positief dat de vader ter zitting heeft aangegeven open te staan voor begeleide omgang. Bij de vader wordt veel weerstand en wantrouwen gezien en hij lijkt vast te lopen in zijn emoties door te focussen op het proces en het functioneren van de GI. Daardoor lukt het de vader niet altijd om in het belang van de kinderen te handelen.
5.3.
Aangezien de ouders onvoldoende tot samenwerking komen en de vader moeite heeft de geboden hulpverlening te accepteren, acht de kinderrechter het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk. Daarbij dient naast de hulp aan de kinderen aandacht te worden besteed aan het verbeteren van de communicatie tussen de ouders. Verder acht de kinderrechter het van groot belang dat de GI met de vader de mogelijkheden tot omgang verder gaat onderzoeken. Hierbij zal de vader realistisch moeten zijn in wat hij in de samenwerking van de GI mag verwachten en in het feit dat het tempo en de behoeften van de kinderen leidend zullen zijn. Verder moet aan de vader helderheid worden verschaft over welke informatie de GI wenst over zijn persoonlijk functioneren. De kinderrechter acht het van belang dat de vader deze informatie –ook al is deze van enige tijd geleden- deelt met de GI, omdat dit belangrijke informatie kan zijn om de bestaande patronen te kunnen doorbreken. Bovendien vindt de kinderrechter het belangrijk dat goed wordt onderzocht waar de spanning bij de kinderen vandaan komt -ook in relatie tot het contact met de vader- en wat hieraan gedaan kan worden.
5.4.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn:
- de persoonlijke problematiek van [de minderjarige 2] ;
- de persoonlijke problematiek van [de minderjarige 1] en het ontbreken van diagnostiek;
- het verstoorde contact tussen de vader en de kinderen;
- de verstoorde verhouding en communicatie tussen de ouders.
5.5.
Gelet op de complexiteit en hardnekkigheid van de problematiek en de stappen die nog genomen moeten worden, verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
tot 10 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025 door mr. C. Maat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier, en op schrift gesteld op 28 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.