Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-04
ECLI:NL:RBNHO:2025:6343
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,571 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11046175 \ CV EXPL 24-2352
Uitspraakdatum: 4 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Singapore Airlines Ltd
gevestigd te Singapore (Singapore)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 19 juli 2022 vervoeren van Amsterdam via Singapore (Singapore) naar Ngurah Rai (Indonesië), met de vluchten SQ323 en SQ938.
2.2.
De vluchtcombinatie is uitgevoerd, maar de passagiers zijn niet meegevlogen.
2.3.
De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vluchtcombinatie vanaf Parijs, Frankrijk. Daarmee zijn zij 30 uur en 30 minuten later op de eindbestemming aangekomen.
2.4.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen direct na de instapweigering; - € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de instapweigering moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de vervoerder op 6 juli 2022 aan de passagiers heeft laten weten dat zij niet mee konden vliegen met vlucht SQ323. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een feitelijke instapweigering. Dat betekent dat de passagiers in beginsel recht hebben op compensatie, bijstand en verzorging. Het feit dat de passagiers zich niet voor het instappen hebben gemeld, staat daaraan in de gegeven omstandigheden niet in de weg. Er bestaat echter géén recht op compensatie, indien de weigering is gebaseerd op redelijke gronden. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.3.
De vervoerder heeft voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 17 juni 2022 van Schiphol de opdracht heeft gekregen om het aantal passagiers dat tussen 7 en 31 juli 2022 van Schiphol zou vertrekken, met 30% te verminderen in verband met bovengemiddelde drukte, lange wachtrijen en operationele problemen bij de security check op Schiphol. De vervoerder heeft gevolg gegeven aan dit verzoek door (onder meer) de boeking van de passagiers te annuleren. Indien de vervoerder (en andere luchtvaartmaatschappijen) geen gehoor hadden gegeven aan de oproep is niet uitgesloten dat dit tot ernstige verstoringen zou hebben geleid op Schiphol. De annulering van boekingen was in het kader van de veiligheid dan ook noodzakelijk. De vervoerder heeft toegelicht dat hij bij het annuleren van boekingen rekening heeft gehouden met het ‘first in, first out’ principe. Deze benaderingswijze komt de kantonrechter niet onredelijk voor. De conclusie is dat het beroep van de vervoerder op ‘redelijke gronden’ slaagt. Het feit dat de vervoerder pas enkele weken ná 17 juni 2022 tot reorganisatie van zijn vluchten is overgegaan, staat daaraan niet in de weg.
4.4.
De passagiers hebben ten slotte gesteld dat de vervoerder een vergoeding van € 350,00 per ‘niet vertrekkende’ passagier zou hebben ontvangen van Schiphol. De vervoerder heeft deze stelling voldoende gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat.
4.5.
De vordering van de passagiers wordt afgewezen. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 408,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 4 lid 3 van de Verordening.
HvJEU 26 oktober 2023, C-238/22, ECLI:EU:C:2023:815.
Artikel 2 onder j van de Verordening.