Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-25
ECLI:NL:RBNHO:2025:5923
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,084 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-289823-24 (P)
Uitspraakdatum: 25 februari 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 november 2024 en 11 februari 2025 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.G.T. Kramer, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. F.F. Kool, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 september 2024 te Haarlem een fles wijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 10 september 2024 te Haarlem een fles wijn, die aan Albert Heijn toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
Motivering
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat er niet wordt voldaan aan de ‘zachte criteria’ om een dergelijke maatregel te kunnen opleggen. Er is een reëel alternatief voor oplegging van de ISD-maatregel. De raadsman verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf van één maand op te leggen, of in ieder geval niet langer dan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen, om de verdachte nog een allerlaatste kans te geven om zijn leven op de rit te krijgen in het beschermd wonen traject bij Moving Up. Tevens heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, zodat de verdachte terug kan keren naar zijn kamer bij Moving Up.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. De verdachte heeft een fles wijn gestolen uit een supermarkt. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die doorgaans veel overlast en financiële schade geven voor betrokkenen.
Strafblad
Uit het strafblad van de verdachte, gedateerd 30 januari 2025, blijkt dat hij de afgelopen jaren veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Er is sprake van een duidelijk delictpatroon in het plegen van vermogensdelicten.
Advies van de reclassering
De rechtbank betrekt bij haar afweging over de sanctieoplegging ook de persoon van de verdachte. Uit het reclasseringsadvies van 11 november 2024 komt naar voren dat de verdachte op verschillende leefgebieden problemen heeft en dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Hoewel er jarenlang is ingezet middels reclasseringsinterventies op de forse problematiek van de verdachte, heeft dit tot op heden niet geleid tot gedragsverandering of vermindering van recidive. De verdachte weet niet te profiteren van hulpverlening vanwege de ernstige verslavingsproblematiek en zijn zelfbepalende houding. De reclassering geeft aan dat het opstellen van een adequaat begeleidingsplan binnen het kader van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, waarin aandacht besteed dient te worden aan alle criminogene factoren, de meeste kans van slagen lijkt te hebben. Binnen de ISD-maatregel zal er diagnostiek plaatsvinden, zodat er voor de verdachte een passend hulpverleningstraject kan worden ingezet. De reclassering komt tot het advies om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Tijdens de zitting van 18 november 2024 is gebleken dat er mogelijk een alternatief voor de onvoorwaardelijke ISD-maatregel beschikbaar was. De verdachte kon terecht bij stichting Moving Up, waar hij zorg en begeleiding kon krijgen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak daarom aangehouden en de reclassering de opdracht gegeven om een reclasseringsrapport op te stellen, waarbij moest worden onderzocht of het voorgestelde plan haalbaar was en de recidivekans in voldoende mate kon worden beperkt. De reclassering bracht op 16 december 2024 een rapport uit waarin positief werd geadviseerd om de voorlopige hechtenis onder voorwaarden te schorsen. De rechtbank heeft vervolgens de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 23 december 2024, onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Echter, op 29 januari 2025 heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven, omdat de verdachte zich niet hield aan de bijzondere voorwaarden die aan de schorsing waren verbonden.
In haar advies van 29 januari 2025 adviseert de reclassering alsnog om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, zoals in de rapportage van 12 november 2024 [de rechtbank begrijpt: 11 november 2024] reeds werd geadviseerd.
Dit advies heeft [reclasseringswerker] , als getuige ter terechtzitting onderschreven en gehandhaafd.
Onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden wordt voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers, het door de verdachte begane feit (diefstal) betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, terwijl het hier bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van die straffen. Gelet op de veelvuldige recidive en de persoonlijke problematiek van de verdachte, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan als hij geen hulp en begeleiding krijgt. De veiligheid van goederen vereist daarom het opleggen van een ISD-maatregel.
Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of deze maatregel in onvoorwaardelijke of voorwaardelijke vorm moet worden opgelegd. De rechtbank stelt voorop dat de ISD-maatregel een uiterste middel (ultimum remedium) is, dat in beginsel pas wordt toegepast indien eerdere straffen de verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden te recidiveren en alle eerdere hulpverlening niet het gewenste effect heeft gehad. Tegen die achtergrond is het de rechtbank gebleken dat de problematiek van de verdachte een strak kader vereist, waarbij zijn eigen verantwoordelijkheden gefaseerd worden opgebouwd. Het is de verdachte immers niet gelukt om zich binnen de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden met betrekking tot de geboden hulpverlening te houden. Er lijkt in dit verband geen sprake te zijn van onwil bij de verdachte, maar van onmacht. De rechtbank ziet daarom, net als de reclassering, op dit moment geen mogelijkheden om die hulp en begeleiding te laten plaatsvinden binnen een voorwaardelijk kader.
De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren dan ook de enige passende sanctie. Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer moet worden gelegd en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht, hierop niet in mindering moet worden gebracht.
Gelet op de opgelegde maatregel zal de rechtbank het op de zitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van (2) twee jaren.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. I. Groenendijk, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2025.