Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:5861
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,724 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359298 / JU RK 24-1748
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de pleegmoeder]
, pleegmoeder
[de pleegvader]
, pleegvader
Hierna gezamenlijk: de aspirant pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De aspirant pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.5.
De moeder heeft mr. A. Vogelaar toegewezen gekregen als advocaat. De advocaat was echter niet ter zitting aanwezig. De moeder heeft desgevraagd toestemming gegeven om de zitting zonder bijstand van haar advocaat voort te zetten.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een caravan naast de woning van de aspirant pleegouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 15 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 15 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI heeft het verzoek om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar ’in een pleeggezin’ ter zitting ingetrokken. Ook heeft de GI mondeling ter zitting het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen tot [datum] gewijzigd naar een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen tot zijn meerderjarigheid. De GI heeft daarnaast verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot [datum] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft de verzoeken als volgt schriftelijk en mondeling toegelicht. [de minderjarige] woonde bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . In het begin ging dit moeizaam, maar gaandeweg kwam er een positieve ontwikkeling. Toch lukte het [de minderjarige] niet om een volgende stap te zetten op het gebied van dagbesteding. Zo heeft [de minderjarige] zelf aangegeven een gesprek te willen met school voor een tweede kans, maar op het moment dat dit gesprek plaats zou vinden, ging [de minderjarige] niet mee omdat hij geen zin had. Het gedrag van [de minderjarige] op de groep veranderde toen duidelijk werd dat hij definitief niet terug mocht naar zijn oude school. Wanneer [de minderjarige] enige druk of verwachting werd opgelegd, veranderden zijn gemoed en gedrag gelijk. Hij liet weerstand zien om mee te werken en ging de groepsleiding en groepsgenoten weer agiteren. [de minderjarige] leek grenzeloos in het opzoeken van grenzen bij anderen. Toen [de minderjarige] in juli 2024 een tijdelijke time-out kreeg vanwege het voortdurend pesten, uitdagen van zijn groepsgenoten en het niet respecteren van grenzen van zijn groepsgenoten, ging [de minderjarige] in de weerstand.
Toen [de minderjarige] werd verzocht om zijn medewerking en hij korte tijd kreeg om zijn spullen te pakken voor een time-out van 5 dagen op een andere locatie, vertrok [de minderjarige] . Het was onbekend waar hij was en hij werd op de telex geplaatst. Hij zocht telefonisch contact met zijn moeder en gaf aan weer thuis te willen wonen. Dit was niet mogelijk. Een week later werd er contact opgenomen met de GI door de ouders van een vriend van [de minderjarige] . Hun zoon had [de minderjarige] meegenomen naar huis en hij was bij hen. Na gesprekken is duidelijk geworden dat [de minderjarige] niet wilde terugkeren naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Het gezin heeft aangegeven dat zij pleegouders willen worden van [de minderjarige] , mits de ouders hiermee instemmen.
[de minderjarige] verblijft momenteel in een caravan naast de woning van de aspirant pleegouders. [de minderjarige] lijkt voor hen bereid te zijn medewerking te geven, waardoor hij de afgelopen tijd positieve stapjes heeft gezet. [de minderjarige] helpt hen in de sportschool die zij hebben. Hij heeft in de vakantie enige dagen bij een bouwbedrijf gewerkt en hij heeft zich met hun ondersteuning ingeschreven bij het [college] college voor de entree opleiding niveau 1. Vervolgens is er echter een conflict ontstaan tussen [de minderjarige] en de aspirant pleegouders over stage. In een gesprek met de GI heeft het aspirant pleeggezin duidelijke regels gesteld waar [de minderjarige] zich aan moet houden wil hij bij hen blijven wonen. [de minderjarige] is hiermee akkoord gegaan. Inmiddels is [de minderjarige] gestart met zijn opleiding en heeft hij een stage gevonden. Er is echter geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders of tussen de pleegouders en de ouders waardoor een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De GI heeft als doel om te werken aan het verbeteren van dit contact. Ook speelt de problematiek waarvoor de ondertoezichtstelling is uitgesproken nog steeds. [de minderjarige] ontkent een aandeel gehad te hebben in de uithuisplaatsing en neemt geen verantwoordelijkheid voor de afgelopen gebeurtenissen. Ook weigert hij mee te werken aan diagnostiek waardoor de juiste behandeling niet kan starten. De GI vindt het wel positief dan het [de minderjarige] is gelukt om conflicten uit te spreken, maar er is nog hulpverlening nodig om deze vooruitgang te continueren. Als de lichte dwang van de ondertoezichtstelling wegvalt vreest de GI namelijk dat [de minderjarige] terugvalt in zelfbepalend gedrag. De GI wil [de minderjarige] motiveren en zorgen dat hij een dagbesteding blijft houden. Daarnaast loopt de screening van de aspirant pleegouders nog.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ze het moeilijk vindt dat [de minderjarige] niet bij haar thuis kan wonen en dat zij het liever anders had gezien. De moeder heeft wel telefonisch contact met [de minderjarige] , maar zij ziet in dat [de minderjarige] niet zonder reden uit huis is geplaatst en dat hij momenteel niet terug kan komen. Zij verzet zich daarom niet tegen de verzoeken.
4.2.
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij al enkele maanden geen contact heeft met [de minderjarige] omdat [de minderjarige] de vader ervoor verantwoordelijk houdt dat hij niet thuis kan wonen. Het laatste contact heeft afgelopen zomer plaatsgevonden en dat ging volgens de vader niet op een prettig manier. De vader heeft het gevoel dat [de minderjarige] zijn eigen ouders niet serieus neemt en bij hen compleet zijn eigen weg gaat. Bij de aspirant pleegouders lijkt hij het beter te doen. Hij gaat nu naar school en heeft een dagbesteding. Dat is iets dat de ouders niet is gelukt. Verder ziet [de minderjarige] volgens de vader in dat dit zijn laatste kans is. Ook de vader verzet zich daarom niet tegen de verzoeken.
Beoordeling
Ondertoezichtstelling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit de zorgen die er de afgelopen periode zijn geweest. [de minderjarige] ging een tijd niet naar school en had geen dagbesteding. [de minderjarige] liet ook zelfbepalend gedrag zien en er zijn zowel bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] als bij de aspirant pleegouders conflicten ontstaan. [de minderjarige] neemt zelf geen verantwoordelijkheid voor deze situatie, wat zorgelijk is. Recentelijk zijn er echter positieve ontwikkelingen geweest. [de minderjarige] gaat naar school en heeft een stageplek. Ook verloopt het verblijf bij de aspirant pleegouders vooralsnog positief en houdt [de minderjarige] zich daar aan de afspraken. Deze ontwikkelingen zijn echter nog pril waardoor de kinderrechter van oordeel is dat het belangrijk is dat de GI dit blijft monitoren. Daarnaast spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de GI [de minderjarige] kan motiveren om mee te werken aan diagnostiek zodat hij de juiste behandeling kan krijgen.
5.2.
Tevens blijkt dat de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat het de ouders ondanks de ingezette hulpverlening niet is gelukt om de zorgen weg te nemen.
5.3.
Alhoewel het vooralsnog niet de verwachting is dat de ouders die het gezag uitoefenen in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen voordat [de minderjarige] meerderjarig wordt, vindt de kinderrechter het, gezien het voorgaande, in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot [de minderjarige] meerderjarig is.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen, zoals hierna bepaald.
5.5.
Gelet op de aanwezige problematiek en de in te zetten hulpverlening, zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen tot [de minderjarige] meerderjarig is.
Uithuisplaatsing
6.6. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] door een conflict niet langer bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan wonen. Ook is het momenteel niet mogelijk dat [de minderjarige] weer bij zijn ouders gaat wonen. [de minderjarige] heeft namelijk geen contact met zijn vader en bij zijn moeder is de situatie dusdanig uit de hand gelopen dat het, mede gelet op het welzijn van de broer van [de minderjarige] , niet langer houdbaar was dat [de minderjarige] bij zijn moeder verbleef. Deze situatie is niet zodanig verbeterd dat dit nu wel zou kunnen, ondanks de wens van de moeder om [de minderjarige] weer thuis te laten wonen. [de minderjarige] is daarom bij de aspirant pleegouders gaan wonen. Daar lijkt het beter te gaan met [de minderjarige] . Hij gaat naar school en heeft een stageplek. Ook houdt [de minderjarige] zich bij de aspirant pleegouders aan de afspraken. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat hij op deze plek kan blijven wonen.
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen tot zijn meerderjarigheid wordt daarom toegewezen. De kinderrechter stelt hierbij wel de voorwaarde dat de aspirant pleegouders positief uit de screening komen die op dit moment plaatsvindt. Mocht dit niet het geval zijn, dan verwacht de kinderrechter dat de GI aan de bel trekt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot [datum] ;
6.2.
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot [datum] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier en op schrift gesteld op 21 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
In de zaak C/15/359300 / JU RK 24-1749.
Zaaknummer C/15/359300 / JU RK 24-1749.