Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-04
ECLI:NL:RBNHO:2025:5566
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,308 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2158
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 4 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Chili), eiseres
(gemachtigde: R. Ramautarsing),
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) van het product met de handelsbenaming “ [product] ” (hierna ook: het product), een visolie in de vorm van ethylesters.
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 27 juni 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:6009). In deze uitspraak (hierna: de verwijzingsuitspraak) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).
In zijn arrest van 12 december 2024, zaaknummer C-388/23, ECLI:EU:C:2024:1022 (hierna: het arrest van 12 december 2024), heeft het Hof van Justitie de gestelde vragen als volgt beantwoord:
1. Post 1516 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1602 van de Commissie van 11 oktober 2018, moet aldus worden uitgelegd dat een visolie in de vorm van ethylesters die wordt verkregen door verestering van vetzuren met ethanol, niet onder deze post valt.
2. Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1661 van de Commissie van 24 september 2019 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 23 december 2024 in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest en daarbij verzocht binnen een bepaalde termijn aan te geven of partijen al dan niet afzien van een nadere zitting. Partijen hebben hierop niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten
1. Op 25 november 2019 heeft verweerder aan eiseres een beschikking inzake een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) met kenmerk NL BTI 2019-0785 afgegeven. Verweerder heeft het product in de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN) ingedeeld onder GN-code 2106 90 92.
2. Verweerder heeft deze indeling doen steunen op Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1661 van de Commissie van 24 september 2019 (hierna: de uitvoeringsverordening).
3. Voor de verdere feiten verwijst de rechtbank naar haar verwijzingsuitspraak.
Geschil
4. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder op 25 november 2019 terecht en op goede gronden de BTI heeft afgegeven waarbij het product is ingedeeld onder post 2106.
5. Primair stelt eiseres dat het product dient te worden ingedeeld onder post 1516 met toepassing van algemene indelingsregels 1 en 6.
Het product kan volgens eiseres niet onder post 2106 worden ingedeeld. Het is niet voor menselijke consumptie bedoeld. Daarnaast wordt niet voldaan aan de bewoordingen van post 2106 “elders genoemd noch elders onder begrepen”, aangezien het product volgens eiseres dient te worden ingedeeld onder post 1516.
Eiseres merkt over de uitvoeringsverordening op dat de Europese Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden en dat deze ongeldig is. Zij heeft de rechtbank verzocht daarover prejudiciële vragen te stellen.
Eiseres concludeert dat de uitspraak op bezwaar van verweerder en de BTI niet in stand kunnen blijven. Zij verzoekt een (integrale) vergoeding van de kosten in bezwaar en de proceskosten in beroep en een vergoeding van schade op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
6. Verweerder doet de indeling in de BTI steunen op de uitvoeringsverordening. Het product dient volgens verweerder dan ook te worden ingedeeld onder post 2106. Verweerder merkt in dat kader op dat hij zich – als uitvoeringsorganisatie – aan de uitvoeringsverordening dient te houden.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Juridisch kader
7. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar haar verwijzingsuitspraak.
Beoordeling
8. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend. De inhoud van GS- en GN- toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven.
9. Wat betreft de objectieve kenmerken en eigenschappen is tussen partijen niet in geschil dat de eigenschappen van het onderhavige product identiek zijn aan die in de omschrijving van de visolie in de uitvoeringsverordening. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen. Vast staat dat het product hoofdzakelijk bestaat uit ethylesters.
10. In de uitvoeringsverordening heeft de Commissie het daarin omschreven product ingedeeld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1, onder b), op hoofdstuk 38 en de tekst van de GN-codes 2106, 2106 90 en 2106 90 92. Voorts heeft de Commissie in de uitvoeringsverordening gesteld dat “[i]ndeling onder [GN‑post 1516] [...] uitgesloten [is] omdat het product voornamelijk bestaat uit ethylesters die worden verkregen door verestering van vetzuren met ethanol en niet met glycerol” en dat „[d]e mate van bewerking die het product heeft ondergaan [...] daarom hoger [is] dan wat onder post 1516 is toegestaan, aangezien onder die post alleen opnieuw veresterde triglyceriden vallen”. Wat dit laatste betreft, verwijst de uitvoeringsverordening naar deel B, punt 2, van de door de Werelddouaneorganisatie (hierna: WDO) gepubliceerde toelichtingen op post 1516 van het GS. Bovendien bepaalt de indelingsverordening dat „ethylesters van vetzuren geen dierlijke of plantaardige vetten en oliën [zijn]” en verwijst deze dienaangaande naar de door de WDO gepubliceerde toelichtingen op hoofdstuk 15 van het GS, algemene opmerkingen, deel A, tweede alinea.
11. Hoewel eiseres betoogt dat de uitvoeringsverordening niet geldig is, heeft het Hof van Justitie daarover anders geoordeeld. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 12 december 2024 in punten 51 en 52 overwogen dat zowel de motivering van de indeling van het in de uitvoeringsverordening bedoelde product als de indeling zelf in overeenstemming zijn met de uitlegging die aan de GN-post 1516 moet worden gegeven. De rechtbank verwijst voor die uitlegging naar rechtsoverwegingen 32 tot en met 45 van het arrest van 12 december 2024 en de conclusie (in punt 46) dat post 1516 van de gecombineerde nomenclatuur aldus moet worden uitgelegd dat een visolie in de vorm van ethylesters die wordt verkregen door verestering van vetzuren met ethanol, niet onder GN-post 1516 valt.
12. Het Hof van Justitie overweegt dat uit voornoemde uitlegging van post 1516 van de GN volgt dat de Commissie bij de vaststelling van die uitvoeringsverordening noch de inhoud, noch de reikwijdte van die post heeft gewijzigd en dus haar bevoegdheden niet heeft overschreden. Het Hof van Justitie concludeert dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de uitvoeringsverordening kunnen aantasten.
13. Gelet op het voorgaande is de uitvoeringsverordening geldig. De rechtbank dient deze toe te passen. Op grond van de uitvoeringsverordening dient het product, gelet op de tekst van GN-codes 2106, 2106 90 en 2106 90 92 met indelingsregels 1 en 6 te worden ingedeeld als “andere producten voor menselijke consumptie”, zoals bedoeld bij GN-onderverdeling 2106 90 92 van de gecombineerde nomenclatuur. Daarom kan het standpunt van eiseres dat het product dient te worden ingedeeld onder post 1516, niet slagen. Het gelijk is aan verweerder.
Conclusie
14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de BTI met kenmerk NL BTI 2019-0785 in stand blijft.
Schadevergoeding
15. Eiseres stelt schade te hebben geleden en doet voor vergoeding van haar schade een beroep op artikel 8:88 van de Awb. Artikel 8:88 van de Awb maakt deel uit van titel 8:4 van de Awb, die is ingevoerd met de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. Op grond van het overgangsrecht van deze wet is titel 8.4 van de Awb niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen, of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is er een rijksbelastingdienst onder de naam Belastingdienst, die bestaat uit het directoraat-generaal Belastingdienst, het directoraat-generaal Douane en het directoraat-generaal Toeslagen. Besluiten van de inspecteur van de Douane vallen dus onder het overgangsrecht van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. Eiseres doet alleen al hierom een vruchteloos beroep op artikel 8:88 van de Awb. Voor vergoeding van schade op de voet van het voor douanezaken nog niet vervallen artikel 8:73 van de Awb is geen grond. Het beroep wordt immers niet gegrond verklaard, hetgeen een voorwaarde is voor toepassing van artikel 8:73 van de Awb.
Proceskosten
16. Voor wat betreft de stelling van eiseres dat zij recht heeft op vergoeding van de (integrale) kosten in bezwaar en de proceskosten in beroep, overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is geen sprake geweest. Daarom heeft verweerder terecht de verzochte vergoeding voor de kosten in bezwaar achterwege gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een (integrale) vergoeding van de proceskosten in beroep, alleen al omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. dr. C.A. Schreuder en mr. S. Kleij, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
PB L 251/1 van 1 oktober 2019
Zie onder meer Hof van Justitie 26 april 2017, C-51/16, Stryker EMEA Supply Chain Services BV, ECLI:EU:C:2017:298, punt 39 en 45.
Zie onder meer Hof van Justitie 26 november 2015, C-44/15 Duval GmbH & Co, KG., ECLI:EU:C:2015:783, punt 24.
Zie artikel V, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50). Dit overgangsrecht is nog steeds geldig, ondanks het bepaalde in artikel V, vierde lid, van deze wet.
Zie artikel V, tweede lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.