Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-14
ECLI:NL:RBNHO:2025:5280
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,325 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/362588 / FA RK 25-1058
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 mei 2025
in de zaak van:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Wieringa, kantoorhoudende te Zaandam,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. T.M. Melissen, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 3 maart 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 25 april 2025;
- het verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 28 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 april 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. P. Wieringa en de man door mr. T.M. Melissen.
1.3.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op 29 april 2025 door de rechter gesproken. Daarnaast heeft de rechtbank op 29 april 2025 een bericht van [de minderjarige 1] ontvangen.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [de minderjarigen] :
- [de minderjarige 1] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
- [de minderjarige 2] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
Beoordeling
toevertrouwing minderjarigen, uitsluitend gebruik echtelijke woning en de zorgregeling
3.1.
Partijen hebben beiden verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats] met de daarbij behorende inboedelgoederen, alsmede om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan hen toe te vertrouwen. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) heeft de man verzocht vast te stellen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw. De vakanties en feestdagen dienen door partijen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. De vrouw heeft daarentegen verzocht een zorgregeling vast te stellen tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de man, waarbij zij op de volgende dagen bij de man verblijven:
op de maandagavond, woensdagavond en de donderdagavond (op die donderdagavond na school tot en met de voetbaltraining of na het eten) rondom de voetbaltrainingen van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] ;
om de week van vrijdag uit school (rond 15.30 uur) tot zaterdag na het eten, 19.00 uur/20.00 uur;
om de week van zaterdag na de voetbal tot zondagavond na het eten, 19.00 uur/20 uur.
Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw zijn, met daarbij vervangende toestemming aan de vrouw om de eerste drie weken van de zomervakantie met de kinderen in Spanje door te brengen.
3.2.
De rechtbank zal deze verzoeken gezien hun samenhang gezamenlijk behandelen. 3.3. De vrouw heeft aan haar verzoeken ten grondslag gelegd dat zij de woning samen met de kinderen op 24 februari 2025 tijdelijk heeft verlaten. Zij verblijven nu tijdelijk bij haar ouders in [plaats] . Dit is echter geen duurzaam alternatief, omdat de vrouw met de kinderen in een kamer van drie bij drie meter slaapt en de woning maar geschikt is voor twee personen. Daarnaast is het in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen en dat zij zoveel mogelijk op de wijze zoals zij gewend waren/zijn naar school kunnen gaan en deel kunnen blijven nemen aan sport en andere activiteiten. De vrouw is actief opzoek geweest naar verschillende huurwoningen, waaronder in [plaats] en [plaats] . Ook een tijdelijke huurwoning in [plaats] behoorde tot de mogelijkheden, maar hiervoor was nodig dat beide partijen de huurovereenkomst zouden tekenen. Ondanks dat de vrouw dit aan de man heeft gevraagd, is dit niet gebeurd. Voor zover de vrouw bekend heeft de man geen enkele poging genomen om zelf huisvesting te vinden. Ook betwist zij dat de man PTSS heeft en op grond daarvan in de echtelijke huurwoning moet blijven wonen. De man kan de caravan die partijen gekocht hebben gebruiken.
De man is niet in staat om ’s ochtends de reguliere zorg van de kinderen tot aan school op zich te nemen, omdat hij om 6.30 uur moet beginnen met zijn werk als vrachtwagenchauffeur. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zijn werkzaamheden zodanig kan aanpassen dat hij voor en na school van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beschikbaar is. [de minderjarige 2] is nog niet op een leeftijd dat hij het ochtendritueel helemaal zelf kan en dat geldt in mindere mate ook voor [de minderjarige 1] . Daar komt bij dat de man ook niet tijdig thuis kan zijn om [de minderjarige 2] op te vangen na school. De vrouw heeft een eigen onderneming en kan vanuit huis werken en is flexibel, ook wanneer de kinderen ziek zijn. De vrouw is op termijn wel voorstander van een vorm van co-ouderschap, maar er zal dan wel aan een aantal randvoorwaarden voldaan moeten worden die betrekking hebben op de afstand tussen de woning en de school van de kinderen, de beschikbaarheid van de ouders, een basisvorm van communicatie tussen de ouders en het belang van de kinderen dat zij goed gedijen in co-ouderschap.
3.4.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat hij het meest belang heeft bij het gebruiksrecht van de echtelijke woning. Onlangs is de man gediagnosticeerd met PTSS door psychische en lichamelijke mishandeling in zijn jeugd. De man zal therapie gaan volgen en het is van belang dat hij kan werken aan zijn herstel in een vertrouwde omgeving. Veranderingen zijn niet helpend voor de behandeling. Daarnaast kunnen de kinderen bij een co-ouderschapsregeling voor de helft van de tijd in hun vertrouwde omgeving wonen. Daar komt bij dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, omdat zij bij haar ouders kan wonen en de man betwist dat zijn handtekening nodig is voor de tijdelijke huurwoning in [plaats] . De vrouw beschikt dus over vervangende woonruimte. Aangezien het inkomen van de vrouw ook hoger is dan het inkomen van de man, is het voor haar ook eenvoudiger om elders woonruimte te vinden. Ten aanzien van de zorgregeling en het toevertrouwen van de kinderen, stelt de man dat hij de zorg voor de kinderen kan combineren met zijn werk. De man heeft overleg gehad met zijn werk en kan in de weken dat hij de zorg heeft voor de kinderen minder werken. Dit kan hij dan weer compenseren met langere werkdagen wanneer de kinderen bij de vrouw verblijven. De huidige regeling doet geen recht aan de situatie en is ook niet in het belang van de kinderen en wat partijen hebben afgesproken. De man wenst een groot gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich te nemen, omdat de kinderen hem missen en hij de kinderen ook. [de minderjarige 1] heeft ook aangegeven dat zij een week op week af regeling wil.
Het is verder het meest logisch dat de kinderen aan de man worden toevertrouwd wanneer de man in de woning blijft wonen. De kinderen hoeven dan hun inschrijving niet te wijzigen, waardoor zo min mogelijk voor de kinderen verandert. Bovendien ontvangen partijen dan het maximale aan tegemoetkomingen vanuit de overheid, hetgeen ook in het belang van de kinderen is.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Zij stelt voorop dat het in het belang van de kinderen is dat zij (ook) gedurende de echtscheidingsprocedure zoveel mogelijk in de echtelijke woning kunnen verblijven, zodat zij in deze voor hen turbulente fase, zoveel mogelijk hun normale (sociale) leven kunnen leiden en in hun eigen slaapkamer kunnen slapen. Dit betekent dat degene aan wie de kinderen worden toevertrouwd ook het voorlopig uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen zal krijgen. Een andere constructie, bijvoorbeeld één waarbij partijen gezamenlijk dan wel door middel van ’birdnesting’ in de woning verblijven, is niet mogelijk dan wel wenselijk gebleken.
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat het in de huidige situatie het meest in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] is dat zij weer met de vrouw in de echtelijke woning gaan wonen en de huidige zorgregeling voorlopig in stand blijft. Hiervoor is met name redengevend dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vrouw steeds in staat is geweest haar werktijden aan te passen aan de (school)tijden van de kinderen. Zij is daarin flexibel omdat zij haar eigen onderneming heeft, waardoor zij de zorg voor de kinderen voor en na schooltijd op zich kan nemen en als de kinderen ziek zijn. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het standpunt van de man dat hij - hoewel hij in beginsel van 7.00 uur tot 15.00 in [plaats] werkt - (ook) in staat is zijn werktijden aan te passen, onvoldoende vast is komen te staan. De man heeft immers geen verklaring van zijn werkgever in het geding gebracht waaruit blijkt dat deze kan en wil meewerken aan een dergelijke regeling.
Conclusie
3.24. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een hogere zorgkorting heeft dan draagkracht, waardoor de man, naast zijn eigen verblijfskosten voor de kinderen, geen kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen. De vrouw is vanwege haar hogere draagkracht, mede gelet op het kindgebonden budget (en alleenstaande ouderkop) en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, verantwoordelijk voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. Gelet op het voorgaande zullen de verzoeken ten aanzien van de kinderbijdrage worden afgewezen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van de draagkracht van partijen en de zorgkorting. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarigen [de minderjarigen] :
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
worden toevertrouwd aan de vrouw,
4.2.
bepaalt dat de vrouw vanaf 29 mei 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan [adres] te [plaats] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de man:
op de maandagavond en woensdagavond rondom de voetbaltrainingen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
op de donderdagavond na school tot en met de voetbaltraining of na het eten;
in de ene week van vrijdag uit school (rond 15.30 uur) tot zaterdag na het eten 19.00/20.00 uur;
in de andere week van zaterdag na de voetbal tot zondagavond na het eten 19.00/20.00 uur;
de vakanties en feestdagen dienen door partijen in onderling overleg bij helfte te worden verdeeld;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025. Bij ontstentenis van de rechter is deze beschikking ondertekend door mr. E.C.M. van Mierlo.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Beoordeling
Omdat de kinderen te jong zijn om helemaal zelfstandig naar school te gaan en zij de kinderrechter ook hebben laten weten dit niet te willen, blijft de vrouw voorlopig de meest aangewezen ouder om de zorg voor de kinderen op zich te nemen.
Daar komt bij dat hoewel [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] het liefst een week-op-week-af regeling willen en hier op termijn ook door de ouders naar wordt gestreefd, de rechtbank een dergelijke regeling op dit moment niet haalbaar acht door het gebrek aan geschikte alternatieve woonruimte. Zowel de situatie waarbij de kinderen om de week bij de grootouders mz (de alternatieve woonruimte van de vrouw) zouden verblijven, als de situatie waarbij de kinderen om de week in de caravan (de alternatieve woonruimte van de man) zouden verblijven, wordt niet in hun belang geacht. De rechtbank weegt verder mee dat de man niet heeft weersproken dat de vrouw initiatieven heeft genomen om vervangende woonruimte te vinden, terwijl hij zelf niet op zoek is gegaan naar vervangende woonruimte hoewel dit in de huidige situatie wel van hem mocht worden verwacht. Daar komt bij dat de door de man aangevoerde reden dat hij vanwege een medische noodzaak hiertoe niet in staat is, hij dit onvoldoende met stukken heeft onderbouwd zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan.
3.7.
Gelet op het voorgaande zullen de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning en het toevertrouwen van de kinderen aan haar worden toegewezen, onder afwijzing van de verzoeken van de man. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de man voorlopig in de caravan in de buurt van [plaats] kan verblijven. Doordat door de man gezocht moet worden naar een geschikte campingplek, acht de rechtbank het redelijk dat de man twee weken (tot en met 28 mei 2025) de tijd heeft om de echtelijke woning te verlaten.
3.8.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank dat de huidige zorgregeling voorlopig in stand blijft, omdat nog onduidelijk is waar de man zal verblijven en of hij zijn werktijden zal kunnen aanpassen.
Ter zitting is wel besproken dat wanneer de man eigen woonruimte in de buurt heeft, beide ouders het erover eens zijn dat co-ouderschap de meest gewenste situatie is. Dit is ook de wens van de kinderen.Voor nu blijft de huidige zorgregeling in stand, waardoor de kinderen op de volgende dagen bij de man verblijven:
op de maandagavond en woensdagavond rondom de voetbaltrainingen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
op de donderdagavond na school tot en met de voetbaltraining of na het eten;
in de ene week van vrijdag uit school (rond 15.30 uur) tot zaterdag na het eten 19.00/20.00 uur;
in de andere week van zaterdag na de voetbal tot zondagavond na het eten 19.00/20.00 uur.
Tot slot dienen de vakanties en feestdagen door partijen in onderling overleg bij helfte te worden verdeeld. Het staat de ouders vanzelfsprekend vrij om in gezamenlijk overleg tot een uitgebreidere zorgregeling te komen.
3.9.
Ten aanzien van de zomervakantie overweegt de rechtbank dat ter zitting overeenstemming is bereikt dat de vrouw de eerste drie weken met de kinderen in Spanje verblijft. De kinderen zullen de laatste drie weken bij de man verblijven. De ouders zijn bereid elkaar over en weer toestemming te geven met de kinderen met vakantie te gaan. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming zal dan ook vanwege een gebrek aan belang worden afgewezen.
kinderbijdrage
3.10.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 250 per kind per maand dient te betalen.
3.11.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht te bepalen dat de vrouw een kinderbijdrage aan de man dient te voldoen van € 165 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met ieder bedrag dat de vrouw ten behoeve van de kinderen verkrijgt, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht met ingang van een zodanige datum zoals de rechtbank in goede justitie meent te bepalen.
3.12.
De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.
ingangsdatum
3.13.
De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele kinderbijdrage aan bij de datum beschikking, te weten 14 mei 2025.
behoefte
3.14.
De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over dat de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan worden bepaald op € 850 per kind per maand. Deze behoefte neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
draagkracht van partijen
3.15.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun eigen aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
3.16.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2025, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.310)]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.310 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
3.17.
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.
3.18.
De vrouw heeft een zelfstandige onderneming, genaamd ‘ [onderneming] ’. De rechtbank acht het redelijk om in het kader van de voorlopige voorziening bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van de overgelegde stukken uit 2023 en 2024. Uit de (door de man aangeleverde) gegevens van 2023 en 2024 volgt dat de vrouw een winst had van € 50.065 in 2023 en € 71.512 in 2024, waardoor gerekend wordt met een gemiddelde winst van € 65.289 per jaar (€ 50.065 + € 71.512 / 2). De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de gestelde prognose van 2025, met een lagere voorlopige winst, aangezien de gestelde prognose onvoldoende nauwkeurig is en een toelichting van de boekhouder ontbreekt. Uitgaande van voorgaande informatie bedraagt het NBI van de vrouw zodoende € 4.855 per maand. Hierbij is tevens rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de mkb-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, het kindgebonden budget (en alleenstaande ouderkop) en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.19.
Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vrouw € 1.462 per maand.
3.20.
De man is via een uitzendbureau werkzaam bij de gemeente [gemeente] . Partijen hebben overeenstemming dat voor het inkomen van de man gerekend kan worden met een totaalbedrag van € 43.232 bruto per jaar. Het NBI van de man bedraagt zodoende, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.949 per maand.
3.21.
Op grond van de draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de man € 528 per maand.