Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-03
ECLI:NL:RBNHO:2025:5244
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/358432 / JU RK 24-1607
Datum uitspraak: 3 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.G.M. Lodder te Utrecht,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Zaandam,
[Grootouder 1] en [Grootouder 2],
de grootouders van vaderszijde,
hierna te noemen: de grootouders (vz),
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen (eerdere beschikkingen en plan van aanpak), ontvangen op 30 oktober 2024;
de aankondiging beslissing contact tijdens de uithuisplaatsing aan de vader van 30 oktober 2024;
de aankondiging beslissing contact tijdens de uithuisplaatsing aan de moeder van 30 oktober 2024;
logboek oktober, ingekomen op 30 oktober 2024;
verslaglegging schoolgesprek met de ouders, ingekomen op 30 oktober 2024;
verslaglegging start schooljaar, ingekomen op 30 oktober 2024;
voortgangsverslag psychomotorische behandeling d.d. 5 augustus 2024, ingekomen op 30 oktober 2024;
het zorgplan aangaande de vader, ingekomen op 30 oktober 2024;
de brief van de vader van 30 december 2024 met als bijlage een verslag van Vivendi zorg van juli 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 januari 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- de grootouders (vz).
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting afzonderlijk zijn mening aan de kinderrechter gegeven. De kinderrechter heeft zijn mening tijdens de zitting voorgehouden en de belanghebbenden hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds februari 2024 bij de grootouders (vz).
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 januari 2022 is [de minderjarige] onder toezicht
gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd en nu nog voortduurt tot 13 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 20 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]
verleend in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (vz) met ingang van 20 februari 2024 tot 20 augustus 2024. Het verzoek is voor het overige (zes maanden) pro
forma aangehouden in afwachting van de actuele stand van zaken en of de GI het resterende deel van het verzoek handhaaft. Bij beschikking van 6 augustus 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (vz), verlengd tot 13 januari 2025.
2.5.
De GI heeft op 13 december 2024 bij de vader aangekondigd een beslissing te gaan nemen betreffende het contact tussen [de minderjarige] en de vader tijdens de uithuisplaatsing. De aankondiging houdt onder meer in:“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering heeft het voornemen om tussen u en uw kind de volgende regeling vast te stellen:
- [de minderjarige] ziet vader één keer in de twee weken op de vrijdag;
- [de minderjarige] wordt door vader van school afgehaald;
- De omgangen vinden van 14:15 uur tot 19:00 uur plaats;
- [de minderjarige] wordt niet belast met ouderproblematiek zoals zaken over de uithuisplaatsing of negatieve uitingen over de moeder en/of oma of opa. Dit heeft invloed op uitbreiding van de omgang;
- [de minderjarige] wordt op het afgesproken tijdstip naar huis gebracht door de vader. Hier wordt niet van afgeweken. Niet nagekomen afspraken worden niet ingehaald
- De omgangen worden iedere zes weken geëvalueerd;
- De vader zal geen middelen gebruiken in het bijzijn van [de minderjarige] ;
- De vader is bereid om tijdens de omgang met [de minderjarige] een gezonde maaltijd te bereiden;
- Het lukt de vader om tijdens de omgang verschillende activiteiten te organiseren in plaats van te gamen;
- De vader kan tijdens de omgang een veilige plek creëren voor [de minderjarige] waarbij hij niet bang wordt gemaakt;
- De vader sluit aan op de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] .”
2.6.
De GI heeft op 13 december 2024 bij de moeder aangekondigd een beslissing te gaan nemen betreffende het contact tussen [de minderjarige] en de moeder tijdens de uithuisplaatsing. De aankondiging houdt onder meer in:“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering heeft het voornemen om tussen u en uw kind de volgende regeling vast te stellen:
- [de minderjarige] ziet de moeder wekelijks op dinsdagmiddag na school;
- De omgangen vinden van 14:15 uur tot 19:00 uur plaats;
- [de minderjarige] wordt door de moeder van school opgehaald;
- Momenteel zijn de omgangen onbegeleid tot de begeleide omgang van de [hulpverleningsorganisatie] gestart is;
- [de minderjarige] wordt niet belast met ouderproblematiek zoals zaken over de uithuisplaatsing of de relatie van de ouders;
- Er wordt door de moeder niet negatief over de vader en/of grootouders gesproken;
- [de minderjarige] wordt op het afgesproken tijdstip naar huis gebracht door de moeder. Hier wordt niet van afgeweken;
- Er wordt nader besloten hoe en wanneer de moeder een sportactiviteit van [de minderjarige]
kan bijwonen
- [de minderjarige] heeft iedere zaterdagavond om 18:30 uur een belmoment met de moeder. De moeder belt [de minderjarige] op;
- De omgangen worden maandelijks geëvalueerd.”
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (vz) te verlengen voor de duur een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft deze verzoeken als volgt onderbouwd.
3.2.
Volgens de GI is er sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] wordt namelijk belast met volwassenproblematiek en er bestaan zorgen over de belastbaarheid van de moeder en de opvoedvaardigheden van de vader. De uithuisplaatsing van de halfbroers van [de minderjarige] valt de moeder zwaar. Doordat zij overbelast is kan zij snel boos worden of in de stress schieten. Dit heeft zijn weerslag op de opvoeding van [de minderjarige] . De moeder heeft in het verleden aangegeven dat het haar teveel wordt en dat zij [de minderjarige] in de thuissituatie niet aankan. De moeder kan [de minderjarige] dan afwijzen en zeggen dat hij uit huis moet. Ook heeft de moeder gezondheidsklachten, zowel mentaal als fysiek. Ze heeft reuma en PTSS, waarvoor zij in behandeling is bij de [hulpverleningsorganisatie] . Verder zijn er twijfels over de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de vader. Bij de vader is sprake van een laag verstandelijke beperking. Ook zijn er zorgen om de seksuele ontwikkeling en seksuele veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] wordt bij beide ouders blootgesteld aan beeldmateriaal en woorden tijdens het spelen van 18+ online spelletjes die niet bij zijn leeftijd passen.
3.3.
[de minderjarige] woont nu sinds februari 2024 bij de netwerkpleegouders, grootouders (vz). Hier gaat het goed met hem. Hij krijgt hier dagelijks structuur aangeboden. De GI is van mening dat de machtiging uithuisplaatsing verlengd moet worden, omdat de thuissituatie bij de moeder schade heeft aangebracht bij [de minderjarige] en het nog onvoldoende duidelijk is hoe de omgang met [de minderjarige] nu gaat. [de minderjarige] heeft op dit moment nog steeds onvoldoende duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en de GI is voornemens om de aankomende periode zicht te krijgen op welke rol de moeder, de vader en de grootouders (vz) kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] .
3.4.
Op de zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat er de komende periode daartoe vooral gewerkt gaat worden aan de opbouw van de omgang en het duidelijk krijgen van het toekomstperspectief van [de minderjarige] . De gedragswetenschapper heeft aangegeven dat er zeker een perspectiefonderzoek moet komen, maar dat het daar nu nog te vroeg voor is. Eerst moet de omgang goed op gang komen en worden gemonitord. Het is nog onduidelijk wanneer het perspectiefonderzoek kan plaatsvinden. De omgang met de moeder is nu nog onbegeleid omdat de [hulpverleningsorganisatie] aangaf dat zij dit niet kunnen doen en [hulpverleningsorganisatie] maar beperkt ingezet kan worden. Er wordt nu gezocht naar een andere instantie voor de begeleide omgang met de moeder. De omgang tussen [de minderjarige] en de vader vindt deels begeleid bij de grootouders (vz) en deels onbegeleid bij hem thuis plaats.
4De standpunten
Grootouders
4.1.
De grootouders (vz) zien dat [de minderjarige] veel last heeft van de omgangsmomenten met de moeder. Zij merken dat [de minderjarige] door de moeder veel met volwassenzaken belast wordt. [de minderjarige] is de dagen na de omgang erg onrustig en de grootouders (vz) zijn daarom geen voorstander van omgangsuitbreiding met de moeder. Tot slot geven de grootouders (vz) aan dat zij de rol van hoofdopvoeders op zich hebben genomen in het belang van [de minderjarige] en dit met alle liefde doen.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en wat ter zitting besproken is, is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (herna: BW). [de minderjarige] is namelijk een kwetsbare jongen met een belast verleden, waarbij hem geen stabiele en veilige opvoedomgeving is geboden. Vanwege forse gedragsproblematiek die hij (daardoor) zowel op school als thuis liet zien en het bovenmatige schoolverzuim, is hij in februari 2024 uit huis geplaatst bij de grootouders (vz). Sindsdien is sprake van een positieve ontwikkeling qua gedrag, zowel op school als thuis. De zorgen over zijn gedrag en welzijn zijn helaas nog niet volledig weggenomen. Daarbij is van belang dat de verstandhouding tussen de volwassenen om hem heen slecht is, zo blijkt ook ter zitting. [de minderjarige] wordt ook belast met volwassenzaken. [de minderjarige] zit duidelijk klem tussen de volwassenen om hem heen. Hoewel hij een mooie ontwikkeling doormaakt bij de grootouders (vz), is het ook duidelijk dat hij lijdt onder de onzekere situatie waarin hij verkeert. Het is daarom van groot belang dat de GI de komende periode voortvarend aan de slag gaat met het onderzoek naar het toekomstperspectief van [de minderjarige] door middel van het uitbreiden en monitoren van de omgangsmomenten met de ouders en het daartoe (laten) verrichten van een perspectiefonderzoek. Hierbij is het ook belangrijk dat concreet wordt gemaakt richting de ouders wat er precies gaat gebeuren en in welk tijdspad, zodat de ouders en de grootouders (vz) goed meegenomen worden in dit traject. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar te verlengen.
6.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (artikelen 1:265b, eerste lid en 1:265c, tweede lid, van het BW). Sinds [de minderjarige] verzorgd en opgevoed wordt door de grootouders (vz), maakt hij – zoals hiervoor aangegeven – een mooie ontwikkeling door, waarbij er geen sprake meer is van schoolverzuim en de gedragsproblemen van [de minderjarige] thuis en op school flink zijn afgenomen. Hieruit blijkt dat de grootouders (vz) hem in voldoende mate de aandacht, structuur en veiligheid kunnen bieden die hij nu nodig heeft. Totdat duidelijk is geworden waar het toekomstperspectief van [de minderjarige] ligt (onder meer of terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder in het belang van [de minderjarige] is en mogelijk is), is het dan ook noodzakelijk dat zijn plek bij de grootouders (vz) gewaarborgd blijft. Gelet op de weerstand die [de minderjarige] vertoont ten aanzien van zijn verblijf bij de grootouders (vz) en zijn grote wens om terug te keren naar de moeder, waarbij duidelijk is dat hij wordt belast met de volwassenenproblematiek om hem heen, is het van belang dat er een toets moment plaatsvindt over zes maanden. Op dat moment kan de voortgang van het traject waarin zijn perspectief zal worden onderzocht aan de orde komen. Daarom zal het verzoek om verlenging van de uithuisplaatsing worden toegewezen voor de duur van zes maanden en het resterende verzoek zal worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting eind juni 2025/begin juli 2025.
6.3.
De kinderrechter verklaart de genomen beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , tot 13 januari 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (vz) tot 13 juni 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt het resterende deel van het verzoek om uithuisplaatsing aan tot een nader te bepalen zitting eind juni 2025/begin juli 2025, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, aan de Simon de Vrieshof 1.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2025 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.E. Vogel als griffier, en op schrift gesteld op 7 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.