Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-13
ECLI:NL:RBNHO:2025:5172
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,275 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11436333 \ VV EXPL 24-197
Vonnis in kort geding van 13 januari 2025
in de zaak van
DE SANDTLOPER VASTGOED B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: De Sandtloper,
gemachtigde: mr. W.Ph. Steenhuisen,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [bedrijf],
te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze procedure vordert De Sandtloper ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten, (boete)rente en huur totdat een andere huurder voor het gehuurde is gevonden. De kantonrechter wijst het gevorderde toe, behalve de vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen na januari 2025 omdat voorzienbaar is dat de huurovereenkomst op afzienbare termijn tot een einde zal komen en De Sandtloper onvoldoende onderbouwd dat zij nog huurtermijnen te vorderen heeft die [gedaagde] onbetaald zal laten of dat zij (huur)schade zal leiden die aan [gedaagde] toe te rekenen valt.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2024;- de mondelinge behandeling van 8 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
2.1.
[gedaagde] huurt per 1 september 2016 de bedrijfs-/kantoorruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt € 1.239,40 per maand en moet uiterlijk op de eerste dag van de maand zijn voldaan. Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ van juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen) van overeenkomstige toepassing verklaard.
2.2.
In de algemene bepalingen staat: “17.2 Huurder is in verzuim door het enkele verloop van een bepaalde termijn. (…)18.2 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.”
2.3.
[gedaagde] heeft de huur voor de maanden september tot en met december 2024 niet voldaan, zodat sprake is van een huurachterstand van € 4.957,60.
Geschil
3.1.
De Sandtloper vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de rente en kosten. Verder vordert De Sandtloper dat [gedaagde] wordt veroordeelt om de huurprijs te voldoen vanaf 1 januari 2025 tot het moment dat De Sandtloper een andere huurder voor het gehuurde heeft gevonden.
3.2.
De Sandtloper legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is op grond van de huurovereenkomst verplicht de maandelijkse huur te betalen. Hij is deze verplichting niet nagekomen, waardoor een huurachterstand van in ieder geval vier maanden is ontstaan. De Sandtloper wil het gehuurde daarom ontruimen teneinde het ter beschikking te hebben voor verhuur aan een andere huurder. De Sandtloper heeft een zodanig spoedeisend belang bij haar vorderingen dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
3.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand en licht hierbij toe dat hij door omstandigheden de huur niet kon betalen. [gedaagde] is zelfstandige en hij is sinds de coronapandemie steeds verder in (financiële) moeilijkheden geraakt. [gedaagde] had gehoopt een en ander nog wel recht te kunnen trekken, maar dat is helaas niet gelukt. Hij verwacht dat binnenkort het faillissement wordt uitgesproken. Ook verwacht hij dat de huurachterstand zal worden meegenomen in het faillissement. [gedaagde] voert verder aan dat hij op dit moment samen met een gepensioneerde vriend bezig is om zijn laatste opdrachten naar behoren af te ronden.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
De zaak leent zich voor kort geding
4.2.
De vordering tot ontruiming in kort geding kan alleen worden toegewezen als De Sandtloper daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, omdat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand en De Sandtloper het gehuurde zo spoedig ter beschikking moet hebben voor een opvolgende huurder, wat door [gedaagde] wordt onderschreven. Het spoedeisend belang wordt ook aangenomen ten aanzien van de vervallen en onbetaald gelaten huurtermijnen en (boete)rente, nu deze nauw samenhangen met de vordering tot ontruiming en onbetwist zijn.
De vordering tot ontruiming is toewijsbaar
4.3.
Vast staat dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur onbetaald te laten. [gedaagde] heeft verder erkend niet tot enige betaling in staat te zijn. Hij wil meewerken aan beëindiging van de huur en heeft ter zitting toegezegd het gehuurde uiterlijk 15 januari 2025 in ontruimde staat op te zullen leveren. Voor het geval [gedaagde] deze toezegging onverhoopt niet nakomt wordt de ontruimingstermijn - zoals De Sandtloper heeft gevorderd - bepaald op drie dagen na betekening van dit vonnis.
4.4.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
[gedaagde] moet de huurachterstand en de (boete)rente betalen
4.5.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt niet alleen een rol of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
4.6.
[gedaagde] heeft de huurachterstand tot en met december 2024 erkend. De gevorderde huurachterstand ter hoogte van € 4.957,60 zal dan ook worden toegewezen.
4.7.
Omdat niet in geschil is dat [gedaagde] de huur voor de maanden september tot en met december 2024 niet heeft voldaan, is gelet op artikel 18.2 van de algemene bepalingen de gevorderde contractuele (boete)rente over die maanden van in totaal € 1.200,00 ook toewijsbaar.
4.8.
In het petitum van de dagvaarding onder II wordt een bedrag van € 6.778,36 vermeerderd met (boete)rente, althans wettelijke rente, over de huurachterstand gevorderd. Omdat de boeterente over de huurachterstand reeds in voormeld bedrag dat wordt toegewezen is begrepen, is er geen aanleiding dit bedrag nog te vermeerderen met (boete)rente of wettelijke rente over de huurachterstand. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.
De vordering tot betaling van de huur voor januari 2025 wordt toegewezen
4.9.
De Sandtloper vordert voorts betaling van de huurprijs vanaf januari 2025 tot het moment dat zij een andere huurder voor het gehuurde heeft gevonden. Ook dit is een geldvordering waarvoor het beoordelingskader geldt van overweging 4.5.
4.10.
De kantonrechter wijst deze vordering toe voor zover deze betrekking heeft op de reeds vervallen termijn voor januari 2025, omdat niet in geschil is dat [gedaagde] deze termijn ook onbetaald heeft gelaten. Uit de afspraak van partijen ter zitting dat ontruiming en oplevering van het gehuurde uiterlijk 15 januari 2025 zal plaatsvinden, leidt de kantonrechter af dat voorzienbaar is dat de huurovereenkomst op korte termijn tot een einde komt. Verder is niet in geschil dat het gehuurde op een gunstige locatie ligt en heeft De Sandtloper onvoldoende weersproken dat de verwachting is dat het gehuurde snel aan een andere partij verhuurd zal kunnen worden. In het licht daarvan heeft De Sandtloper onvoldoende onderbouwd dat zij nog huurtermijnen te vorderen heeft die [gedaagde] onbetaald zal laten of dat zij (huur)schade zal leiden die aan [gedaagde] toe te rekenen valt. Deze vordering zal daarom voor het overige worden afgewezen.
De overige kosten komen voor rekening van [gedaagde]
4.11.
De Sandtloper vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 620,76 toegewezen.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Sandtloper worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
920,37
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van De Sandtloper zijn, en de sleutels af te geven aan De Sandtloper,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om € 7.397 aan huur en (boete)rente tot en met januari 2025 te betalen aan De Sandtloper,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan De Sandtloper te betalen een bedrag van € 620,76 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 920,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
De griffier De kantonrechter