Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-30
ECLI:NL:RBNHO:2025:4930
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,167 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/304
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Temel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder
(gemachtigde: mr. S.E.J.M. Bogaarts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 31 december 2024 om verzoeker uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen (brp) met de aantekening “vertrek naar land Onbekend”.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van signalen dat verzoeker niet woonachtig is op zijn Brp-adres [adres] te [plaats] een adresonderzoek uitgevoerd. Verweerder heeft op grond van de resultaten van dat onderzoek geconcludeerd dat verzoeker niet verblijft op zijn adres en dat geen ander adres bekend is geworden.
4. Verzoeker voert aan dat het onderzoek door verweerder niet zorgvuldig is gebeurd. Verzoeker voert verder aan dat hij zijn woning tijdelijk wilde verhuren, maar dat hij zijn woning nu niet meer in kan vanwege het gedrag van deze bewoner. Hij heeft inmiddels een civiele procedure aangespannen om zijn woning terug te krijgen. Verzoeker voert verder aan dat hij geen mogelijkheden ziet om een briefadres aan te vragen.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet op het adres [adres] te [plaats] woonachtig is en dat om die reden de uitschrijving terecht heeft plaatsgevonden.
6. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker vraagt om inschrijving op een woonadres, terwijl hij daar niet meer woonde en ook thans niet woont. Verzoeker heeft geen aangifte gedaan van verhuizing en verweerder heeft geen ander adres achterhaald. Onder die omstandigheden is verweerder verplicht over te gaan tot uitschrijving op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat het om de feitelijke situatie gaat. Dat geldt ook als het, zoals volgens verzoeker het geval is, gaat om het gedwongen verlaten van een woning.
7. Hoewel het onderzoek, zoals dat door verweerder is verricht, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te kenschetsen is als een ‘gedegen’ onderzoek dat artikel 2.22 van de Wet brp vereist, was de uitkomst bij een wel gedegen onderzoek niet anders geweest.
8. De voorzieningenrechter adviseert verzoeker om per direct een briefadres te regelen. Daarmee kan verzoeker ervoor zorgdragen dat hij zijn post in elk geval ontvangt.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker gen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2025 door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.