Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:4501
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,164 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10884350 \ CV EXPL 24-571
Uitspraakdatum: 15 januari 2025
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. tevens h.o.d.n. [bedrijf]
te [plaats 3]
de eisende partij
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink
tegen
[gedaagde]
te gemeente [plaats 1]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de opslagunit (genummerd [nummer]) aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde), ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
3.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.3.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
3.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene Voorwaarden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V., handelend onder de naam [bedrijf] (…)’ (hierna: de algemene voorwaarden).
Rentebedingen
3.5.
In artikel 6.1 van de overeenkomst en artikel 10.8 van de algemene voorwaarden zijn rentebedingen opgenomen. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Incassobedingen
3.6.
In de algemene voorwaarden staan bedingen die zien op incassokosten. Deze bedingen luiden als volgt:
’10.12. Indien de wederpartij jegens [bedrijf] in verzuim is, is hij verplicht [bedrijf] de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten volledig te vergoeden.
(…)
‘11.2. Buiten het aan [bedrijf] verschuldigde bedrag, vermeerderd met de krachtens deze voorwaarden verschuldigde rente, is [bedrijf] gerechtigd van de wederpartij alle kosten te vorderen die door niet of niet tijdige betaling door de wederpartij zijn veroorzaakt, daaronder begrepen zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke incassokosten.
11.3. ’
t Kabel is verplicht de wederpartij na overschrijding van de betalingstermijn aan te manen en haar alsnog een redelijke termijn voor nakoming te gunnen. Na het verstrijken van deze termijn, zal [bedrijf] de vordering ter incasso uit handen geven. [bedrijf] is gerechtigd om voor deze aanmaning 10% van het betreffende openstaande bedrag met een minimum van € 12,50 aan administratiekosten aan de wederpartij te berekenen.
11.4.
Indien de wederpartij na het verstrijken van de in lid 11.3 genoemde termijn, alsnog in gebreke is gebleven te betalen, is [bedrijf] gerechtigd de buitengerechtelijke incassokosten aan de wederpartij in rekening te brengen. Deze buitengerechtelijke incassokosten worden als volgt berekend:
over de eerste € 2.500,00: 15% met een minimum van € 40,00
over het meerdere tot € 5.000,00: 10%
over het meerdere tot € 10.000,00: 5%
over het meerdere tot € 200.000: 1%
boven € 200.000, -: 0.5% met een minimum van € 6.775,00
[bedrijf] is niet gehouden aan te tonen dat zij de buitengerechtelijke incassokosten daadwerkelijk aan derden verschuldigd is geworden.’
3.7.
Op grond van de artikelen 10.12 en 11.2 zou de consument alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die verbonden zijn aan het door de handelaar ter incasso uit handen geven van de vordering verschuldigd zijn. Dit sluit niet aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De bedingen gaan er namelijk vanuit dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is in deze bedingen ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Verder blijkt uit de tekst van deze bedingen dat de incassokosten al verschuldigd zijn zonder dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief wordt verstuurd.
3.8.
Daarbij komt dat de handelaar op grond van artikel 11.3 van de algemene voorwaarden bij niet tijdige betaling, voordat de vordering ter incasso uit handen is gegeven, ook ‘administratiekosten’, bij de consument in rekening kan brengen. Ook dit beding zou daarom tot gevolg kunnen hebben dat de consument wordt belast met kosten die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen.
3.9.
Alhoewel artikel 11.4 van de algemene voorwaarden voor de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten aansluit bij het Besluit, blijkt uit dat artikel – in combinatie met artikel 11.3 – niet dat aan de consument éérst nog een veertiendagenbrief wordt verstuurd ex artikel 6:96 lid 6 BW. Dat artikel 11.3 voorschrijft dat wel eerst een ‘redelijke termijn voor nakoming’ wordt gegeven, is daartoe onvoldoende. Dit sluit onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit.
3.10.
Deze artikelen wijken daardoor (op zichzelf en in combinatie met elkaar) aanzienlijk ten nadele van de consument af van de wettelijke regelingen over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, en daarmee oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
3.11.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens om de artikelen 10.2, 11.2, 11.3 en 11.4 te vernietigen voor zover deze betrekking hebben op incassokosten. De eisende partij zal de gelegenheid krijgen zich hierover uit te laten.
Proceskostenbeding
3.12.
De artikel 10.12, 11.2 en 11.3 van de algemene voorwaarden zien ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk.
Conclusie
3.16.
De vordering wordt grotendeels toegewezen.
3.17.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen en de gevolgen daarvan. Als hieraan niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
3.18.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte komen voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten valt dat deze genomen moet worden. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen.
3.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij om de opslagunit (genummerd [nummer]) aan de [adres] te [plaats 2] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, te verlaten en alle sleutels van het gehuurde over te dragen aan de eisende partij;
4.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.901,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.840,00 vanaf 21 december 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 115,00 per vier-wekelijkse periode, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde in gebruik heeft vanaf 20 december 2023;
4.5.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 130,48 wegens dagvaardingskosten,
€ 372,00 wegens griffierecht en
€ 203,00 wegens salaris gemachtigde,
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.6.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
verwijst de zaak naar de rol van 12 februari 2025 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10884350 \ CV EXPL 24-571
Uitspraakdatum: 15 januari 2025
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. tevens h.o.d.n. [bedrijf]
te [plaats 3]
de eisende partij
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink
tegen
[gedaagde]
te gemeente [plaats 1]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de opslagunit (genummerd [nummer]) aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde), ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
3.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.3.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
3.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene Voorwaarden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V., handelend onder de naam [bedrijf] (…)’ (hierna: de algemene voorwaarden).
Rentebedingen
3.5.
In artikel 6.1 van de overeenkomst en artikel 10.8 van de algemene voorwaarden zijn rentebedingen opgenomen. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Incassobedingen
3.6.
In de algemene voorwaarden staan bedingen die zien op incassokosten. Deze bedingen luiden als volgt:
’10.12. Indien de wederpartij jegens [bedrijf] in verzuim is, is hij verplicht [bedrijf] de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten volledig te vergoeden.
(…)
‘11.2. Buiten het aan [bedrijf] verschuldigde bedrag, vermeerderd met de krachtens deze voorwaarden verschuldigde rente, is [bedrijf] gerechtigd van de wederpartij alle kosten te vorderen die door niet of niet tijdige betaling door de wederpartij zijn veroorzaakt, daaronder begrepen zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke incassokosten.
11.3. ’
t Kabel is verplicht de wederpartij na overschrijding van de betalingstermijn aan te manen en haar alsnog een redelijke termijn voor nakoming te gunnen. Na het verstrijken van deze termijn, zal [bedrijf] de vordering ter incasso uit handen geven. [bedrijf] is gerechtigd om voor deze aanmaning 10% van het betreffende openstaande bedrag met een minimum van € 12,50 aan administratiekosten aan de wederpartij te berekenen.
11.4.
Indien de wederpartij na het verstrijken van de in lid 11.3 genoemde termijn, alsnog in gebreke is gebleven te betalen, is [bedrijf] gerechtigd de buitengerechtelijke incassokosten aan de wederpartij in rekening te brengen. Deze buitengerechtelijke incassokosten worden als volgt berekend:
over de eerste € 2.500,00: 15% met een minimum van € 40,00
over het meerdere tot € 5.000,00: 10%
over het meerdere tot € 10.000,00: 5%
over het meerdere tot € 200.000: 1%
boven € 200.000, -: 0.5% met een minimum van € 6.775,00
[bedrijf] is niet gehouden aan te tonen dat zij de buitengerechtelijke incassokosten daadwerkelijk aan derden verschuldigd is geworden.’
3.7.
Op grond van de artikelen 10.12 en 11.2 zou de consument alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die verbonden zijn aan het door de handelaar ter incasso uit handen geven van de vordering verschuldigd zijn. Dit sluit niet aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De bedingen gaan er namelijk vanuit dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is in deze bedingen ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Verder blijkt uit de tekst van deze bedingen dat de incassokosten al verschuldigd zijn zonder dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief wordt verstuurd.
3.8.
Daarbij komt dat de handelaar op grond van artikel 11.3 van de algemene voorwaarden bij niet tijdige betaling, voordat de vordering ter incasso uit handen is gegeven, ook ‘administratiekosten’, bij de consument in rekening kan brengen. Ook dit beding zou daarom tot gevolg kunnen hebben dat de consument wordt belast met kosten die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen.
3.9.
Alhoewel artikel 11.4 van de algemene voorwaarden voor de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten aansluit bij het Besluit, blijkt uit dat artikel – in combinatie met artikel 11.3 – niet dat aan de consument éérst nog een veertiendagenbrief wordt verstuurd ex artikel 6:96 lid 6 BW. Dat artikel 11.3 voorschrijft dat wel eerst een ‘redelijke termijn voor nakoming’ wordt gegeven, is daartoe onvoldoende. Dit sluit onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit.
3.10.
Deze artikelen wijken daardoor (op zichzelf en in combinatie met elkaar) aanzienlijk ten nadele van de consument af van de wettelijke regelingen over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, en daarmee oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
3.11.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens om de artikelen 10.2, 11.2, 11.3 en 11.4 te vernietigen voor zover deze betrekking hebben op incassokosten. De eisende partij zal de gelegenheid krijgen zich hierover uit te laten.
Proceskostenbeding
3.12.
De artikel 10.12, 11.2 en 11.3 van de algemene voorwaarden zien ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk.
Conclusie
3.16.
De vordering wordt grotendeels toegewezen.
3.17.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen en de gevolgen daarvan. Als hieraan niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
3.18.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte komen voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten valt dat deze genomen moet worden. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen.
3.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij om de opslagunit (genummerd [nummer]) aan de [adres] te [plaats 2] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, te verlaten en alle sleutels van het gehuurde over te dragen aan de eisende partij;
4.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.901,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.840,00 vanaf 21 december 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.4.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 115,00 per vier-wekelijkse periode, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde in gebruik heeft vanaf 20 december 2023;
4.5.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 130,48 wegens dagvaardingskosten,
€ 372,00 wegens griffierecht en
€ 203,00 wegens salaris gemachtigde,
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
4.6.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
verwijst de zaak naar de rol van 12 februari 2025 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).