Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-14
ECLI:NL:RBNHO:2025:4381
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:4381 text/xml public 2026-04-03T10:05:15 2025-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-04-14 C/15/360307 / JU RK 24/1914 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl FJR 2026/28.12 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:4381 text/html public 2025-10-31T09:33:28 2025-10-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:4381 Rechtbank Noord-Holland , 14-04-2025 / C/15/360307 / JU RK 24/1914 De kinderrechter behandelt de aangehouden beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Vanwege capaciteitsproblemen bij de GI heeft nog altijd geen regievoering plaatsgevonden en is niet ingezet op passende hulpverlening. De minderjarige wordt over een jaar achttien. Er is geen tijd meer te verliezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/360307 / JU RK 24/1914 Datum uitspraak: 14 april 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers , gevestigd in Amsterdam , hierna te noemen: de GI, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van 23 januari 2025 en het daarin genoemde verzoekschrift met bijlagen van de GI; de brief van de GI van 31 maart 2025, inhoudend het standpunt over het aangehouden verzoek en de actuele stand van zaken, ontvangen op 2 april 2025. 1.2. Op 14 april heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Hierbij waren aanwezig: - de moeder; - [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordigers van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [de minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek en hem naar zijn mening over het verzoek van de GI gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. [de minderjarige] verblijft op de leefgroep [leefgroep] in [plaats] . 2.3. Bij beschikking van 25 januari 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij voornoemde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 25 januari 2025. 2.4. Bij beschikking van 23 januari 2025 heeft de kinderrechter de maatregelen verlengd voor de duur van drie maanden en de beslissing over het verdere verzoek aangehouden. 3 Het verzoek van de GI 3.1. Aan de orde is nu nog de aangehouden beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 25 januari 2026. De GI heeft het verzoek gehandhaafd en daartoe in de brief van 31 maart 2025 en ter zitting het volgende naar voren gebracht. 3.2. Hoewel de kinderrechter in januari 2024 de maatregelen heeft uitgesproken, is vanwege capaciteitsproblematiek bij de GI pas sinds januari 2025 een vaste jeugdbeschermer betrokken bij [de minderjarige] en de moeder. Het eerste jaar van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is dan ook niet gewerkt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en de doelen van de ondertoezichtstelling, namelijk (1) [de minderjarige] heeft een zinvolle dagbesteding, (2) [de minderjarige] weet waar hij lange tijd kan wonen en (3) [de minderjarige] heeft regelmatig contact met zijn vader. Gezien wordt dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. 3.3. Op dit moment is het onzeker of [de minderjarige] zijn opleiding op het [College] College kan afmaken, gelet op zijn hoge verzuim. [de minderjarige] is een laatste kans is geboden en vanuit school wordt hulp aangeboden, maar [de minderjarige] moet daarvoor zelf inzet tonen. Ook het perspectief van [de minderjarige] is nog altijd onduidelijk. Wat de GI betreft staat vast dat een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet aan de orde is, dat neemt de mogelijkheden voor het uitzetten voor een terug-naar-huis-onderzoek niet weg. De stip aan de horizon lijkt nu echter wel doorgroeien naar een beschermde woonvoorziening, mogelijk bij [leefgroep] . Onduidelijk is nog of, en zo ja, in hoeverre [leefgroep] in de toekomst én nu passend is bij de persoon en problematiek van [de minderjarige] . Vooralsnog wordt daarvan uitgegaan, maar de komende periode zal de GI toezien of de begeleiding vanuit de groep voldoende toekomt aan de behoeften van [de minderjarige] , mede gelet op de aanhoudende zorgen over zijn diabetes- en verslavingsproblematiek. 3.4. Desgevraagd heeft de GI toegelicht dat de focus ligt op de zorgen over de gezondheid, dagbesteding en het woonperspectief van [de minderjarige] . Het uitvoeren van diagnostiek heeft op korte termijn minder prioriteit, net als het doel dat ziet op het (regelmatig) contact met de vader. Vanwege de prille betrokkenheid van de jeugdbeschermer is in het contact met de vader geen voortgang gemaakt. Of, en zo ja, in hoeverre het contact met de vader nog een doel van de ondertoezichtstelling is, zal de komende periode met [de minderjarige] worden besproken en onderzocht. 4 Het standpunt van de moeder De moeder vindt het bijzonder spijtig dat [de minderjarige] na zijn opname bij Yes We Can Clinics vogelvrij is geweest, waardoor hij is teruggevallen in zijn verslavingsproblematiek. De begeleiding van de woongroep laat te wensen over en daarom is het positief dat de GI betrokken is en blijft om de situatie in goede banen te leiden. [de minderjarige] is gelet op zijn problematiek gebaat bij rust en structuur en het is belangrijk dat de aankomende periode duidelijk wordt waar [de minderjarige] na zijn meerderjarigheid zal verblijven. Het is een pittige conclusie, maar terug naar huis is niet in het belang van [de minderjarige] . Daarom zal gekeken moeten worden naar de mogelijkheden voor zelfstandig wonen met begeleiding. Daarbij zou het uitvoeren van diagnostisch onderzoek raadzaam kunnen zijn om duidelijk te krijgen wat [de minderjarige] aankan. 5 De mening van [de minderjarige] In het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige] verteld blij te zijn dat de jeugdbeschermer nu betrokken is, vooral ook omdat hij zijn vertrouwen in de groep door gebeurtenissen uit het verleden is verloren. Verder heeft [de minderjarige] de kinderrechter verteld dat hij het liefst niet op de groep zit en graag zou willen verhuizen naar een zelfstandige woonplek met begeleiding. 6 De verdere beoordeling 6.1. De kinderrechter zal het aangehouden verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toewijzen. Aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling genoemd in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing genoemd in de artikelen 1:265b, eerste lid, BW en 1:265c, tweede lid, BW zijn voldaan. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De ondertoezichtstelling 6.2. Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, concludeert de kinderrechter dat bij [de minderjarige] ook nu sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De ontwikkeling van [de minderjarige] stagneert op verschillende leefgebieden en de zorgen, zoals deze naar voren komen in de eerdere beschikkingen van de kinderrechter, zijn de afgelopen periode onvoldoende weggenomen. De zorgen over [de minderjarige] zijn nog steeds gelegen in zijn schoolgang en onzekere woonperspectief.
Volledig
Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over [de minderjarige] kwetsbare gezondheid. Niet alleen heeft de diabetesverpleegkundige recent opnieuw zorgen geuit, ook is het de kinderrechter ter zitting gebleken dat zowel de GI als de moeder zich grote zorgen maken over het toezicht van de leefgroep op [de minderjarige] chronische ziekte en de daarvoor benodigde (insuline)zorg. 6.3. De kinderrechter concludeert verder dat de GI in het eerste jaar van de ondertoezichtstelling, als gevolg van capaciteitsproblematiek, niet betrokken is geweest als regievoeder en niet heeft ingezet op passende hulpverlening, zoals door de kinderrechter is overwogen in de beschikking van 25 januari 2024. Daar komt bij dat het [de minderjarige] op de leefgroep lijkt te zijn ontbroken aan de strakke kaders en intensieve begeleiding die hij nodig heeft. Gelet hierop is de kinderrechter er onvoldoende van overtuigd dat de voor [de minderjarige] noodzakelijke stappen in het vrijwillig kader genomen kunnen en zullen worden. Er is geen tijd meer te verliezen, nu [de minderjarige] over een jaar de meerderjarige leeftijd bereikt. Om die reden acht de kinderrechter het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de prille betrokkenheid van de GI wordt gecontinueerd, zodat blijvend toezicht wordt gehouden op het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] en op korte termijn de nodige stappen worden gezet. 6.4. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] lijkt de verwachting niet gerechtvaardigd dat de gezaghebbende moeder in staat is zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een termijn die, gelet op zijn persoon en ontwikkeling, aanvaardbaar te achten is. De kinderrechter acht het wel in het belang van [de minderjarige] om de betrokkenheid van de GI te borgen, in ieder geval voor het komende jaar. Daarom zal de ondertoezichtstelling worden verlengd, omdat voor het overige wordt voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De machtiging tot uithuisplaatsing 6.5. Het is de kinderrechter onduidelijk of, en zo ja, in hoeverre de leefgroep [leefgroep] voldoende passend is bij de persoon en de problematiek van [de minderjarige] , gelet op het verloop van het afgelopen jaar. De kinderrechter schaart zich dan ook achter de conclusie van de GI dat de komende periode onderzocht zal moeten worden of [leefgroep] [de minderjarige] kan bieden wat hij nodig heeft, nu en in de nabije toekomst met het oog op zijn naderende meerderjarigheid en wens tot zelfstandigheid. Tot daar meer duidelijk over is, acht de kinderrechter het vooralsnog in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk dat zijn plaats op de leefgroep wordt gewaarborgd. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen. uitvoerbaarverklaring bij voorraad 6.6. Zoals door de GI verzocht, zal de kinderrechter de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , met ingang van 25 april 2025 tot 25 januari 2026; 7.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 25 april 2025 tot 25 januari 2026; 7.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2025 door mr. J. Lintjer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd en ondertekend op 17 april 2025. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.