Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-13
ECLI:NL:RBNHO:2025:4213
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,763 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11182414 \ CV EXPL 24-1789
Vonnis van 13 maart 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap KRC B.V. h.o.d.n. THE KITCHEN RENTAL COMPANY,
te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: KRC,
gemachtigde: mr. C.H.A. van de Wiel,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of een horecaondernemer in privé aansprakelijk is voor de betaling van de facturen voor de huur van horeca-apparatuur aan de verhuurder. De horecaondernemer is niet op de zitting verschenen en daaruit is afgeleid dat hij het standpunt van de verhuurder niet (meer) betwist. De vordering van de verhuurder wordt dan ook toegewezen.
Daarnaast gaat het om de vraag of een pandeigenaar schadevergoeding aan de verhuurder van horeca-apparatuur moet betalen omdat de pandeigenaar onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de verhuurder. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. De pandeigenaar heeft erkend dat hij de achtergebleven apparatuur in gebruik heeft gegeven aan een nieuwe horecaondernemer, terwijl hij wist dat deze apparatuur van de verhuurder was. De schadevergoeding wordt echter beperkt omdat de verhuurder niet heeft aangetoond dat gaat om meer dan twee apparaten.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 september 2024
- de mondelinge behandeling van 14 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar [gedaagde 2] , zonder afbericht, niet is verschenen.
Feiten
2.1.
KRC houdt zich bezig met de verhuur van horeca-inventaris en apparatuur.
2.2.
De Oude Kom B.V. (hierna: De Oude Kom) is een horeca beheer en administratie holding. [gedaagde 2] was statutair bestuurder van De Oude Kom.
2.3.
[gedaagde 1] is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaats] . Hij exploiteerde daar de onderneming [pizzeria] .
2.4.
Op 1 juni 2021 hebben De Oude Kom, vertegenwoordigd door [gedaagde 2] , en [pizzeria] , vertegenwoordigd door [gedaagde 1] , een overeenkomst gesloten voor de huurkoop van een onderneming, met De Oude Kom als huurkoper en [pizzeria] als verkoper/verhuurder.
2.5.
Op 4 juni 2021 hebben De Oude Kom enerzijds en KRC anderzijds een huurovereenkomst getekend voor de huur van horecameubilair en/of horeca-apparatuur voor de periode van 8 juni 2021 tot en met 7 juni 2023. In de huurovereenkomst is de gehuurde apparatuur benoemd. Hierna heeft De Oude Kom ook nog andere apparatuur van KRC gehuurd.
2.6.
In de aanhef van de huurovereenkomst onder partijen staat: ‘2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Oude Kom B.V. […], hierna te noemen: ‘huurder’; en voor zover huurder geen eenmanszaak of personenvennootschap is; en 3. De heer/mevrouw […] hierna te noemen: ‘huurder’’.
2.7.
In artikel 4, lid 1 van de algemene voorwaarden die KRC gebruikt staat: ‘Indien de huurder een rechtspersoon is, dient de bestuurder van de rechtspersoon zich tevens in privé hoofdelijk als huurder aan de overeenkomst te verbinden.’
2.8.
De huurkoopovereenkomst tussen De Oude Kom en [pizzeria] is begin januari 2022 geëindigd. Daartoe hebben De Oude Kom en [pizzeria] op 21 januari 2022 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten.
2.9.
In de e-mails van 27 juni en 5 augustus 2022 verzoekt de gemachtigde van KRC aan [gedaagde 2] om betaling van de achterstallige huurtermijnen. In zijn reactie schrijft [gedaagde 2] dat hij erna streeft om het bedrag 1 augustus 2022 te betalen.
2.10.
Bij vonnis van 23 november 2022 van deze rechtbank is De Oude Kom failliet verklaard.
2.11.
In een e-mail van 30 maart 2023 verzoekt de gemachtigde van KRC aan [gedaagde 1] om teruggave van de apparatuur van KRC die zich in het pand bevindt. In deze e-mail heeft KRC de apparatuur benoemd.
2.12.
In een per exploot betekende brief van 30 juni 2023 verzoekt de gemachtigde van KRC aan [gedaagde 2] om teruggave van de gehuurde apparatuur dan wel om betaling van de waarde van de gehuurde apparatuur.
Geschil
3.1.
KRC vordert, na wijziging van eis op de zitting, dat de kantonrechter [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 9.608,78 aan achterstallige facturen tot 14 augustus 2023 en [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 11.066,60 aan schadevergoeding en € 6.456,31 aan buitengerechtelijke kosten. Verder vordert KRC dat de kantonrechter [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
KRC stelt – samengevat – dat niet alleen De Oude Kom, maar ook [gedaagde 2] in privé partij is bij de huurovereenkomst en dat hij tekort is geschoten in de nakoming daarvan door niet de volledige huurpenningen te betalen. Verder stelt KRC dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de door haar geleden schade omdat hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de apparatuur die eigendom is van KRC zonder recht of titel te verkopen, te verhuren of in gebruik te geven aan een derde. Volgens KRC kan deze derde zich waarschijnlijk succesvol verweren tegen een revindicatievordering van KRC.
3.3.
[gedaagde 2] betwist dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de huurachterstand. Hij is daaraan alleen gebonden als voormalig bestuurder van De Oude Kom en het faillissement is een paar maanden geleden opgeheven.
3.4.
[gedaagde 1] betwist dat hij aansprakelijk is voor de schade die KRC stelt te lijden omdat hij niets te maken heeft met De Oude Kom. Hij heeft alleen het pand verhuurd aan [gedaagde 2] en met hem ter beëindiging van de huurovereenkomst in een VSO afgesproken dat alle niet opgehaalde apparatuur/inventaris na 31 januari 2022 eigendom zou worden van [pizzeria] , het bedrijf van [gedaagde 1] . Er is alleen een vaatwasser en een granieten voorbereidingstafel met koeling achtergelaten. De nieuwe huurder, die per 1 mei 2023 in het pand zit, heeft de voorbereidingstafel op eigen kosten gerepareerd.
3.5.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover nodig voor de beoordeling – hierna verder worden ingegaan.
Beoordeling
Subjectieve cumulatie
4.1.
Vooropgesteld wordt dat KRC de procedure zo ingestoken heeft dat hier sprake is van zogenaamde subjectieve cumulatie. Dat wil zeggen dat een eiser in een en dezelfde dagvaarding tegen meerdere gedaagden vorderingen instelt met het doel deze – op zichzelf genomen zelfstandige vorderingen – in een en dezelfde procedure te laten behandelen. Een dergelijke procedurele insteek is mogelijk als tussen de vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid maken dat een gezamenlijke behandeling is aangewezen.
4.2.
KRC heeft – zo begrijpt de kantonrechter – vanwege proceseconomische redenen voor deze insteek gekozen omdat het hier gaat om geschillen die zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex tussen enerzijds KRC en anderzijds [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan het hiervoor bedoelde vereiste. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding de vorderingen in afzonderlijke zaken te splitsen. Dit is overigens ook niet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht.
Ten aanzien van [gedaagde 2]
4.3.
KRC is ter zitting ingegaan op het verweer van [gedaagde 2] dat hij niet persoonlijk verantwoordelijk is voor de betaling van de facturen. Daartoe heeft KRC haar bestelprocedure toegelicht. Door KRC is toegelicht dat een horecaondernemer apparatuur van KRC kan huren door op de website van KRC de gewenste apparatuur en de gewenste huurtermijn aan te vinken en te bestellen. Tijdens dat bestelproces wordt de horecaondernemer op de website gewezen op de algemene voorwaarden van KRC en meer specifiek op het huurderschap van de horecaondernemer in privé als de huurder een rechtspersoon is. Er moet via Ideal worden betaald en de horecaondernemer moet een kopie van het legitimatiebewijs meesturen. Pas als de betaling binnen is, wordt de huurovereenkomst opgemaakt. Alvorens de huurovereenkomst in persoon wordt ondertekend, wordt de horecaondernemer telefonisch nogmaals er op gewezen dat deze zich tevens in privé hoofdelijk als huurder aan de overeenkomst verbindt. Bij ondertekening van de huurovereenkomst wordt daarom nogmaals een kopie van het legitimatiebewijs overgelegd. Volgens KRC heeft [gedaagde 2] deze bestelprocedure gevolgd, is met [gedaagde 2] besproken dat hij zich in privé aan de huurovereenkomst verbindt en heeft [gedaagde 2] hiermee ingestemd.
4.4.
[gedaagde 2] is, ondanks dat hij daarvoor op de juiste wijze is uitgenodigd, niet ter zitting verschenen. [gedaagde 2] heeft dus niet gereageerd op de nadere toelichting die KRC op de zitting heeft gegeven, terwijl hij op de rolzitting heeft volstaan met een algemene ontkenning van zijn persoonlijke aansprakelijkheid en geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn mondelinge verweer schriftelijk aan te vullen.
4.5.
Uit het niet verschijnen op de zitting kan de kantonrechter op grond van artikel 88, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgtrekkingen maken die zij geraden acht. In dit geval leidt de kantonrechter uit het niet verschijnen door [gedaagde 2] , in samenhang bezien met het niet schriftelijk aanvullen van zijn mondelinge verweer, af dat [gedaagde 2] de stellingen van KRC niet (meer) betwist. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid hiervan. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat [gedaagde 2] (ook) in privé partij is bij de huurovereenkomst en daarmee aansprakelijk is voor de huurbetalingen. Vast staat dat de huur niet is betaald, zodat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde 2] . KRC heeft [gedaagde 2] dan ook terecht aangesproken om de huurachterstand te betalen. Verder is de kantonrechter van oordeel dat KRC haar vordering voldoende duidelijk en inzichtelijk heeft gemaakt. Dat betekent dat [gedaagde 2] het door KRC gevorderde bedrag van € 9.608,78 moet betalen.
4.6.
De conclusie is dat de kantonrechter de gevorderde hoofdsom van € 9.608,78 zal toewijzen.
Ten aanzien van [gedaagde 1]
4.7.
De kantonrechter is met KRC van oordeel dat [gedaagde 1] inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van KRC en licht dit als volgt toe.
4.8.
[gedaagde 1] heeft erkend dat hij de vaatwasser en de granieten voorbereidingstafel, die [gedaagde 2] heeft achtergelaten, in gebruik heeft gegeven aan de nieuwe horecaondernemer, die het pand per 1 mei 2023 huurt. Gelet op de e-mail van 30 maart 2023 van KRC aan [gedaagde 1] en de verklaring van [gedaagde 1] op de zitting dat hij hierop telefonisch heeft gereageerd, staat vast dat [gedaagde 1] toen al wist dat deze apparatuur van KRC was. Verder is van belang dat [gedaagde 1] de stelling van KRC dat deze nieuwe horecaondernemer zich met succes kan verweren tegen een vordering tot teruggave van de apparatuur door KRC, niet heeft betwist. De kantonrechter heeft overigens geen aanleiding hierover anders te oordelen en volgt KRC hierin.
4.9.
Inbreuk op het eigendomsrecht van een ander levert onrechtmatig handelen op, tenzij er sprake is van de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. [gedaagde 1] heeft eerst op de zitting naar voren gebracht dat hij KRC de gelegenheid heeft gegeven om de apparatuur op te halen, maar dat KRC hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Dat vormt echter geen rechtvaardigingsgrond voor zijn handelen. Deze stelling wordt namelijk door KRC betwist en vindt bovendien geen bevestiging in de stukken. Uit de stukken blijkt juist dat [gedaagde 1] een financiële voorwaarde heeft verbonden aan de teruggave van de apparatuur. Deze financiële voorwaarde heeft [gedaagde 1] op de zitting herhaald. Zo’n voorwaarde mocht [gedaagde 1] echter niet stellen. Hij diende de apparatuur onvoorwaardelijk aan KRC terug te geven. Deze behoorde hem immers niet toe, ook niet nadat of omdat [gedaagde 2] deze apparatuur in het pand had achtergelaten. [gedaagde 1] heeft zich deze apparatuur echter toegeëigend en ter beschikking gesteld aan een derde, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens KRC. [gedaagde 1] is dus aansprakelijk voor de schade die KRC daardoor heeft geleden.
4.10.
Dat het gaat om meer apparatuur, dan de vaatwasser en de granieten voorbereidingstafel, zoals door KRC is gesteld en door [gedaagde 1] is betwist, is naar oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende onderbouwd. De verwijzing van KRC naar de overlegde foto’s van de facebookpagina van de nieuwe horecaondernemer is niet voldoende. Op deze foto’s is weliswaar een RVS werktafel te zien. Maar door KRC is niet onderbouwd dat dit de werktafel is die [gedaagde 2] van haar heeft gehuurd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] had deze onderbouwing wel van KRC mogen worden verwacht.
4.11.
De verklaring van [werknemer] , werkzaam bij KRC, leidt niet tot een ander oordeel. [werknemer] verklaart dat hij een aantal spullen, waaronder de granieten voorbereidingstafel en wandplanken, tijdens een bezoek aan het pand heeft gezien. Maar door [gedaagde 1] is betwist dat de wandplanken door [gedaagde 2] zijn achtergelaten en de wandplanken staan ook niet op de overgelegde foto’s. Voor het overige is de verklaring van [werknemer] niet voldoende concreet om hieraan die waarde te hechten die KRC daaraan toegekend wenst te zien.
4.12.
Bij het ontbreken van een nadere onderbouwing, houdt de kantonrechter het er daarom voor dat alleen de vaatwasser en de granieten voorbereidingstafel zijn achtergebleven. De kantonrechter heeft geen aanleiding om KRC alsnog in de gelegenheid te stellen om haar standpunt nader te onderbouwen. Daarvoor heeft KRC te weinig gesteld.
Dictum
De kantonrechter
Ten aanzien van [gedaagde 2]
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan KRC van € 9.608,78 aan achterstallige huur;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 1.468,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Ten aanzien van [gedaagde 1]
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan KRC van € 6.338,00 aan schadevergoeding;
5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan KRC van € 837,20 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;
5.7.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.468,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
SJ
Beoordeling
Afgezien daarvan heeft KRC geen concreet aanbod gedaan om aan te tonen dat er meer apparatuur is achtergebleven.
4.13.
[gedaagde 1] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de schade die KRC heeft geleden in verband met de vaatwasser en de granieten voorbereidingstafel. Volgens KRC bedraagt de schade € 2.180,00 voor de vaatwasser en € 4.158,00 voor de voorbereidingstafel. Op de zitting heeft KRC verduidelijkt dat dit de restwaarde na de huurperiode is. Deze gestelde restwaarde komt de kantonrechter niet onaannemelijk voor. Daarbij weegt mee dat [gedaagde 1] deze waarden niet voldoende heeft weersproken. Pas op de zitting heeft hij bezwaar gemaakt tegen de door KRC voorgestane waarde van de apparatuur. Hij heeft daarbij echter niet aangegeven wat volgens hem een reële waarde is. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door KRC gestelde schade. [gedaagde 1] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van in totaal € 6.338,00.
4.14.
Daarnaast vordert KRC van [gedaagde 1] € 6.456,31 aan buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. KRC heeft in dit verband gewezen op een declaratieoverzicht van de door haar ingeschakelde gemachtigde. Uit dit overzicht blijkt dat het overgrote deel van de gedeclareerde werkzaamheden ziet op de zaak tegen [gedaagde 2] /De Oude Kom. Verder blijkt uit het overzicht dat een deel van de werkzaamheden, dat betrekking heeft op de zaak tegen [gedaagde 1] , valt onder het liquidatietarief. Gelet hierop is het door KRC gevorderde bedrag niet toewijsbaar. Daar staat tegenover dat KRC op zich wel voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter vindt het daarom redelijk om aan te sluiten bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Dat komt neer op € 837,20 inclusief btw.
De proceskosten ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 1]
4.15.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval geen hoofdelijkheid kan worden aangenomen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden ieder tot een ander bedrag en op een andere grondslag tot betaling van de hoofdsom veroordeeld. Ook overigens heeft KRC onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit een hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voor de proceskosten blijkt. De kantonrechter zal de proceskosten daarom als volgt toedelen.
4.16.
Wat betreft de kosten voor de dagvaarding dienen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] beide de helft te betalen. Aangezien een gedeelte van het gevorderde bedrag niet toewijsbaar is, kunnen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ten aanzien van het griffierecht slechts worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het ten aanzien van hen afzonderlijk toe te wijzen bedrag. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan KRC in rekening is gebracht, dient voor rekening van KRC te blijven. Het salaris gemachtigde zal worden bepaald aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief.
4.17.
De kosten aan de zijde van KRC worden voor [gedaagde 2] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,99
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.468,99
4.18.
De kosten aan de zijde van KRC worden voor [gedaagde 1] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,99
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.468,99
5