Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-21
ECLI:NL:RBNHO:2025:3984
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,424 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/2712
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2025 in de zaak tussen
de erven van [naam 1] , uit Santpoort-Noord, eisers
(gemachtigde: mr. dr. ing. P.M.J. de Haan),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen
(gemachtigde: mr. A.J. Glastra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de heer [belanghebbende] , uit Santpoort-Zuid, (belanghebbende)
(gemachtigde: mr. M.A. Patandin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de oplegging van een last onder dwangsom.
1.1.
Het college heeft met het primaire besluit van 12 mei 2022 aan de heer [naam 1] ( [naam 1] ) een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 27 februari 2023 op het bezwaar van eisers heeft het college het primaire besluit herroepen, voor zover dit besluit ziet op de opgelegde last ten aanzien van de bomen en struiken. Voor het overige heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers (de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] ), de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, mevrouw [naam 4] (dochter van belanghebbende) en de gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende is niet verschenen.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 30 november 2021 heeft belanghebbende bij het college een verzoek om handhaving ingediend vanwege – kortgezegd – de enorme hoeveelheid bomen en struiken op het perceel van zijn buurman.
2.1.
Naar aanleiding van dit verzoek om handhaving heeft op 4 februari 2022 een controle plaatsgevonden door een toezichthouder van de gemeente Velsen op het perceel van [naam 1] ( [straat] in Santpoort-Zuid), kadastraal bekend als gemeente Velsen, sectie [nummer] . De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 18 februari 2022. De toezichthouder heeft het volgende geconstateerd:
“Rondom op dit perceel bevinden zich tientallen bomen en struiken en in het midden zijn open grasvlaktes gesitueerd.
Aan de noordwest zijde van het perceel is een caravan en een vaste tent gesitueerd. Voor deze bebouwing is een soort terras gecreëerd met in het midden een aanwezige vuurkorf. Ook zijn er enkele tuinmeubelen voor de caravan gestald.”
2.2.
Met een brief van 7 april 2022 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om aan [naam 1] een last onder dwangsom op te leggen. [naam 1] heeft hierop gereageerd met een zienswijze d.d. 21 april 2022.
2.3.
Met het primaire besluit heeft het college aan [naam 1] een last onder dwangsom opgelegd. [naam 1] moet binnen zes weken de caravan en tent verwijderen en verwijderd houden. Indien hij hieraan niet voldoet moet hij € 500,- per week betalen, met een maximum van € 3.000,- (last 1). Ook moet [naam 1] voor 1 november 2022 de bomen en struiken en het terras verwijderen en verwijderd houden. Indien hij hieraan niet voldoet moet hij € 200,- per week betalen, met een maximum van € 1.200,- (last 2). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit herroepen, voor zover dit besluit ziet op de opgelegde last ten aanzien van de bomen en struiken. Gelet hierop wordt de dwangsom van last 2 ten aanzien van het terras verlaagd naar € 100,- per week met een maximum van € 600,-. Voor het overige heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
2.5.
Op 14 maart 2023 is [naam 1] overleden. Blijkens een verklaring van erfrecht van 19 april 2023 zijn de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] de erven.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de door het college opgelegde last onder dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3.1.
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Het college heeft een beginselplicht tot handhaving. Dit betekent dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.
Last 1
5. Eisers voeren aan dat op grond van artikel 5, eerste en derde lid, van het vorige bestemmingsplan ‘Agrarisch gebied Zuid’ (het oude bestemmingsplan, vastgesteld op 6 juli 1989) de caravan was toegestaan. Ook op grond van artikel 15, onder I sub b, van het oude bestemmingsplan was de caravan toegestaan. Daardoor valt de caravan onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan ‘De Leck en de Bergen’ (het geldende bestemmingsplan, vastgesteld op 20 juni 2013), aldus eisers.
6. Niet in geschil is dat de caravan al op het perceel stond toen het oude bestemmingsplan nog gold. Ook is niet in geschil dat op grond van het oude bestemmingsplan het perceel van [naam 1] de bestemming ‘Eengezinshuizen categorie II met erf’ had.
6.1.
Artikel 5 van het oude bestemmingsplan luidt:
Eengezinshuizen categorie II met erf
1. De op de kaart voor “Eengezinshuizen categorie II met erf” aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor vrijstaande woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven.
[…]
3. Bij iedere woning mogen bijgebouwen worden gebouwd, waarbij de grondoppervlakte, goothoogte, dakhelling en nokhoogte, zoals deze waren ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het plan, niet mogen worden vergroot.
Blijkens artikel 1, onder p, van het oude bestemmingsplan is een bijgebouw “een niet voor bewoning bestemd gebouw behorende bij een woning of ander hoofdgebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een woning of ander hoofdgebouw, zoals een bergplaats, stalling en/of hobbyruimte”.
6.2.
Kortgezegd stellen eisers zich op het standpunt dat de caravan onder het oude bestemmingsplan aangemerkt had moeten worden als bijgebouw. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt. Blijkens de begripsbepaling uit het oude bestemmingsplan is het, om iets als bijgebouw aan te merken, noodzakelijk dat op het perceel sprake is van een woning of ander hoofdgebouw. Hiervan was en is op het perceel van (de erven van) [naam 1] geen sprake. De caravan had onder het oude bestemmingsplan dus niet als bijgebouw aangemerkt kunnen worden. Artikel 5, eerste en derde lid, van het oude bestemmingsplan is niet van toepassing.
6.3.
Artikel 15 van het oude bestemmingsplan luidt:
I. Gebruik van gronden
Het is verboden de in dit plan opgenomen gronden te gebruiken, te doen of te laten gebruiken:
[…]
b. als staan- of ligplaats voor onderkomens, met uitzondering van gronden in gebruik als erf behorende bij eengezinshuizen, waarop één toercaravan per woning is toegestaan of in gebruik overeenkomstig de bestemming als bedoeld in artikel 14;
[…]
Blijkens artikel 1, onder i, van het oude bestemmingsplan wordt als onderkomen aangemerkt “voor dag- of nachtverblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, arken, woonschepen, toercaravans en stacaravans (voor zover één en ander niet aan te merken is als een bouwwerk), alsook tenten”.
6.4.
Niet in geschil is dat de caravan een bouwwerk is. Omdat de caravan een bouwwerk is, is het blijkens artikel 1, onder i, van het oude bestemmingsplan geen onderkomen als bedoeld in het oude bestemmingsplan. Gelet hierop is ook artikel 15, onder I sub b, van het oude bestemmingsplan niet van toepassing.
6.5.
De rechtbank is van oordeel, gelet op overweging 6.2. en 6.4., dat de caravan in strijd met het oude bestemmingsplan op het perceel van [naam 1] stond.
6.6.
Artikel 25.1 van het geldende bestemmingsplan bepaalt dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Artikel 25.1.2 bepaalt echter dat het eerste lid niet van toepassing is op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.7.
Nu de rechtbank in overweging 6.5. heeft geoordeeld dat de caravan reeds in strijd met het oude bestemmingsplan op het perceel van [naam 1] stond, kunnen eisers, gelet op artikel 25.1.2. van het geldende bestemmingsplan, geen beroep doen op het overgangsrecht.
6.8.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eisers voeren verder aan dat voor de caravan op grond van artikel 3, tweede lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning is vereist.
7.1.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van Bijlage II van het Bor kunnen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf gebouwd worden zonder omgevingsvergunning, mits wordt voldaan aan het geldende planologisch regime. Niet in geschil is dat de caravan op het perceel staat in strijd met het geldende bestemmingsplan. In overweging 6.7. heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat ook het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan niet van toepassing is. Gelet hierop is de caravan niet vergunningsvrij op grond van artikel 3, tweede lid, van Bijlage II van het Bor. De vraag of de caravan in dit geval überhaupt is aan te merken als recreatief nachtverblijf behoeft daarom ook geen bespreking meer.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Last 2
8. Eisers voeren aan dat op grond van artikel 3.1, aanhef en onder f, van het geldende bestemmingsplan het terras is toegestaan. Ook op grond artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van het oude bestemmingsplan is het terras toegestaan, aldus eisers.
8.1.
Artikel 3.1 van het geldende bestemmingsplan luidt:
De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden veehouderij;
b. ondergeschikte paardenhouderij;
ter plaatse van de aanduiding
c. 'bedrijfswoning' is tevens één bedrijfswoning toegestaan;
d. 'nutsvoorziening', is tevens een nutsvoorziening toegestaan;
e. 'specifieke vorm van agrarisch - 1' is tevens een paardenbak toegestaan en mag de grond gebruikt worden ten behoeve van opslag;
met de daarbij behorende:
f. wegen en paden;
g. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
h. bedrijfsgebouwen;
i. bijbehorende bouwwerken in de vorm van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen;
j.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.A.V. van Kleef, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.