Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:3706
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10647207 \ CV EXPL 23-5095
Uitspraakdatum: 15 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de buitenlandse vennootschap
Egyptair Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypt)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf Advocaten en Notarissen)
De zaak in het kort
AirHelp heeft van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de coronapandemie. Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering van AirHelp wordt afgewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 december 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Caïro International Airport (Egypte), naar Jomo Kenyatta International Airport, Nairobi (Kenia), met vluchtcombinatie MS758 en MS849.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de overstap op de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft daarom compensatie gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder heeft primair betwist dat de passagiers hun eventuele vorderingen van de (geldig) aan AirHelp hebben overgedragen. De handtekeningen op de ‘assignment forms’ van de passagiers wijken te veel af van die op hun paspoorten, aldus de vervoerder.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat AirHelp heeft bewezen dat de passagiers hun eventuele vorderingen aan AirHelp hebben overgedragen. De handtekeningen op de akten van cessie komen in voldoende mate overeen met de handtekeningen van de passagiers op hun paspoorten. Hierbij neemt de kantonrechter tevens in aanmerking dat AirHelp, naast de volmachten, boekingsbewijzen, kopieën van de paspoorten van de passagiers en een e-mailwisseling tussen haar en een van de passagiers heeft overgelegd, waarin deze bevestigt dat de akten door de passagiers zijn ondertekend. De kantonrechter oordeelt dat AirHelp heeft aangetoond dat zij een vorderingsrecht heeft.
4.4.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.5.
Volgens de vervoerder was de vertraging van de vlucht het gevolg van een personeelstekort op Schiphol. Dit personeelstekort heeft geleid tot lange wachtrijen (congestie) en een capaciteitsreductie. Ter onderbouwing van zijn verweer verwijst hij onder meer naar het vluchtrapport, nieuwsberichten en een bericht van Schiphol. Uit het vluchtrapport blijkt dat de vertraging van de vlucht drie oorzaken had: 53 minuten omdat het toestel niet gelijk een ‘stand’ toegewezen kreeg, 30 minuten door onvoldoende ‘ground time’ en 57 minuten vertraging door een technisch mankement. De vervoerder doet alleen ten aanzien van de eerste twee vertragingsoorzaken een beroep op buitengewone omstandigheden.
4.6.
AirHelp betwist dit. Volgens haar heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd hoe de drukte op Schiphol van invloed is geweest op de uitvoering van de vlucht in kwestie. Zij voert daartoe aan dat de vervoerder verwijst naar wachtrijen en Covid-19, maar legt geen producties over die aantonen dat deze omstandigheden invloed hadden op de vlucht in kwestie. Niet in geschil is dat de vertraging van 57 minuten door technische problemen niet aangemerkt kan worden als buitengewone omstandigheden en dat de aansluitende vlucht uiteindelijk om 22:21 uur (lokale tijd) was vertrokken. AirHelp voert aan dat zonder deze vertraging de passagiers een uur overstaptijd hadden gehad en dat zij de aansluitende vlucht hadden kunnen halen.
4.7.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd dat 2 uur en 27 minuten van de vertrekvertraging van de vlucht het gevolg was van het niet gelijk een ‘stand’ toegewezen krijgen en onvoldoende ‘ground time’, die op hun beurt weer het gevolg waren van een capaciteitsreductie. Hij heeft daarbij eveneens voldoende onderbouwd dat hij geen invloed heeft op deze omstandigheden. Daarom is dit een omstandigheid die niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en één waarop hij geen invloed kan uitoefenen. Dit betekent dat 2 uur en 27 minuten van de vertraging van de vlucht het gevolg waren van buitengewone omstandigheden.
4.8.
Nu vertraging van de vlucht deels door buitengewone omstandigheden en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, moet worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht zouden hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheden. Vast staat dat de passagiers, met een vertraging van 2 uur en 27 minuten zijn vertrokken, om 22:20 uur (lokale tijd) zijn aangekomen in Caïro. Zonder de buitengewone omstandigheden van 83 minuten zou de vlucht in kwestie dus om 21:37 uur (lokale tijd) in Caïro zijn gearriveerd.
4.9.
Niet in geschil is dat de vlucht naar Nairobi om 22:51 uur (lokale tijd) is vertrokken. Als er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, hadden de passagiers de aansluitende vlucht dus hoe dan ook kunnen halen. Hieruit volgt dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van de buitengewone omstandigheden.
4.10.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder stelt dat hij de omstandigheden niet kon voorkomen. Als gevolg van besluiten van de luchtverkeersleiding zijn de passagiers uiteindelijk vertraagd aangekomen. De vervoerder kon zelfs met het inzetten van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de vertraging niet vermijden. De vervoerder heeft de passagiers zo snel mogelijk laten vervoeren van Caïro naar Nairobi.
4.11.
De kantonrechter oordeelt dat niet valt in te zien wat de vervoerder nog meer of anders had kunnen doen. AirHelp heeft in dit verband ook niets aangevoerd. Daarom heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. De vordering van AirHelp wordt afgewezen.
4.12.
AirHelp zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 408,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt AirHelp tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter