Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:284
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,714 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11446775 \ KG EXPL 24-156
Vonnis in kort geding van 15 januari 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. F.E. de Neef,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gedaagde partij,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties van [eisers] ,- de mondelinge behandeling van 9 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eisers] ,
- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] .
Beoordeling
2.1.
[eisers] vorderen samengevat – op straffe van een dwangsom [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot ontruiming van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehuurde ruimte aan de [adres] te [plaats 1] , bestaande uit een afgescheiden gedeelte van de aldaar staande loods, met medegebruik van het erf, alsmede ontruiming van de nabij deze ruimte aanwezige zeecontainer (hierna samen te noemen: het gehuurde).
Tevens vorderen [eisers] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 800,-, terzake van achterstallige huur en voorschot servicekosten tot en met 30 november 2024, en € 800,- voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] na november 2024 het gehuurde in gebruik hebben.
2.2.
[eisers] leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op 20 juni 2021 hebben partijen mondeling een huurovereenkomst gesloten. [eisers] heeft deze huurovereenkomst per brief van 28 februari 2024 opgezegd. Op 5 juli 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingestemd met een definitieve oplevering per 1 december 2024. Tot op heden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning niet verlaten. Bovendien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sinds november 2024 de huurprijs niet meer voldaan.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] erkend dat de vorderingen toewijsbaar zijn. Ter zitting hebben [eisers] en [gedaagde 2] afgesproken dat [gedaagde 2] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2025 zal verlaten en ontruimen. Verder is afgesproken dat de achterstallige huur of gebruiksvergoeding van € 800,- per maand over de maanden november, december en januari uiterlijk 31 januari 2025 zal worden voldaan. Ten aanzien van de proceskosten zijn [eisers] en [gedaagde 2] overeengekomen dat deze kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.4.
Omdat [gedaagde 1] niet in het geding is verschenen heeft de kantonrechter tegen [gedaagde 1] verstek verleend. Het ten aanzien van [gedaagde 1] gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vorderingen op na te melden wijze toewijzen. De kantonrechter zal geen dwangsom aan de veroordeling tot ontruiming verbinden, omdat [eisers] daarbij onvoldoende belang hebben. Indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde niet uiterlijk op 31 januari 2025 verlaten en ontruimen, hebben [eisers] met dit vonnis een titel in handen om de ontruiming te bewerkstelligen door daarvoor een deurwaarder in te schakelen (artikel 556 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om uiterlijk 31 januari 2025 de door hen gehuurde ruimte aan de [adres] te [plaats 1] , bestaande uit een afgescheiden gedeelte van de aldaar staande loods, met medegebruik van het erf, alsmede de nabij deze ruimte aanwezige zeecontainer, te verlaten en te ontruimen, met al hetgeen dat en al degenen die van hunnentwege in het gehuurde aanwezig is respectievelijk zijn, en in behoorlijke staat, geheel leeg en bezemschoon, aan [eisers] op te leveren, onder afgifte van alle in omloop zijnde sleutels, en dit object en het erf van [eisers] na ontruiming ook verlaten en ontruimd te houden,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te betalen aan [eisers] € 800,- aan achterstallige huur en voorschot servicekosten tot en met 30 november 2024 en € 800,- voor iedere maand of gedeelte daarvan dat zij, ieder voor zich of gezamenlijk, na november 2024 in het gehuurde verblijven,
3.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
MKI/NB
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11446775 \ KG EXPL 24-156
Vonnis in kort geding van 15 januari 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. F.E. de Neef,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gedaagde partij,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de producties van [eisers] ,- de mondelinge behandeling van 9 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eisers] ,
- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] .
Beoordeling
2.1.
[eisers] vorderen samengevat – op straffe van een dwangsom [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot ontruiming van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehuurde ruimte aan de [adres] te [plaats 1] , bestaande uit een afgescheiden gedeelte van de aldaar staande loods, met medegebruik van het erf, alsmede ontruiming van de nabij deze ruimte aanwezige zeecontainer (hierna samen te noemen: het gehuurde).
Tevens vorderen [eisers] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 800,-, terzake van achterstallige huur en voorschot servicekosten tot en met 30 november 2024, en € 800,- voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] na november 2024 het gehuurde in gebruik hebben.
2.2.
[eisers] leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op 20 juni 2021 hebben partijen mondeling een huurovereenkomst gesloten. [eisers] heeft deze huurovereenkomst per brief van 28 februari 2024 opgezegd. Op 5 juli 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingestemd met een definitieve oplevering per 1 december 2024. Tot op heden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning niet verlaten. Bovendien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sinds november 2024 de huurprijs niet meer voldaan.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] erkend dat de vorderingen toewijsbaar zijn. Ter zitting hebben [eisers] en [gedaagde 2] afgesproken dat [gedaagde 2] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2025 zal verlaten en ontruimen. Verder is afgesproken dat de achterstallige huur of gebruiksvergoeding van € 800,- per maand over de maanden november, december en januari uiterlijk 31 januari 2025 zal worden voldaan. Ten aanzien van de proceskosten zijn [eisers] en [gedaagde 2] overeengekomen dat deze kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.4.
Omdat [gedaagde 1] niet in het geding is verschenen heeft de kantonrechter tegen [gedaagde 1] verstek verleend. Het ten aanzien van [gedaagde 1] gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vorderingen op na te melden wijze toewijzen. De kantonrechter zal geen dwangsom aan de veroordeling tot ontruiming verbinden, omdat [eisers] daarbij onvoldoende belang hebben. Indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde niet uiterlijk op 31 januari 2025 verlaten en ontruimen, hebben [eisers] met dit vonnis een titel in handen om de ontruiming te bewerkstelligen door daarvoor een deurwaarder in te schakelen (artikel 556 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om uiterlijk 31 januari 2025 de door hen gehuurde ruimte aan de [adres] te [plaats 1] , bestaande uit een afgescheiden gedeelte van de aldaar staande loods, met medegebruik van het erf, alsmede de nabij deze ruimte aanwezige zeecontainer, te verlaten en te ontruimen, met al hetgeen dat en al degenen die van hunnentwege in het gehuurde aanwezig is respectievelijk zijn, en in behoorlijke staat, geheel leeg en bezemschoon, aan [eisers] op te leveren, onder afgifte van alle in omloop zijnde sleutels, en dit object en het erf van [eisers] na ontruiming ook verlaten en ontruimd te houden,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te betalen aan [eisers] € 800,- aan achterstallige huur en voorschot servicekosten tot en met 30 november 2024 en € 800,- voor iedere maand of gedeelte daarvan dat zij, ieder voor zich of gezamenlijk, na november 2024 in het gehuurde verblijven,
3.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
MKI/NB