Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-12
ECLI:NL:RBNHO:2025:2244
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,278 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360953 / JU RK 25-57
Datum uitspraak: 12 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller, kantoorhoudende te Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
de grootvader (mz) van [de minderjarige] .
1.3.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft sinds december 2024 bij zijn grootouders (mz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] is onder toezicht gesteld omdat er zorgen waren over de draagkracht en beschikbaarheid van de moeder door haar eigen problematiek (autisme, borderline en alcoholgebruik) terwijl [de minderjarige] een bovengemiddelde zorgbehoefte heeft. Daarnaast waren er zorgen omdat [de minderjarige] geen contact heeft met zijn vader door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Inmiddels is de moeder transparant over haar verslavingsproblematiek en geeft zij aan drie tot zes flessen wijn per dag te drinken. De moeder erkent dat zij hierdoor minimaal fysiek en emotioneel beschikbaar is voor [de minderjarige] en wil hulp ontvangen. Zij heeft haar problemen eerder gebagatelliseerd omdat ze bang was [de minderjarige] kwijt te raken, maar staat nu open voor klinische opname. De vader geeft aan al langer zorgen te hebben over het gebruik van de moeder. De vader is zelf verslaafd geweest en herkent daarom deze problematiek. De vader geeft verder aan dat hij al zes maanden geen contact heeft met [de minderjarige] door de slechte communicatie tussen de ouders en het gedrag van [de minderjarige] . De vader staat open voor contactherstel maar heeft aangegeven dat er wel hulpverlening nodig is in de thuissituatie van [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande is het om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen noodzakelijk om hem in een pleeggezin te plaatsen. De grootouders (mz) hebben aangeboden om [de minderjarige] op te vangen en de GI heeft hem inmiddels aangemeld voor netwerkpleegzorg. De grootouders (mz) krijgen hierbij steun van de oom en tante (mz). De moeder is inmiddels aangemeld bij verslavingszorg en zij wacht op een opnameplek in een detox kliniek. Met de vader zijn er tweewekelijkse gesprekken waarin hij op de hoogte wordt gehouden van het proces. Daarnaast zal er op korte termijn gewerkt worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .
3.2.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat in het verzoek het woord ‘pleeggezin’ wordt gebruikt maar dat dat moet worden gelezen als een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin. Voor wat betreft de duur merkt de GI op dat om een uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt verzocht, in plaats van voor een jaar. Verder geeft de GI aan dat [de minderjarige] bij zijn grootouders (mz) verblijft en dat zij als familie zelf zoeken naar een manier om het contact tussen [de minderjarige] en de moeder te onderhouden. Voor de grootouders (mz) zal ter ondersteuning pleegzorg worden ingeschakeld. De GI zal ook gaan werken aan het contactherstel met de vader. [de minderjarige] geeft namelijk aan hier behoefte aan te hebben. De eerste afspraak hiervoor staat binnenkort gepland. Het contact zal vervolgens langzaam worden opgebouwd en hierbij zal de GI het tempo van [de minderjarige] aanhouden. De moeder zal op korte termijn worden opgenomen in de detox en krijgt ambulante hulp van de Brijder voor haar verslaving. De moeder is eerlijk geweest over haar problemen en is gemotiveerd om hieraan te werken waardoor dit in goede samenspraak geregeld kon worden. Tenslotte geeft de GI aan dat [de minderjarige] op school hulp krijgt vanuit Levvel. Hij doet het goed op school, maar heeft soms moeite om te doen wat er wordt gevraagd. Ook ziet de begeleiding gedrag bij [de minderjarige] waarbij zij zich afvragen waar dit vandaan komt. De GI acht het daarom wenselijk dat er diagnostiek gaat plaatsvinden als de situatie van [de minderjarige] weer rustig en stabiel is.
4De standpunten
4.1.
Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek. De situatie is voor de moeder erg moeilijk, maar zij ziet in dat zij [de minderjarige] op dit moment niet kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder is er daarom erg blij mee dat [de minderjarige] bij zijn grootouders (mz) kan verblijven. De advocaat geeft daarnaast aan dat het mogelijk wenselijk is om de machtiging voor een kortere duur uit te spreken om zo een toetsmoment te creëren, maar zal zich wat betreft de duur van de machtiging refereren aan het oordeel van de kinderrechter.
4.2.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat [de minderjarige] bij de grootouders (mz) verblijft. De vader twijfelt er niet aan dat hij daar genoeg liefde krijgt en hoopt dat de grootouders (mz) [de minderjarige] ook genoeg structuur kunnen bieden. Verder staat de vader ervoor open om het contact met [de minderjarige] in het tempo van [de minderjarige] op te bouwen. De vader ziet in dat dit rustig moet gebeuren en dat stap voor stap gekeken moet worden wat haalbaar is. De vader wijst er echter wel op dat het systeem de afgelopen jaren enorm heeft gefaald. De vader is zelf bij de moeder weggegaan omdat zij samen in een actieve verslaving zaten. De vader is sindsdien clean en gaat naar meetings. De vader waarschuwt al langer dat het met de moeder niet goed gaat en dat het voor [de minderjarige] niet veilig is om daar te wonen. De vader heeft ook geprobeerd om [de minderjarige] daar uit huis te halen en bij hem te laten wonen, maar het alcoholgebruik van de moeder werd gebagatelliseerd en het verzoek van de vader werd afgewezen. Nu is het een aantal jaar later en moet [de minderjarige] alsnog uit huis, maar kan de vader hem niet meer in huis nemen, (mede) omdat hij nu in [plaats] woont. Als dit een aantal jaar geleden al was gebeurd, had de vader er wel voor [de minderjarige] kunnen zijn. Tenslotte geeft de vader aan dat hij een toetsmoment geen goed idee vindt. Hij weet uit ervaring dat het eerste jaar in herstel na een (alcohol)verslaving zwaar is en dat de kans op een terugval in die periode het grootst is.
4.3.
De grootvader (mz) heeft ter zitting aangegeven dat het soms moeilijk is, maar dat het erg goed gaat met [de minderjarige] in huis. De grootouders (mz) proberen [de minderjarige] zoveel mogelijk structuur te bieden en alles in goede banen te leiden. Als er wel een keer onenigheid is, dan hebben de grootouders (mz) steun van de oom en tante (mz). Ook ziet [de minderjarige] zijn moeder nog wel, maar alleen met de grootouders (mz) erbij.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder door haar verslavingsproblematiek onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] kan daarom bij de moeder niet vertrouwen op een veilige en stabiele opvoedsituatie. De moeder ziet dit nu ook in en erkent haar probleem. Zij staat open om hiervoor hulp te krijgen en heeft zich aangemeld om naar een kliniek te gaan om aan haar problemen te werken. Dit zal op zeer korte termijn ook gaan gebeuren. Gelet hierop is het niet in het belang van [de minderjarige] om bij de moeder te blijven wonen. Met de vader heeft [de minderjarige] al meerdere maanden geen contact. De reden hiervoor is de slechte communicatie tussen de ouders, en het gedrag van [de minderjarige] . De vader staat wel open voor contactherstel maar dit zal opgebouwd moeten worden. Hiervoor staat de eerste afspraak gepland. Inmiddels hebben de grootouders (mz) aangegeven [de minderjarige] , met hulp van de oom en tante (mz), te kunnen opvangen. Hij verblijft daar al een tijdje en de grootvader (mz) heeft aangegeven dat dit goed gaat. Ook de ouders staan erachter dat hij hier blijft. Het is gezien de situatie van [de minderjarige] dan ook in zijn belang dat hij bij zijn grootouders (mz) blijft wonen.
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De machtiging uithuisplaatsing zal worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 september 2025. Gelet op de relatief korte duur hiervan acht de rechtbank een tussentijds toetsmoment, zoals door de advocaat van de moeder verzocht, niet zinvol.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een netwerkpleeggezin tot 12 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025 door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360953 / JU RK 25-57
Datum uitspraak: 12 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller, kantoorhoudende te Tilburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
de grootvader (mz) van [de minderjarige] .
1.3.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft sinds december 2024 bij zijn grootouders (mz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] is onder toezicht gesteld omdat er zorgen waren over de draagkracht en beschikbaarheid van de moeder door haar eigen problematiek (autisme, borderline en alcoholgebruik) terwijl [de minderjarige] een bovengemiddelde zorgbehoefte heeft. Daarnaast waren er zorgen omdat [de minderjarige] geen contact heeft met zijn vader door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Inmiddels is de moeder transparant over haar verslavingsproblematiek en geeft zij aan drie tot zes flessen wijn per dag te drinken. De moeder erkent dat zij hierdoor minimaal fysiek en emotioneel beschikbaar is voor [de minderjarige] en wil hulp ontvangen. Zij heeft haar problemen eerder gebagatelliseerd omdat ze bang was [de minderjarige] kwijt te raken, maar staat nu open voor klinische opname. De vader geeft aan al langer zorgen te hebben over het gebruik van de moeder. De vader is zelf verslaafd geweest en herkent daarom deze problematiek. De vader geeft verder aan dat hij al zes maanden geen contact heeft met [de minderjarige] door de slechte communicatie tussen de ouders en het gedrag van [de minderjarige] . De vader staat open voor contactherstel maar heeft aangegeven dat er wel hulpverlening nodig is in de thuissituatie van [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande is het om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen noodzakelijk om hem in een pleeggezin te plaatsen. De grootouders (mz) hebben aangeboden om [de minderjarige] op te vangen en de GI heeft hem inmiddels aangemeld voor netwerkpleegzorg. De grootouders (mz) krijgen hierbij steun van de oom en tante (mz). De moeder is inmiddels aangemeld bij verslavingszorg en zij wacht op een opnameplek in een detox kliniek. Met de vader zijn er tweewekelijkse gesprekken waarin hij op de hoogte wordt gehouden van het proces. Daarnaast zal er op korte termijn gewerkt worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .
3.2.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat in het verzoek het woord ‘pleeggezin’ wordt gebruikt maar dat dat moet worden gelezen als een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin. Voor wat betreft de duur merkt de GI op dat om een uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt verzocht, in plaats van voor een jaar. Verder geeft de GI aan dat [de minderjarige] bij zijn grootouders (mz) verblijft en dat zij als familie zelf zoeken naar een manier om het contact tussen [de minderjarige] en de moeder te onderhouden. Voor de grootouders (mz) zal ter ondersteuning pleegzorg worden ingeschakeld. De GI zal ook gaan werken aan het contactherstel met de vader. [de minderjarige] geeft namelijk aan hier behoefte aan te hebben. De eerste afspraak hiervoor staat binnenkort gepland. Het contact zal vervolgens langzaam worden opgebouwd en hierbij zal de GI het tempo van [de minderjarige] aanhouden. De moeder zal op korte termijn worden opgenomen in de detox en krijgt ambulante hulp van de Brijder voor haar verslaving. De moeder is eerlijk geweest over haar problemen en is gemotiveerd om hieraan te werken waardoor dit in goede samenspraak geregeld kon worden. Tenslotte geeft de GI aan dat [de minderjarige] op school hulp krijgt vanuit Levvel. Hij doet het goed op school, maar heeft soms moeite om te doen wat er wordt gevraagd. Ook ziet de begeleiding gedrag bij [de minderjarige] waarbij zij zich afvragen waar dit vandaan komt. De GI acht het daarom wenselijk dat er diagnostiek gaat plaatsvinden als de situatie van [de minderjarige] weer rustig en stabiel is.
4De standpunten
4.1.
Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek. De situatie is voor de moeder erg moeilijk, maar zij ziet in dat zij [de minderjarige] op dit moment niet kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder is er daarom erg blij mee dat [de minderjarige] bij zijn grootouders (mz) kan verblijven. De advocaat geeft daarnaast aan dat het mogelijk wenselijk is om de machtiging voor een kortere duur uit te spreken om zo een toetsmoment te creëren, maar zal zich wat betreft de duur van de machtiging refereren aan het oordeel van de kinderrechter.
4.2.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat [de minderjarige] bij de grootouders (mz) verblijft. De vader twijfelt er niet aan dat hij daar genoeg liefde krijgt en hoopt dat de grootouders (mz) [de minderjarige] ook genoeg structuur kunnen bieden. Verder staat de vader ervoor open om het contact met [de minderjarige] in het tempo van [de minderjarige] op te bouwen. De vader ziet in dat dit rustig moet gebeuren en dat stap voor stap gekeken moet worden wat haalbaar is. De vader wijst er echter wel op dat het systeem de afgelopen jaren enorm heeft gefaald. De vader is zelf bij de moeder weggegaan omdat zij samen in een actieve verslaving zaten. De vader is sindsdien clean en gaat naar meetings. De vader waarschuwt al langer dat het met de moeder niet goed gaat en dat het voor [de minderjarige] niet veilig is om daar te wonen. De vader heeft ook geprobeerd om [de minderjarige] daar uit huis te halen en bij hem te laten wonen, maar het alcoholgebruik van de moeder werd gebagatelliseerd en het verzoek van de vader werd afgewezen. Nu is het een aantal jaar later en moet [de minderjarige] alsnog uit huis, maar kan de vader hem niet meer in huis nemen, (mede) omdat hij nu in [plaats] woont. Als dit een aantal jaar geleden al was gebeurd, had de vader er wel voor [de minderjarige] kunnen zijn. Tenslotte geeft de vader aan dat hij een toetsmoment geen goed idee vindt. Hij weet uit ervaring dat het eerste jaar in herstel na een (alcohol)verslaving zwaar is en dat de kans op een terugval in die periode het grootst is.
4.3.
De grootvader (mz) heeft ter zitting aangegeven dat het soms moeilijk is, maar dat het erg goed gaat met [de minderjarige] in huis. De grootouders (mz) proberen [de minderjarige] zoveel mogelijk structuur te bieden en alles in goede banen te leiden. Als er wel een keer onenigheid is, dan hebben de grootouders (mz) steun van de oom en tante (mz). Ook ziet [de minderjarige] zijn moeder nog wel, maar alleen met de grootouders (mz) erbij.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder door haar verslavingsproblematiek onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] kan daarom bij de moeder niet vertrouwen op een veilige en stabiele opvoedsituatie. De moeder ziet dit nu ook in en erkent haar probleem. Zij staat open om hiervoor hulp te krijgen en heeft zich aangemeld om naar een kliniek te gaan om aan haar problemen te werken. Dit zal op zeer korte termijn ook gaan gebeuren. Gelet hierop is het niet in het belang van [de minderjarige] om bij de moeder te blijven wonen. Met de vader heeft [de minderjarige] al meerdere maanden geen contact. De reden hiervoor is de slechte communicatie tussen de ouders, en het gedrag van [de minderjarige] . De vader staat wel open voor contactherstel maar dit zal opgebouwd moeten worden. Hiervoor staat de eerste afspraak gepland. Inmiddels hebben de grootouders (mz) aangegeven [de minderjarige] , met hulp van de oom en tante (mz), te kunnen opvangen. Hij verblijft daar al een tijdje en de grootvader (mz) heeft aangegeven dat dit goed gaat. Ook de ouders staan erachter dat hij hier blijft. Het is gezien de situatie van [de minderjarige] dan ook in zijn belang dat hij bij zijn grootouders (mz) blijft wonen.
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De machtiging uithuisplaatsing zal worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 september 2025. Gelet op de relatief korte duur hiervan acht de rechtbank een tussentijds toetsmoment, zoals door de advocaat van de moeder verzocht, niet zinvol.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een netwerkpleeggezin tot 12 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025 door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.