Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-05
ECLI:NL:RBNHO:2025:1839
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10999233 \ CV EXPL 24-1892
Uitspraakdatum: 5 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bosrolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air Europa Lineas Aereas S.A.
gevestigd te Llucmajor (Spanje)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Estirado Fontalba
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 4 juni 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol via Madrid (Spanje) naar Cancun (Mexico), met vluchten UX1098 en UX63.
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagiers hebben bij conclusie van repliek erkend dat zij geen recht hebben op compensatie, omdat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De vordering tot betaling van de hoofdsom wordt dan ook afgewezen.
4.3.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om inhoudelijk op het verzoek van de passagiers in te gaan. Dit heeft hij nagelaten. De kantonrechter volgt de passagiers dan ook in hun stelling dat zij geen andere keuze hadden dan tot dagvaarding over te gaan. Er bestond voor de passagiers geen reden om aan te nemen dat de vervoerder zich in de gerechtelijke procedure zou verweren met een beroep op buitengewone omstandigheden. De passagiers hebben bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.4.
Nu de passagiers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 180,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10999233 \ CV EXPL 24-1892
Uitspraakdatum: 5 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bosrolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air Europa Lineas Aereas S.A.
gevestigd te Llucmajor (Spanje)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Estirado Fontalba
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 4 juni 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol via Madrid (Spanje) naar Cancun (Mexico), met vluchten UX1098 en UX63.
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagiers hebben bij conclusie van repliek erkend dat zij geen recht hebben op compensatie, omdat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De vordering tot betaling van de hoofdsom wordt dan ook afgewezen.
4.3.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om inhoudelijk op het verzoek van de passagiers in te gaan. Dit heeft hij nagelaten. De kantonrechter volgt de passagiers dan ook in hun stelling dat zij geen andere keuze hadden dan tot dagvaarding over te gaan. Er bestond voor de passagiers geen reden om aan te nemen dat de vervoerder zich in de gerechtelijke procedure zou verweren met een beroep op buitengewone omstandigheden. De passagiers hebben bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.4.
Nu de passagiers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 180,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter