Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:15992
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,587 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 text/xml public 2026-04-15T13:28:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-05-22 HAA 23/3448 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 text/html public 2026-04-15T13:27:16 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 Rechtbank Noord-Holland , 22-05-2025 / HAA 23/3448 Omvang jeugdhulp. Medisch advies kan worden gevolgd. Dat advies geldt ook voor eerdere periode in geding. De rechtbank voorziet voor die periode zelf in de zaak. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/3448 en 23/3449 en 24/5729 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers, wettelijk vertegenwoordigd door [naam ouder 1] en [naam ouder 2] (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (gemachtigden: mr. L.C. Dankbaar en mr. F.L. Dijkstra). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers, [eiseres] , geboren [geboortedatum 1] en [eiser] , geboren [geboortedatum 2] , toegekende jeugdhulp. Eisers zijn het niet eens met de omvang ervan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beslissingen over de jeugdhulp in stand kunnen blijven. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissingen over de toegekende jeugdhulp voor een deel niet in stand kunnen blijven. Eisers krijgen dus voor een deel gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vanaf 13 mei 2022 heeft het college diverse beslissingen genomen over de aan [eiseres] en [eiser] te verstrekken jeugdhulp. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak beperkt de rechtbank zich tot het vermelden van wat uiteindelijk aan jeugdhulp is verleend. 23/3448 ( [eiseres] ) 3. Vanaf 12 januari 2022 heeft het college ten behoeve van [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding individueel toegekend voor acht uur per week. Vanaf 9 maart 2022 tot en met 30 november 2022 is een pgb voor negen uur per week toegekend. Daarnaast heeft het college begeleiding individueel toegekend in de vorm van zorg in natura (vanaf 1 april 2022 vier dagdelen, vanaf 9 mei 2022 twee dagdelen) en voorts voor verblijf (27 etmalen) eveneens in de vorm van zorg in natura (via Chancare). Per 1 december 2022 is de zorg in natura omgezet in een pgb voor acht uur per week begeleiding individueel en één etmaal per twee weken logeeropvang. 23/3449 [eiser] 4. Vanaf 12 januari 2022 heeft het college ten behoeve van [eiser] een pgb voor begeleiding individueel toegekend, voor acht uur per week tot en met 30 november 2022. Daarnaast heeft het college een pgb voor begeleiding individueel toegekend in de vorm van zorg in natura (vanaf 1 april 2022 vier dagdelen, vanaf 9 mei 2022 twee dagdelen) en voorts voor verblijf (27 etmalen) eveneens in de vorm van zorg in natura (via Chancare). Per 1 december 2022 is de zorg in natura omgezet in een pgb voor één etmaal per twee weken logeeropvang. 5. Het pgb wordt voor zowel [eiseres] als [eiser] ingezet voor hulpverlener [naam] . 6. Tegen de beslissingen op bezwaar van 18 april 2023 hebben eisers beroep ingesteld. 24/5729 ( [eiseres] en [eiser] ) 7. Bij besluiten van 20 januari 2023 heeft verweerder verschillende vormen van jeugdhulp toegekend aan [eiseres] en aan [eiser] . 7.1. Hangende het bezwaar in de zaken 23/3448 en 23/3449 hebben de ouders voor [eiseres] en voor [eiser] een perspectiefplan opgesteld. Deze perspectiefplannen zijn aangepast en vervolgens als nieuwe aanvragen aangemerkt door het college. Dit heeft geleid tot de primaire besluiten van 20 januari 2023. In het kader van de bezwaren daartegen heeft het college medTadvies (arts [naam arts] ) ingeschakeld voor medisch advies. Op basis van dat advies - en de aanvulling daarop naar aanleiding van vragen van het college - heeft het college de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 genomen. 8. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft verweerder de besluiten van 20 januari 2023 herroepen en ten behoeve van [eiseres] een pgb toegekend voor begeleiding individueel voor 22,5 uur per week en voor zowel [eiseres] als [eiser] een pgb voor logeeropvang voor 2 etmalen per twee weken . Het pgb wordt ingezet voor [naam] . 8.1. Tegen deze beslissing hebben eisers beroep ingesteld. 8.2. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam ouder 2] en de gemachtigden van het college. Standpunten van partijen 9. Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat er ten onrechte geen pgb is toegekend voor de hulp die moeder biedt. In de medische adviezen is niet onderkend dat voor haar een passend pgb nodig is om de zorgtaken af te kunnen stemmen met haar werk. Bovendien wordt in de medische adviezen gebruik gemaakt van de oude indicatiewijzer van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: het CIZ) en voor het doorlopen van stap 4 van het stappenplan van bepaalde uitgangspunten over gebruikelijke hulp en eigen kracht van de ouders. Een uitwerking van deze begrippen ontbreekt echter in de Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 (hierna: de Verordening). Ook de manier waarop aard en omvang van de benodigde hulp wordt vastgesteld is niet in de Verordening uitgewerkt. 9.1. Verweerder heeft het bestreden besluit van 19 juli 2024 in belangrijke mate op de medische adviezen gebaseerd. Verweerder ziet geen aanleiding pgb toe te kennen voor meer zorg dan op basis van het medisch advies is geïndiceerd. Waar het gaat om de vraag of in de Verordening de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht zijn uitgewerkt stelt verweerder zich op het standpunt dat met de artikelen 4.1 en 4.2 van de Verordening de hoofdrichting, zoals bedoeld in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) 29 mei 2024 , voldoende is neergelegd. Beoordeling door de rechtbank 23/3448 ( [eiseres] ) en 23/3449 [eiser] 10. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat in ieder geval tot aan de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 de besluitvorming gebrekkig was, doordat daaraan geen zorgvuldig onderzoek te grondslag lag. Het college trok die conclusie zelf na de hoorzitting van 10 juli 2023, getuige de e-mail van 20 juli 2023. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd zou het voor de hand hebben gelegen de besluiten van 18 april 2023 in overeenstemming te brengen met het medisch advies, door het pgb ‘op te plussen’ naar 22,5 uur per week voor begeleiding individueel en de logeeropvang naar twee etmalen per twee weken per kind. 10.1. De bestreden besluiten van 18 april 2023 komen alleen al daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna, naar aanleiding van de beoordeling van het bestreden besluit van 19 juli 2024, bespreken tot welke gevolgen dat leidt. 24/5729 ( [eiseres] en [eiser] ) Gebruikelijke hulp 10.2. De rechtbank overweegt het volgende. In de genoemde uitspraken uit 2024 heeft de Raad overwogen dat uit de artikelen 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet, mede gelet op de wetsgeschiedenis, volgt dat de algemene begrippen van artikel 2.3 nader dienen te worden uitgewerkt en geduid in een verordening op grond van artikel 2.9. van de Jeugdwet. Ten behoeve van de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur dienen in de verordening regels te worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening en de wijze van beoordeling en afwegingsfactoren daarbij. De wetgever is nadrukkelijk van mening dat artikel 2.3 van de Jeugdwet zelf de jeugdige en zijn ouders onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt over de door het college te verlenen voorzieningen, over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling daarvan, en over de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 text/xml public 2026-04-15T13:28:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-05-22 HAA 23/3448 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 text/html public 2026-04-15T13:27:16 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15992 Rechtbank Noord-Holland , 22-05-2025 / HAA 23/3448 Omvang jeugdhulp. Medisch advies kan worden gevolgd. Dat advies geldt ook voor eerdere periode in geding. De rechtbank voorziet voor die periode zelf in de zaak. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/3448 en 23/3449 en 24/5729 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers, wettelijk vertegenwoordigd door [naam ouder 1] en [naam ouder 2] (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (gemachtigden: mr. L.C. Dankbaar en mr. F.L. Dijkstra). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers, [eiseres] , geboren [geboortedatum 1] en [eiser] , geboren [geboortedatum 2] , toegekende jeugdhulp. Eisers zijn het niet eens met de omvang ervan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beslissingen over de jeugdhulp in stand kunnen blijven. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissingen over de toegekende jeugdhulp voor een deel niet in stand kunnen blijven. Eisers krijgen dus voor een deel gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vanaf 13 mei 2022 heeft het college diverse beslissingen genomen over de aan [eiseres] en [eiser] te verstrekken jeugdhulp. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak beperkt de rechtbank zich tot het vermelden van wat uiteindelijk aan jeugdhulp is verleend. 23/3448 ( [eiseres] ) 3. Vanaf 12 januari 2022 heeft het college ten behoeve van [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding individueel toegekend voor acht uur per week. Vanaf 9 maart 2022 tot en met 30 november 2022 is een pgb voor negen uur per week toegekend. Daarnaast heeft het college begeleiding individueel toegekend in de vorm van zorg in natura (vanaf 1 april 2022 vier dagdelen, vanaf 9 mei 2022 twee dagdelen) en voorts voor verblijf (27 etmalen) eveneens in de vorm van zorg in natura (via Chancare). Per 1 december 2022 is de zorg in natura omgezet in een pgb voor acht uur per week begeleiding individueel en één etmaal per twee weken logeeropvang. 23/3449 [eiser] 4. Vanaf 12 januari 2022 heeft het college ten behoeve van [eiser] een pgb voor begeleiding individueel toegekend, voor acht uur per week tot en met 30 november 2022. Daarnaast heeft het college een pgb voor begeleiding individueel toegekend in de vorm van zorg in natura (vanaf 1 april 2022 vier dagdelen, vanaf 9 mei 2022 twee dagdelen) en voorts voor verblijf (27 etmalen) eveneens in de vorm van zorg in natura (via Chancare). Per 1 december 2022 is de zorg in natura omgezet in een pgb voor één etmaal per twee weken logeeropvang. 5. Het pgb wordt voor zowel [eiseres] als [eiser] ingezet voor hulpverlener [naam] . 6. Tegen de beslissingen op bezwaar van 18 april 2023 hebben eisers beroep ingesteld. 24/5729 ( [eiseres] en [eiser] ) 7. Bij besluiten van 20 januari 2023 heeft verweerder verschillende vormen van jeugdhulp toegekend aan [eiseres] en aan [eiser] . 7.1. Hangende het bezwaar in de zaken 23/3448 en 23/3449 hebben de ouders voor [eiseres] en voor [eiser] een perspectiefplan opgesteld. Deze perspectiefplannen zijn aangepast en vervolgens als nieuwe aanvragen aangemerkt door het college. Dit heeft geleid tot de primaire besluiten van 20 januari 2023. In het kader van de bezwaren daartegen heeft het college medTadvies (arts [naam arts] ) ingeschakeld voor medisch advies. Op basis van dat advies - en de aanvulling daarop naar aanleiding van vragen van het college - heeft het college de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 genomen. 8. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft verweerder de besluiten van 20 januari 2023 herroepen en ten behoeve van [eiseres] een pgb toegekend voor begeleiding individueel voor 22,5 uur per week en voor zowel [eiseres] als [eiser] een pgb voor logeeropvang voor 2 etmalen per twee weken . Het pgb wordt ingezet voor [naam] . 8.1. Tegen deze beslissing hebben eisers beroep ingesteld. 8.2. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam ouder 2] en de gemachtigden van het college. Standpunten van partijen 9. Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat er ten onrechte geen pgb is toegekend voor de hulp die moeder biedt. In de medische adviezen is niet onderkend dat voor haar een passend pgb nodig is om de zorgtaken af te kunnen stemmen met haar werk. Bovendien wordt in de medische adviezen gebruik gemaakt van de oude indicatiewijzer van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: het CIZ) en voor het doorlopen van stap 4 van het stappenplan van bepaalde uitgangspunten over gebruikelijke hulp en eigen kracht van de ouders. Een uitwerking van deze begrippen ontbreekt echter in de Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 (hierna: de Verordening). Ook de manier waarop aard en omvang van de benodigde hulp wordt vastgesteld is niet in de Verordening uitgewerkt. 9.1. Verweerder heeft het bestreden besluit van 19 juli 2024 in belangrijke mate op de medische adviezen gebaseerd. Verweerder ziet geen aanleiding pgb toe te kennen voor meer zorg dan op basis van het medisch advies is geïndiceerd. Waar het gaat om de vraag of in de Verordening de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht zijn uitgewerkt stelt verweerder zich op het standpunt dat met de artikelen 4.1 en 4.2 van de Verordening de hoofdrichting, zoals bedoeld in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) 29 mei 2024 , voldoende is neergelegd. Beoordeling door de rechtbank 23/3448 ( [eiseres] ) en 23/3449 [eiser] 10. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat in ieder geval tot aan de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 de besluitvorming gebrekkig was, doordat daaraan geen zorgvuldig onderzoek te grondslag lag. Het college trok die conclusie zelf na de hoorzitting van 10 juli 2023, getuige de e-mail van 20 juli 2023. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd zou het voor de hand hebben gelegen de besluiten van 18 april 2023 in overeenstemming te brengen met het medisch advies, door het pgb ‘op te plussen’ naar 22,5 uur per week voor begeleiding individueel en de logeeropvang naar twee etmalen per twee weken per kind. 10.1. De bestreden besluiten van 18 april 2023 komen alleen al daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna, naar aanleiding van de beoordeling van het bestreden besluit van 19 juli 2024, bespreken tot welke gevolgen dat leidt. 24/5729 ( [eiseres] en [eiser] ) Gebruikelijke hulp 10.2. De rechtbank overweegt het volgende. In de genoemde uitspraken uit 2024 heeft de Raad overwogen dat uit de artikelen 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet, mede gelet op de wetsgeschiedenis, volgt dat de algemene begrippen van artikel 2.3 nader dienen te worden uitgewerkt en geduid in een verordening op grond van artikel 2.9. van de Jeugdwet. Ten behoeve van de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur dienen in de verordening regels te worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening en de wijze van beoordeling en afwegingsfactoren daarbij. De wetgever is nadrukkelijk van mening dat artikel 2.3 van de Jeugdwet zelf de jeugdige en zijn ouders onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt over de door het college te verlenen voorzieningen, over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling daarvan, en over de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
Volledig
Niet kan dan ook worden volstaan met een herhaling in de verordening van de begrippen uit de Jeugdwet. In de verordening dient onder andere een duidelijke hoofdrichting te worden neergelegd voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, nu dit binnen het wettelijk systeem wordt beschouwd als één van de afwegingsfactoren als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet. Specifiek heeft de Raad daarbij gewezen op de duiding die de gemeentelijke regelgever in dit kader wenst te geven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. 10.3. In artikel 4.1 van de Verordening is opgenomen dat de jeugdige of zijn ouders slechts in aanmerking kunnen komen voor een individuele voorziening, voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan de gebruikelijke hulp van de ouders en hulp van anderen uit het sociale netwerk. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening is opgenomen dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Volgens het tweede lid ziet eigen kracht toe op de eigen mogelijkheden van de jeugdige, ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, of door inzet van het eigen netwerk om de problemen zelf op te lossen. Het college onderzoekt de mogelijkheden van eigen kracht. Het derde lid bepaalt dat in beginsel geen voorziening wordt toegekend voor gebruikelijke hulp. Als ouders en/of andere verzorgers of opvoeders in staat zijn de benodigde hulp te leveren, óók als dit boven-gebruikelijke hulp betreft, wordt volgens het vierde lid in beginsel geen individuele voorziening toegekend. 10.4. In de Nadere regels Jeugdhulp Purmerend 2022 en de daarbij behorende bijlage “Richtlijnen gebruikelijke zorg van ouder voor kinderen met een normale ontwikkeling per leeftijd”, is uitgewerkt wat concreet verstaan moet worden onder gebruikelijke hulp en eigen kracht. 10.5. In de Verordening zelf is dus niet geregeld hoe de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht precies moeten worden geduid. Uit het voorgaande blijkt dat de gemeenteraad met de Verordening de opdracht van artikel 2.9 van de Jeugdwet onvoldoende ten uitvoer heeft gelegd, waardoor de Verordening onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt aan de jeugdige en diens ouders. Dit betekent dat het bepaalde in de Verordening niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit en dat niet duidelijk is binnen welk juridisch afwegingskader dit besluit wel tot stand is gekomen. Dit betekent daarom ook dat het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert en in strijd is met de wet. Tussenconclusie 10.6. Uit bovenstaande volgt dat het bestreden besluit van 19 juli 2024 moet worden vernietigd. De vraag is vervolgens tot welk gevolg deze conclusie moet leiden. Zoals ter zitting namens het college is toegelicht wordt gewerkt aan een nieuwe verordening, maar zal er nog een behoorlijke tijd overheen gaan voordat deze in werking treedt. Een na vernietiging nieuw te nemen besluit zal dan ook niet binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gebaseerd op een verordening waarin een juridisch sluitend afwegingskader is opgenomen. Nog daargelaten of toetsing aan een nieuwe verordening in dit geval mogelijk zou zijn. 10.7. De rechtbank ziet – in het kader van de finale geschilbeslechting – in deze specifieke omstandigheden en op grond van het volgende overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit bestreden besluit in stand te laten. Daartoe het volgende. Stappenplan 10.8. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 , volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet, dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. 10.9. Het college heeft hangende de bezwaarprocedure medTadvies, als onafhankelijk deskundige, gevraagd advies uit te brengen over de hulpbehoefte van [eiseres] en [eiser] . Op 28 maart 2024 zijn de adviezen uitgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het medisch advies inzichtelijk gemaakt dat de stappen, zoals deze door de Raad zijn beschreven, zijn doorlopen. Dat bestrijden eisers op zichzelf ook niet, maar zij stellen dat de arts bij de stap met betrekking tot het bepalen van de aard en omvang van de hulp geen gebruik heeft kunnen maken van de CIZ indicatiewijzer versie 7.1 van juli 2014. Dit zou in strijd zijn met de artikelen 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet, zoals door de Raad is overwogen in de uitspraken van 29 mei 2024. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet waarom thans geen gebruik meer zou mogen worden gemaakt van genoemde indicatiewijzer. Dat zulks per definitie zou volgen uit de genoemde uitspraken van de Raad ziet de rechtbank niet. Dit standpunt wordt dan ook verworpen. De medische adviezen 10.10. Ten aanzien van [eiseres] komt de arts van medTadvies tot de conclusie dat 22,5 uur per week ondersteuning noodzakelijk is. De arts komt tot die conclusie op basis van het volgende. Vanwege de darmproblematiek van [eiseres] is toezichthoudende ondersteuning nodig, waarbij aandacht moet worden besteed aan voedings- en ontlastingspatroon. [eiseres] is als gevolg van zijn medische situatie (neurobiologische ontwikkelingsstoornis en lichamelijke aandoening) niet in staat zonder doorlopend toezicht en 1 op 1 begeleiding te functioneren, hij is aangewezen op een gestructureerde voorspelbare omgeving. Bij gedragsmatige problematiek is [eiseres] aangewezen op het bijsturen van dat gedrag naar een meer wenselijke situatie. Een korte interventie kan passend zijn, maar er kan ook langduriger (15-30 minuten) ondersteuning nodig zijn. Door het wisselende karakter zal dat regelmatig 1 op 1 ondersteuning betreffen. Voor het vaststellen van de omvang van de ondersteuning heeft de arts gebruik gemaakt van de indicatiewijzer van het CIZ. De arts concludeert dat [eiseres] vanwege zijn leeftijd is aangewezen op doorlopend toezicht in de nabijheid. Maar de intensiteit van het toezicht ligt in zijn geval hoger. Een veilige gestructureerde omgeving is niet voldoende om gedragsmatige problematiek te voorkomen. Dat is bij het ondersteuning moeten bieden aan twee kinderen niet adequaat door één persoon te leveren. Het moeten bieden van 1 op 1 begeleiding is niet-gebruikelijke hulp. De arts acht daarom ondersteuning noodzakelijk in de situatie dat ouders niet samen zijn om ondersteuning te bieden.
Volledig
Niet kan dan ook worden volstaan met een herhaling in de verordening van de begrippen uit de Jeugdwet. In de verordening dient onder andere een duidelijke hoofdrichting te worden neergelegd voor de betekenis die de gemeentelijke regelgever wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, nu dit binnen het wettelijk systeem wordt beschouwd als één van de afwegingsfactoren als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet. Specifiek heeft de Raad daarbij gewezen op de duiding die de gemeentelijke regelgever in dit kader wenst te geven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. 10.3. In artikel 4.1 van de Verordening is opgenomen dat de jeugdige of zijn ouders slechts in aanmerking kunnen komen voor een individuele voorziening, voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan de gebruikelijke hulp van de ouders en hulp van anderen uit het sociale netwerk. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening is opgenomen dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Volgens het tweede lid ziet eigen kracht toe op de eigen mogelijkheden van de jeugdige, ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, of door inzet van het eigen netwerk om de problemen zelf op te lossen. Het college onderzoekt de mogelijkheden van eigen kracht. Het derde lid bepaalt dat in beginsel geen voorziening wordt toegekend voor gebruikelijke hulp. Als ouders en/of andere verzorgers of opvoeders in staat zijn de benodigde hulp te leveren, óók als dit boven-gebruikelijke hulp betreft, wordt volgens het vierde lid in beginsel geen individuele voorziening toegekend. 10.4. In de Nadere regels Jeugdhulp Purmerend 2022 en de daarbij behorende bijlage “Richtlijnen gebruikelijke zorg van ouder voor kinderen met een normale ontwikkeling per leeftijd”, is uitgewerkt wat concreet verstaan moet worden onder gebruikelijke hulp en eigen kracht. 10.5. In de Verordening zelf is dus niet geregeld hoe de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht precies moeten worden geduid. Uit het voorgaande blijkt dat de gemeenteraad met de Verordening de opdracht van artikel 2.9 van de Jeugdwet onvoldoende ten uitvoer heeft gelegd, waardoor de Verordening onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, biedt aan de jeugdige en diens ouders. Dit betekent dat het bepaalde in de Verordening niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit en dat niet duidelijk is binnen welk juridisch afwegingskader dit besluit wel tot stand is gekomen. Dit betekent daarom ook dat het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert en in strijd is met de wet. Tussenconclusie 10.6. Uit bovenstaande volgt dat het bestreden besluit van 19 juli 2024 moet worden vernietigd. De vraag is vervolgens tot welk gevolg deze conclusie moet leiden. Zoals ter zitting namens het college is toegelicht wordt gewerkt aan een nieuwe verordening, maar zal er nog een behoorlijke tijd overheen gaan voordat deze in werking treedt. Een na vernietiging nieuw te nemen besluit zal dan ook niet binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gebaseerd op een verordening waarin een juridisch sluitend afwegingskader is opgenomen. Nog daargelaten of toetsing aan een nieuwe verordening in dit geval mogelijk zou zijn. 10.7. De rechtbank ziet – in het kader van de finale geschilbeslechting – in deze specifieke omstandigheden en op grond van het volgende overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit bestreden besluit in stand te laten. Daartoe het volgende. Stappenplan 10.8. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 , volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet, dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. 10.9. Het college heeft hangende de bezwaarprocedure medTadvies, als onafhankelijk deskundige, gevraagd advies uit te brengen over de hulpbehoefte van [eiseres] en [eiser] . Op 28 maart 2024 zijn de adviezen uitgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het medisch advies inzichtelijk gemaakt dat de stappen, zoals deze door de Raad zijn beschreven, zijn doorlopen. Dat bestrijden eisers op zichzelf ook niet, maar zij stellen dat de arts bij de stap met betrekking tot het bepalen van de aard en omvang van de hulp geen gebruik heeft kunnen maken van de CIZ indicatiewijzer versie 7.1 van juli 2014. Dit zou in strijd zijn met de artikelen 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet, zoals door de Raad is overwogen in de uitspraken van 29 mei 2024. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet waarom thans geen gebruik meer zou mogen worden gemaakt van genoemde indicatiewijzer. Dat zulks per definitie zou volgen uit de genoemde uitspraken van de Raad ziet de rechtbank niet. Dit standpunt wordt dan ook verworpen. De medische adviezen 10.10. Ten aanzien van [eiseres] komt de arts van medTadvies tot de conclusie dat 22,5 uur per week ondersteuning noodzakelijk is. De arts komt tot die conclusie op basis van het volgende. Vanwege de darmproblematiek van [eiseres] is toezichthoudende ondersteuning nodig, waarbij aandacht moet worden besteed aan voedings- en ontlastingspatroon. [eiseres] is als gevolg van zijn medische situatie (neurobiologische ontwikkelingsstoornis en lichamelijke aandoening) niet in staat zonder doorlopend toezicht en 1 op 1 begeleiding te functioneren, hij is aangewezen op een gestructureerde voorspelbare omgeving. Bij gedragsmatige problematiek is [eiseres] aangewezen op het bijsturen van dat gedrag naar een meer wenselijke situatie. Een korte interventie kan passend zijn, maar er kan ook langduriger (15-30 minuten) ondersteuning nodig zijn. Door het wisselende karakter zal dat regelmatig 1 op 1 ondersteuning betreffen. Voor het vaststellen van de omvang van de ondersteuning heeft de arts gebruik gemaakt van de indicatiewijzer van het CIZ. De arts concludeert dat [eiseres] vanwege zijn leeftijd is aangewezen op doorlopend toezicht in de nabijheid. Maar de intensiteit van het toezicht ligt in zijn geval hoger. Een veilige gestructureerde omgeving is niet voldoende om gedragsmatige problematiek te voorkomen. Dat is bij het ondersteuning moeten bieden aan twee kinderen niet adequaat door één persoon te leveren. Het moeten bieden van 1 op 1 begeleiding is niet-gebruikelijke hulp. De arts acht daarom ondersteuning noodzakelijk in de situatie dat ouders niet samen zijn om ondersteuning te bieden.
Volledig
In de ochtend voor het naar school gaan 1 uur, in de middag voor thuiskomst vader 3 uur en de woensdagmiddag 2,5 uur extra, in totaal 22,5 uur per week. Aanvullend daarop is logeeropvang passend om ouders en broer respijtzorg te bieden, een weekend per twee weken. 10.11. Met betrekking tot [eiser] komt de arts tot de conclusie dat hij door medische problematiek belemmeringen in het dagelijks functioneren ondervindt. Inzet van passende ondersteuning is objectief medisch noodzakelijk. Dat betreft de inzet voor de maag-/darmproblematiek. Het betreft de inzet van begeleiding in de maag-/darmproblematiek en in de prikkelverwerking voor het meer praktische dagelijks functioneren. Uitgaande van de leeftijd van [eiser] is de ondersteuning weliswaar intensiever, maar niet direct aan te merken als voor de leeftijd niet-gebruikelijk. Vanuit het onderzoek blijkt een belaste thuissituatie door de problematiek van de broer van [eiser] . Daarom wordt logeeropvang medisch gezien noodzakelijk geacht; een weekend per twee weken. 10.12. De arts heeft in het advies beschreven dat voortdurend toezicht bij kinderen in de leeftijd van [eiseres] en [eiser] gebruikelijk is. Dat dit toezicht steeds door twee personen moet worden gehouden is echter niet gebruikelijk. De rechtbank kan de arts volgen in de berekening van het aantal uren dat extra ondersteuning nodig is, op de momenten dat niet beide ouders aanwezig zijn. Dat er daarnaast nog extra uren hulp nodig zouden zijn is door eisers onvoldoende onderbouwd. De rechtbank merkt hierbij op dat zij hiermee niets wil afdoen aan de zwaarte van de zorg die de ouders moeten bieden aan hun kinderen. Tussenconclusie 10.13. Het voorgaande leidt ertoe dat, nu de conclusies in het medisch advies gevolgd kunnen worden, het bestreden besluit inhoudelijk overeind kan blijven. Conclusie en gevolgen 10.14. De beroepen in alle zaken zijn gegrond. 10.15. Met betrekking tot de periode die wordt bestreken in de zaken 23/3448 en 23/3449 overweegt de rechtbank dat, nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de situatie wezenlijk anders was, het medisch advies ook voor die periode kan gelden. Daaruit volgt dat de rechtbank zelf kan voorzien in de zaken 23/348 en 23/3449, door te bepalen dat het pgb van [eiseres] vanaf 12 januari 2022 opgehoogd moet worden met 5,5 uur per week begeleiding individueel en de logeeropvang 2 etmalen per twee weken bedraagt voor zowel [eiseres] als voor [eiser] . Aan de besteding van dit pgb wordt niet de voorwaarde verbonden dat het slechts besteed mag worden aan hulpverleners van buiten het gezin. 10.16. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,00 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1, waarbij de rechtbank de beroepen van eisers aanmerkt als samenhangende zaken). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de besluiten van 18 april 2023 en bepaalt dat het pgb van [eiseres] vanaf 12 januari 2022 opgehoogd moet worden met 5,5 uur per week begeleiding individueel en de logeeropvang 2 etmalen per twee weken bedraagt voor zowel [eiseres] als voor [eiser] ; vernietigt het besluit van 19 juli 2024 en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven; bepaalt dat het college het griffierecht van € 151,00 aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,00 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter en mr. H.H. Riemeijer, en mr. L.M. Mons, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097. ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
Volledig
In de ochtend voor het naar school gaan 1 uur, in de middag voor thuiskomst vader 3 uur en de woensdagmiddag 2,5 uur extra, in totaal 22,5 uur per week. Aanvullend daarop is logeeropvang passend om ouders en broer respijtzorg te bieden, een weekend per twee weken. 10.11. Met betrekking tot [eiser] komt de arts tot de conclusie dat hij door medische problematiek belemmeringen in het dagelijks functioneren ondervindt. Inzet van passende ondersteuning is objectief medisch noodzakelijk. Dat betreft de inzet voor de maag-/darmproblematiek. Het betreft de inzet van begeleiding in de maag-/darmproblematiek en in de prikkelverwerking voor het meer praktische dagelijks functioneren. Uitgaande van de leeftijd van [eiser] is de ondersteuning weliswaar intensiever, maar niet direct aan te merken als voor de leeftijd niet-gebruikelijk. Vanuit het onderzoek blijkt een belaste thuissituatie door de problematiek van de broer van [eiser] . Daarom wordt logeeropvang medisch gezien noodzakelijk geacht; een weekend per twee weken. 10.12. De arts heeft in het advies beschreven dat voortdurend toezicht bij kinderen in de leeftijd van [eiseres] en [eiser] gebruikelijk is. Dat dit toezicht steeds door twee personen moet worden gehouden is echter niet gebruikelijk. De rechtbank kan de arts volgen in de berekening van het aantal uren dat extra ondersteuning nodig is, op de momenten dat niet beide ouders aanwezig zijn. Dat er daarnaast nog extra uren hulp nodig zouden zijn is door eisers onvoldoende onderbouwd. De rechtbank merkt hierbij op dat zij hiermee niets wil afdoen aan de zwaarte van de zorg die de ouders moeten bieden aan hun kinderen. Tussenconclusie 10.13. Het voorgaande leidt ertoe dat, nu de conclusies in het medisch advies gevolgd kunnen worden, het bestreden besluit inhoudelijk overeind kan blijven. Conclusie en gevolgen 10.14. De beroepen in alle zaken zijn gegrond. 10.15. Met betrekking tot de periode die wordt bestreken in de zaken 23/3448 en 23/3449 overweegt de rechtbank dat, nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de situatie wezenlijk anders was, het medisch advies ook voor die periode kan gelden. Daaruit volgt dat de rechtbank zelf kan voorzien in de zaken 23/348 en 23/3449, door te bepalen dat het pgb van [eiseres] vanaf 12 januari 2022 opgehoogd moet worden met 5,5 uur per week begeleiding individueel en de logeeropvang 2 etmalen per twee weken bedraagt voor zowel [eiseres] als voor [eiser] . Aan de besteding van dit pgb wordt niet de voorwaarde verbonden dat het slechts besteed mag worden aan hulpverleners van buiten het gezin. 10.16. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,00 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1, waarbij de rechtbank de beroepen van eisers aanmerkt als samenhangende zaken). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de besluiten van 18 april 2023 en bepaalt dat het pgb van [eiseres] vanaf 12 januari 2022 opgehoogd moet worden met 5,5 uur per week begeleiding individueel en de logeeropvang 2 etmalen per twee weken bedraagt voor zowel [eiseres] als voor [eiser] ; vernietigt het besluit van 19 juli 2024 en bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven; bepaalt dat het college het griffierecht van € 151,00 aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,00 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter en mr. H.H. Riemeijer, en mr. L.M. Mons, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097. ECLI:NL:CRVB:2017:1477.