Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-04
ECLI:NL:RBNHO:2025:15953
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
18,176 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/xml public 2026-03-30T08:35:14 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-04 11868045 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/html public 2026-03-05T14:26:55 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 Rechtbank Noord-Holland , 04-12-2025 / 11868045 ontbindingsverzoek op e-grond toegewezen zonder transitievergoeding omdat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 11868045 \ AO VERZ 25-119 Beschikking van 4 december 2025 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN , te Den Haag , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: de Staat, gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer en mr. S.B. Te-Selle, tegen [verzoeker] , te [plaats 1] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H. Loonstein. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond). De kantonrechter beoordeelt dit gedrag ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties; - het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegen- en nevenverzoek, met producties; - aanvullende stukken van de Staat van 31 oktober 2025; - de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en ten behoeve waarvan beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 11 juni 1990 in dienst bij de Staat. [verzoeker] is werkzaam binnen de Belastingdienst in de functie van medewerker Toezicht Buiten bij de directie Midden- en Kleinbedrijf (MKB) met een loon van € 6.110,94 bruto per maand exclusief emolumenten. 2.2. Op [verzoeker] zijn de Ambtenarenwet 2017 (Aw 2017), de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR), de Gedragsregeling voor de digitale werkomgeving, het Personeelsreglement van het ministerie van Financiën van toepassing. In die regelingen staat over geheimhouding en de omgang met vertrouwelijke informatie onder andere dat: - de medewerker verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter beschikking is gekomen; - vertrouwelijke informatie alleen mag worden geraadpleegd en gedeeld voor zover dat nodig is voor het werk; - vertrouwelijke informatie alleen naar Rijksmedewerkers en niet via internet of naar een privé-mailadres mag worden gestuurd; - de geheimhoudingsplicht zo belangrijk is dat overtreding daarvan, naast een strafrechtelijke sanctie, al snel zal leiden tot het in overweging nemen van strafontslag. 2.3. In de (op Intranet geplaatste) brochure ‘een integere Belastingdienst’ staat dat het lekken van vertrouwelijke informatie, anderen daartoe toegang geven, informatie gebruiken voor nevenwerkzaamheden en het raadplegen van systemen voor privézaken of uit nieuwsgierigheid wordt gezien als een ernstige integriteitsschending. 2.4. Binnen de Belastingdienst geldt de Leidraad Juridisch Kader Internetonderzoek 1 juni 2018 waarin is bepaald dat elk onderzoek moet zijn gebaseerd op een opdracht en dat er alleen internetonderzoek mag worden verricht wanneer dit direct relevant kan zijn voor een onderhanden opdracht. 2.5. Sinds 2017 verricht [verzoeker] naast haar functie van toezichtmedewerker ook werkzaamheden voor het Centraal Selectiebureau [plaats 4] (hierna: CSB) van de Belastingdienst. Bij het CSB worden fraudesignalen ‘opgewerkt’ tot onderzoeksopdrachten. Een signaal mag pas (middels een signaalformulier) bij CSB worden ingediend nadat een vaktechnisch adviseur (VTA) ernaar heeft gekeken. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is coördinator van het CSB. 2.6. In een e-mail van 26 september 2022 heeft [betrokkene 1] aan het CSB-team (waaronder [verzoeker] ) laten weten dat CSB vanaf dat moment uitsluitend signalen vanuit de Belastingdienst (intern) en vanuit de Regionale Informatie- en Expertisecentra (Riec) in behandeling neemt en dat alle andere signalen apart worden gelegd. 2.7. Op 11 april 2024 is [verzoeker] door de politie aangehouden op verdenking van computervredebreuk, opzettelijk en wederrechtelijk overnemen of doorgeven van niet-openbare gegevens en schending van het ambtsgeheim. Ook is haar woning doorzocht en is [verzoeker] verhoord door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). 2.8. Aanleiding voor de aanhouding was een aangifte van doxing door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). De doxing zou hebben plaatsgevonden vanaf het account ‘ [Accountnaam] ’, waarmee op 16 juni 2024 het volgende bericht op X is geplaatst: “ Ik heb [betrokkene 2] ooit helemaal uitgezocht uit ergernis. Ik heb alleen niet kunnen achterhalen hoe hij aan een verblijfsvergunning is gekomen. (…) Nee, hij heeft een Israëlische vrouw. Zij werkt. (Woonachtig in [plaats 2] , [wijk] . Ik heb de naam van zijn vrouw vast wel ergens opgeschreven. Maar…ik herinner het mij nu niet (…) ”. Strafrechtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat dit account van [verzoeker] is. 2.9. Op 17 april 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] naar aanleiding van de aanhouding en de op haar rustende verdenking. Aan het eind van het gesprek is [verzoeker] onder doorbetaling van loon geschorst hangende het strafrechtelijk onderzoek. 2.10. Op 22 juli 2025 heeft de Staat van het Openbaar Ministerie (OM) de volgende informatie ontvangen: een proces-verbaal van verdenking van 20 februari 2025 met aanvullingen, een proces-verbaal van verhoor van 11 april 2025 met correctie en een proces-verbaal van 30 juni 2025. 2.11. Op 25 juli 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. 2.12. Op 30 juli 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] om te praten over de inhoud van de aanvullende informatie van het OM. Tijdens dit gesprek is aan [verzoeker] verteld dat de directie MKB het voorstel zal doen aan het bevoegd gezag om een ontbindingsprocedure te starten. 2.13. Op 2 september 2025 heeft de Staat een ontbindingsverzoek ingediend. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair vanwege de cumulatiegrond (i-grond). De Staat heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verzoeker] in strijd met de voor haar geldende regels (herhaaldelijk): (a) belastingdienstsystemen heeft geraadpleegd voor niet-zakelijke doeleinden en (b) informatie uit de belastingsystemen heeft gedeeld met een of meerdere derden. [verzoeker] heeft bovendien onvoldoende openheid van zaken hierover gegeven. Daarmee heeft [verzoeker] haar ambtelijke geheimhoudingsplicht geschonden, misbruik gemaakt van de systemen en in strijd gehandeld met de kernwaarden van de Belastingdienst. Door dit alles is de Staat het noodzakelijk vertrouwen in [verzoeker] definitief en onherstelbaar verloren. Herplaatsing ligt niet in de rede en vanwege het ernstig verwijtbare karakter van het gedrag moet er worden ontbonden zonder toepassing van een opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. 3.2. [verzoeker] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek en verzoekt om afwijzing daarvan. [verzoeker] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [verzoeker] betwist dat zij voor privé-doeleinden zaken heeft uitgezocht. Zij deed dat in het kader van haar werkzaamheden bij CSB en deze werkwijze was gebruikelijk en werd door de werkgever aangemoedigd.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/xml public 2026-04-07T12:23:20 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-04 11868045 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0515 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0515 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/html public 2026-03-05T14:26:55 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 Rechtbank Noord-Holland , 04-12-2025 / 11868045 ontbindingsverzoek op e-grond toegewezen zonder transitievergoeding omdat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 11868045 \ AO VERZ 25-119 Beschikking van 4 december 2025 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN , te Den Haag , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: de Staat, gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer en mr. S.B. Te-Selle, tegen [verzoeker] , te [plaats 1] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H. Loonstein. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond). De kantonrechter beoordeelt dit gedrag ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties; - het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegen- en nevenverzoek, met producties; - aanvullende stukken van de Staat van 31 oktober 2025; - de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en ten behoeve waarvan beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 11 juni 1990 in dienst bij de Staat. [verzoeker] is werkzaam binnen de Belastingdienst in de functie van medewerker Toezicht Buiten bij de directie Midden- en Kleinbedrijf (MKB) met een loon van € 6.110,94 bruto per maand exclusief emolumenten. 2.2. Op [verzoeker] zijn de Ambtenarenwet 2017 (Aw 2017), de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR), de Gedragsregeling voor de digitale werkomgeving, het Personeelsreglement van het ministerie van Financiën van toepassing. In die regelingen staat over geheimhouding en de omgang met vertrouwelijke informatie onder andere dat: - de medewerker verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter beschikking is gekomen; - vertrouwelijke informatie alleen mag worden geraadpleegd en gedeeld voor zover dat nodig is voor het werk; - vertrouwelijke informatie alleen naar Rijksmedewerkers en niet via internet of naar een privé-mailadres mag worden gestuurd; - de geheimhoudingsplicht zo belangrijk is dat overtreding daarvan, naast een strafrechtelijke sanctie, al snel zal leiden tot het in overweging nemen van strafontslag. 2.3. In de (op Intranet geplaatste) brochure ‘een integere Belastingdienst’ staat dat het lekken van vertrouwelijke informatie, anderen daartoe toegang geven, informatie gebruiken voor nevenwerkzaamheden en het raadplegen van systemen voor privézaken of uit nieuwsgierigheid wordt gezien als een ernstige integriteitsschending. 2.4. Binnen de Belastingdienst geldt de Leidraad Juridisch Kader Internetonderzoek 1 juni 2018 waarin is bepaald dat elk onderzoek moet zijn gebaseerd op een opdracht en dat er alleen internetonderzoek mag worden verricht wanneer dit direct relevant kan zijn voor een onderhanden opdracht. 2.5. Sinds 2017 verricht [verzoeker] naast haar functie van toezichtmedewerker ook werkzaamheden voor het Centraal Selectiebureau [plaats 4] (hierna: CSB) van de Belastingdienst. Bij het CSB worden fraudesignalen ‘opgewerkt’ tot onderzoeksopdrachten. Een signaal mag pas (middels een signaalformulier) bij CSB worden ingediend nadat een vaktechnisch adviseur (VTA) ernaar heeft gekeken. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is coördinator van het CSB. 2.6. In een e-mail van 26 september 2022 heeft [betrokkene 1] aan het CSB-team (waaronder [verzoeker] ) laten weten dat CSB vanaf dat moment uitsluitend signalen vanuit de Belastingdienst (intern) en vanuit de Regionale Informatie- en Expertisecentra (Riec) in behandeling neemt en dat alle andere signalen apart worden gelegd. 2.7. Op 11 april 2024 is [verzoeker] door de politie aangehouden op verdenking van computervredebreuk, opzettelijk en wederrechtelijk overnemen of doorgeven van niet-openbare gegevens en schending van het ambtsgeheim. Ook is haar woning doorzocht en is [verzoeker] verhoord door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). 2.8. Aanleiding voor de aanhouding was een aangifte van doxing door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). De doxing zou hebben plaatsgevonden vanaf het account ‘ [Accountnaam] ’, waarmee op 16 juni 2024 het volgende bericht op X is geplaatst: “ Ik heb [betrokkene 2] ooit helemaal uitgezocht uit ergernis. Ik heb alleen niet kunnen achterhalen hoe hij aan een verblijfsvergunning is gekomen. (…) Nee, hij heeft een Israëlische vrouw. Zij werkt. (Woonachtig in [plaats 2] , [wijk] . Ik heb de naam van zijn vrouw vast wel ergens opgeschreven. Maar…ik herinner het mij nu niet (…) ”. Strafrechtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat dit account van [verzoeker] is. 2.9. Op 17 april 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] naar aanleiding van de aanhouding en de op haar rustende verdenking. Aan het eind van het gesprek is [verzoeker] onder doorbetaling van loon geschorst hangende het strafrechtelijk onderzoek. 2.10. Op 22 juli 2025 heeft de Staat van het Openbaar Ministerie (OM) de volgende informatie ontvangen: een proces-verbaal van verdenking van 20 februari 2025 met aanvullingen, een proces-verbaal van verhoor van 11 april 2025 met correctie en een proces-verbaal van 30 juni 2025. 2.11. Op 25 juli 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. 2.12. Op 30 juli 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] om te praten over de inhoud van de aanvullende informatie van het OM. Tijdens dit gesprek is aan [verzoeker] verteld dat de directie MKB het voorstel zal doen aan het bevoegd gezag om een ontbindingsprocedure te starten. 2.13. Op 2 september 2025 heeft de Staat een ontbindingsverzoek ingediend. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair vanwege de cumulatiegrond (i-grond). De Staat heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verzoeker] in strijd met de voor haar geldende regels (herhaaldelijk): (a) belastingdienstsystemen heeft geraadpleegd voor niet-zakelijke doeleinden en (b) informatie uit de belastingsystemen heeft gedeeld met een of meerdere derden. [verzoeker] heeft bovendien onvoldoende openheid van zaken hierover gegeven. Daarmee heeft [verzoeker] haar ambtelijke geheimhoudingsplicht geschonden, misbruik gemaakt van de systemen en in strijd gehandeld met de kernwaarden van de Belastingdienst. Door dit alles is de Staat het noodzakelijk vertrouwen in [verzoeker] definitief en onherstelbaar verloren. Herplaatsing ligt niet in de rede en vanwege het ernstig verwijtbare karakter van het gedrag moet er worden ontbonden zonder toepassing van een opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. 3.2. [verzoeker] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek en verzoekt om afwijzing daarvan. [verzoeker] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [verzoeker] betwist dat zij voor privé-doeleinden zaken heeft uitgezocht. Zij deed dat in het kader van haar werkzaamheden bij CSB en deze werkwijze was gebruikelijk en werd door de werkgever aangemoedigd.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/xml public 2026-04-07T12:23:20 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-04 11868045 Uitspraak Beschikking NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0515 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0515 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 text/html public 2026-03-05T14:26:55 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15953 Rechtbank Noord-Holland , 04-12-2025 / 11868045 ontbindingsverzoek op e-grond toegewezen zonder transitievergoeding omdat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer / rekestnummer: 11868045 \ AO VERZ 25-119 Beschikking van 4 december 2025 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN , te Den Haag , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: de Staat, gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer en mr. S.B. Te-Selle, tegen [verzoeker] , te [plaats 1] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. H. Loonstein. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond). De kantonrechter beoordeelt dit gedrag ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties; - het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegen- en nevenverzoek, met producties; - aanvullende stukken van de Staat van 31 oktober 2025; - de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en ten behoeve waarvan beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 11 juni 1990 in dienst bij de Staat. [verzoeker] is werkzaam binnen de Belastingdienst in de functie van medewerker Toezicht Buiten bij de directie Midden- en Kleinbedrijf (MKB) met een loon van € 6.110,94 bruto per maand exclusief emolumenten. 2.2. Op [verzoeker] zijn de Ambtenarenwet 2017 (Aw 2017), de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR), de Gedragsregeling voor de digitale werkomgeving, het Personeelsreglement van het ministerie van Financiën van toepassing. In die regelingen staat over geheimhouding en de omgang met vertrouwelijke informatie onder andere dat:- de medewerker verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter beschikking is gekomen; - vertrouwelijke informatie alleen mag worden geraadpleegd en gedeeld voor zover dat nodig is voor het werk;- vertrouwelijke informatie alleen naar Rijksmedewerkers en niet via internet of naar een privé-mailadres mag worden gestuurd; - de geheimhoudingsplicht zo belangrijk is dat overtreding daarvan, naast een strafrechtelijke sanctie, al snel zal leiden tot het in overweging nemen van strafontslag. 2.3. In de (op Intranet geplaatste) brochure ‘een integere Belastingdienst’ staat dat het lekken van vertrouwelijke informatie, anderen daartoe toegang geven, informatie gebruiken voor nevenwerkzaamheden en het raadplegen van systemen voor privézaken of uit nieuwsgierigheid wordt gezien als een ernstige integriteitsschending. 2.4. Binnen de Belastingdienst geldt de Leidraad Juridisch Kader Internetonderzoek 1 juni 2018 waarin is bepaald dat elk onderzoek moet zijn gebaseerd op een opdracht en dat er alleen internetonderzoek mag worden verricht wanneer dit direct relevant kan zijn voor een onderhanden opdracht. 2.5. Sinds 2017 verricht [verzoeker] naast haar functie van toezichtmedewerker ook werkzaamheden voor het Centraal Selectiebureau [plaats 4] (hierna: CSB) van de Belastingdienst. Bij het CSB worden fraudesignalen ‘opgewerkt’ tot onderzoeksopdrachten. Een signaal mag pas (middels een signaalformulier) bij CSB worden ingediend nadat een vaktechnisch adviseur (VTA) ernaar heeft gekeken. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is coördinator van het CSB. 2.6. In een e-mail van 26 september 2022 heeft [betrokkene 1] aan het CSB-team (waaronder [verzoeker] ) laten weten dat CSB vanaf dat moment uitsluitend signalen vanuit de Belastingdienst (intern) en vanuit de Regionale Informatie- en Expertisecentra (Riec) in behandeling neemt en dat alle andere signalen apart worden gelegd. 2.7. Op 11 april 2024 is [verzoeker] door de politie aangehouden op verdenking van computervredebreuk, opzettelijk en wederrechtelijk overnemen of doorgeven van niet-openbare gegevens en schending van het ambtsgeheim. Ook is haar woning doorzocht en is [verzoeker] verhoord door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). 2.8. Aanleiding voor de aanhouding was een aangifte van doxing door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). De doxing zou hebben plaatsgevonden vanaf het account ‘ [Accountnaam] ’, waarmee op 16 juni 2024 het volgende bericht op X is geplaatst: “ Ik heb [betrokkene 2] ooit helemaal uitgezocht uit ergernis. Ik heb alleen niet kunnen achterhalen hoe hij aan een verblijfsvergunning is gekomen. (…) Nee, hij heeft een Israëlische vrouw. Zij werkt. (Woonachtig in [plaats 2] , [wijk] . Ik heb de naam van zijn vrouw vast wel ergens opgeschreven. Maar…ik herinner het mij nu niet (…) ”. Strafrechtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat dit account van [verzoeker] is. 2.9. Op 17 april 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] naar aanleiding van de aanhouding en de op haar rustende verdenking. Aan het eind van het gesprek is [verzoeker] onder doorbetaling van loon geschorst hangende het strafrechtelijk onderzoek. 2.10. Op 22 juli 2025 heeft de Staat van het Openbaar Ministerie (OM) de volgende informatie ontvangen: een proces-verbaal van verdenking van 20 februari 2025 met aanvullingen, een proces-verbaal van verhoor van 11 april 2025 met correctie en een proces-verbaal van 30 juni 2025. 2.11. Op 25 juli 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. 2.12. Op 30 juli 2025 heeft de Staat een gesprek gevoerd met [verzoeker] om te praten over de inhoud van de aanvullende informatie van het OM. Tijdens dit gesprek is aan [verzoeker] verteld dat de directie MKB het voorstel zal doen aan het bevoegd gezag om een ontbindingsprocedure te starten. 2.13. Op 2 september 2025 heeft de Staat een ontbindingsverzoek ingediend. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair vanwege de cumulatiegrond (i-grond). De Staat heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verzoeker] in strijd met de voor haar geldende regels (herhaaldelijk): (a) belastingdienstsystemen heeft geraadpleegd voor niet-zakelijke doeleinden en (b) informatie uit de belastingsystemen heeft gedeeld met een of meerdere derden. [verzoeker] heeft bovendien onvoldoende openheid van zaken hierover gegeven. Daarmee heeft [verzoeker] haar ambtelijke geheimhoudingsplicht geschonden, misbruik gemaakt van de systemen en in strijd gehandeld met de kernwaarden van de Belastingdienst. Door dit alles is de Staat het noodzakelijk vertrouwen in [verzoeker] definitief en onherstelbaar verloren. Herplaatsing ligt niet in de rede en vanwege het ernstig verwijtbare karakter van het gedrag moet er worden ontbonden zonder toepassing van een opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding. 3.2. [verzoeker] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek en verzoekt om afwijzing daarvan. [verzoeker] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [verzoeker] betwist dat zij voor privé-doeleinden zaken heeft uitgezocht. Zij deed dat in het kader van haar werkzaamheden bij CSB en deze werkwijze was gebruikelijk en werd door de werkgever aangemoedigd.
Volledig
[verzoeker] erkent dat zij twee keer iets heeft gedaan wat zij niet had moeten doen, maar dat rechtvaardigt – gelet op haar (64-jarige) leeftijd en slechte arbeidsmarktpositie - geen ontbinding van haar lange (35-jarige) onberispelijke dienstverband. Volgens [verzoeker] moet de Staat de strafzaak afwachten en de mogelijkheid tot herplaatsing onderzoeken. Verder meent [verzoeker] dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verzoeker] om rekening te houden met de geldende opzegtermijn, een transitie-, cumulatie- en billijke vergoeding ten laste van De Staat toe te kennen en de Staat te veroordelen tot betaling van een correcte eindafrekening. 4 De beoordeling van het verzoek 4.1. Bij aanvang van de mondelinge behandeling is het bezwaar van mr. Loonstein tegen de aanwezigheid ter zitting van de heren [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van de Belastingdienst besproken. Dit heeft ertoe geleid dat, ter voorkoming van beïnvloeding van mogelijke getuigen, partijen met elkaar hebben afgesproken dat genoemde personen pas bij de zitting aansluiten nadat de kantonrechter [verzoeker] over het feitencomplex heeft bevraagd. 4.2. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. het opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding 4.4. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verzoeker] sinds 25 juli 2025 wegens ziekte ongeschikt is voor haar werk. Dit opzegverbod echter staat niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag, danwel een verstoorde arbeidsverhouding danwel een combinatie van beide en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verzoeker] . er is een redelijke (e-)grond voor ontbinding 4.5. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] dat van de Staat in redelijkhheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht. 4.6. De Staat verzoekt primair ontbinding op de e-grond wegens het herhaaldelijk en in strijd met de regels (a) raadplegen van de belastingdienstsystemen voor niet-zakelijke doeleinden en (b) het delen van informatie uit die systemen met derden. De Staat heeft vijf concrete gevallen genoemd waarin dit zou zijn gebeurd: [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [bedrijf 1] , [straat 1] / [straat 2] , [betrokkene 5] en de vader van [verzoeker] . 4.7. De Staat baseert zich daarbij op de processen-verbaal waaruit volgt dat [verzoeker] : a. a) op 24 november 2023 onder werktijd in de systemen van de belastingdienst (hierna: de systemen) heeft gezocht op de burgerservicenummers (bsn) van [betrokkene 2] en zijn vrouw. Vervolgens heeft [verzoeker] op 16 juni 2024 berichten op X geplaatst over [betrokkene 2] en zijn vrouw; b) op zondag 18 augustus 2024 berichten op X heeft geplaatst over de heer [betrokkene 4] , waarin zij hem onder andere een “ parasiet ”, “ simpele ziel ”, “ oplichter ”, “ dikke man ” en een “ mislukte man ” noemt. Ook bericht zij: “ je lijkt me een oplichter. En weet je…dat is nou net mijn werk hen hobby. Ik denk dat wij elkaar nog wel gaan zien ”. Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2024 in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van de heer [betrokkene 4] en zijn bedrijven, waarna [verzoeker] op 20 augustus 2024 de volgende berichten op X over [betrokkene 4] heeft geplaatst: “ Heb je je oude Daimler nog? Of was het nou een Jaguar? Maakt indruk he zo’n karretje ”. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verzoeker] zijn kladblokken gevonden met aantekeningen over [betrokkene 4] die overeenkomen met de informatie uit het systeem van de Belastingdienst. c) op 17 oktober 2024 berichten op X heeft geplaatst over (de bestuurder van) [bedrijf 1] : “ Nou, dit lijkt me een betrouwbare zorgorganisatie. Controleur bij de [bedrijf 3] , iedereen kan zomaar een zorgonderneming beginnen. Ik vind dat slecht hoor” . Deze berichten waren een reactie op berichten van de bestuurder van [bedrijf 1] over genocide en de slachtofferrol. In het verhoor heeft [verzoeker] aangegeven dat ze de berichten had geplaatst om “te zieken”. Diezelfde dag heeft [verzoeker] in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] . d) op 16 december 2024 fiscale gegevens van postcode [postcode] , [straat 1] te [plaats 3] heeft geraadpleegd, nadat daar op 15 december 2024 een explosie had plaatsgevonden. [verzoeker] heeft ook het adres van een bruidswinkel in [plaats 2] ( [straat 2] ) opgezocht nadat daar een dodelijke explosie had plaatsgevonden. e) op 18 december 2024 een schermafbeelding uit de aangifte vennootschapsbelasting 2022 van het bedrijf [betrokkene 5] vanuit de systemen heeft gemaild naar haar privé-mailadres. Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2025 een bericht op X geplaatst waarin de hoogte van het salaris van een aandeelhouder/medewerker van [betrokkene 5] wordt genoemd. Verder heeft [verzoeker] in gesprekken met de Staat erkend dat zij in de systemen het adres van haar vader heeft opgezocht en gedeeld met haar broer. 4.8. De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor wat betreft [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en het adres van de vader erkent [verzoeker] dat zij dit niet had mogen doen. Het is evident dat [verzoeker] in die gevallen in strijd met de regels heeft gehandeld en het systeem bij herhaling en onbevoegd (zonder zakelijke reden) heeft gebruikt. Deze regels schrijven immers voor dat de systemen niet uit nieuwsgierigheid (volgens [verzoeker] was zij nieuwsgierig naar de nationaliteit van [betrokkene 2] omdat hij anti-Joods is en zij met hem in de clinch lag) of voor privé-zaken (adres vader) mogen worden geraadpleegd, dat vertrouwelijke informatie uit de systemen niet naar een privé-mailadres mag worden gestuurd ( [betrokkene 5] , volgens [verzoeker] omdat zij zag dat dit bedrijf zonnepanelen op boerenland plaatst waar zij het niet mee eens is en zij de website van het bedrijf thuis verder wilde bekijken) en niet met derden mag worden gedeeld ( [betrokkene 5] en adres vader). 4.9. Voor wat betreft de [straat 1] heeft [verzoeker] verklaard dat zij de raadplegingen heeft gedaan omdat er explosies hadden plaatsgevonden en ze wilde kijken of daar malafide bedrijven zitten. Naar het oordeel van de kantonrechter valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet in te zien hoe deze raadplegingen een zakelijk karakter kunnen hebben. Daarbij wordt verwezen naar wat onder 4.11 hierna wordt overwogen over de werkwijze bij CSB. Voor wat betreft de [straat 2] heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist dat zij de systemen heeft geraadpleegd, zodat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ook in dit geval de systemen heeft geraadpleegd. 4.10. Voor wat betreft [betrokkene 4] en [bedrijf 1] heeft de Staat onbetwist gesteld dat deze entiteiten niet voorkomen in de controleopdrachten voor boekenonderzoek, niet voorkomen in het masterbestand van CSB (waarin de door CSB te onderzoeken entiteiten zijn opgenomen) en dat zij buiten het werkveld van [verzoeker] vallen (kleine ondernemingen in de regio [plaats 4] ).
Volledig
[verzoeker] erkent dat zij twee keer iets heeft gedaan wat zij niet had moeten doen, maar dat rechtvaardigt – gelet op haar (64-jarige) leeftijd en slechte arbeidsmarktpositie - geen ontbinding van haar lange (35-jarige) onberispelijke dienstverband. Volgens [verzoeker] moet de Staat de strafzaak afwachten en de mogelijkheid tot herplaatsing onderzoeken. Verder meent [verzoeker] dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verzoeker] om rekening te houden met de geldende opzegtermijn, een transitie-, cumulatie- en billijke vergoeding ten laste van De Staat toe te kennen en de Staat te veroordelen tot betaling van een correcte eindafrekening. 4 De beoordeling van het verzoek 4.1. Bij aanvang van de mondelinge behandeling is het bezwaar van mr. Loonstein tegen de aanwezigheid ter zitting van de heren [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van de Belastingdienst besproken. Dit heeft ertoe geleid dat, ter voorkoming van beïnvloeding van mogelijke getuigen, partijen met elkaar hebben afgesproken dat genoemde personen pas bij de zitting aansluiten nadat de kantonrechter [verzoeker] over het feitencomplex heeft bevraagd. 4.2. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. het opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding 4.4. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verzoeker] sinds 25 juli 2025 wegens ziekte ongeschikt is voor haar werk. Dit opzegverbod echter staat niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag, danwel een verstoorde arbeidsverhouding danwel een combinatie van beide en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verzoeker] . er is een redelijke (e-)grond voor ontbinding 4.5. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] dat van de Staat in redelijkhheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht. 4.6. De Staat verzoekt primair ontbinding op de e-grond wegens het herhaaldelijk en in strijd met de regels (a) raadplegen van de belastingdienstsystemen voor niet-zakelijke doeleinden en (b) het delen van informatie uit die systemen met derden. De Staat heeft vijf concrete gevallen genoemd waarin dit zou zijn gebeurd: [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [bedrijf 1] , [straat 1] / [straat 2] , [betrokkene 5] en de vader van [verzoeker] . 4.7. De Staat baseert zich daarbij op de processen-verbaal waaruit volgt dat [verzoeker] : a. a) op 24 november 2023 onder werktijd in de systemen van de belastingdienst (hierna: de systemen) heeft gezocht op de burgerservicenummers (bsn) van [betrokkene 2] en zijn vrouw. Vervolgens heeft [verzoeker] op 16 juni 2024 berichten op X geplaatst over [betrokkene 2] en zijn vrouw; b) op zondag 18 augustus 2024 berichten op X heeft geplaatst over de heer [betrokkene 4] , waarin zij hem onder andere een “ parasiet ”, “ simpele ziel ”, “ oplichter ”, “ dikke man ” en een “ mislukte man ” noemt. Ook bericht zij: “ je lijkt me een oplichter. En weet je…dat is nou net mijn werk hen hobby. Ik denk dat wij elkaar nog wel gaan zien ”. Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2024 in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van de heer [betrokkene 4] en zijn bedrijven, waarna [verzoeker] op 20 augustus 2024 de volgende berichten op X over [betrokkene 4] heeft geplaatst: “ Heb je je oude Daimler nog? Of was het nou een Jaguar? Maakt indruk he zo’n karretje ”. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verzoeker] zijn kladblokken gevonden met aantekeningen over [betrokkene 4] die overeenkomen met de informatie uit het systeem van de Belastingdienst. c) op 17 oktober 2024 berichten op X heeft geplaatst over (de bestuurder van) [bedrijf 1] : “ Nou, dit lijkt me een betrouwbare zorgorganisatie. Controleur bij de [bedrijf 3] , iedereen kan zomaar een zorgonderneming beginnen. Ik vind dat slecht hoor” . Deze berichten waren een reactie op berichten van de bestuurder van [bedrijf 1] over genocide en de slachtofferrol. In het verhoor heeft [verzoeker] aangegeven dat ze de berichten had geplaatst om “te zieken”. Diezelfde dag heeft [verzoeker] in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] . d) op 16 december 2024 fiscale gegevens van postcode [postcode] , [straat 1] te [plaats 3] heeft geraadpleegd, nadat daar op 15 december 2024 een explosie had plaatsgevonden. [verzoeker] heeft ook het adres van een bruidswinkel in [plaats 2] ( [straat 2] ) opgezocht nadat daar een dodelijke explosie had plaatsgevonden. e) op 18 december 2024 een schermafbeelding uit de aangifte vennootschapsbelasting 2022 van het bedrijf [betrokkene 5] vanuit de systemen heeft gemaild naar haar privé-mailadres. Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2025 een bericht op X geplaatst waarin de hoogte van het salaris van een aandeelhouder/medewerker van [betrokkene 5] wordt genoemd. Verder heeft [verzoeker] in gesprekken met de Staat erkend dat zij in de systemen het adres van haar vader heeft opgezocht en gedeeld met haar broer. 4.8. De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor wat betreft [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en het adres van de vader erkent [verzoeker] dat zij dit niet had mogen doen. Het is evident dat [verzoeker] in die gevallen in strijd met de regels heeft gehandeld en het systeem bij herhaling en onbevoegd (zonder zakelijke reden) heeft gebruikt. Deze regels schrijven immers voor dat de systemen niet uit nieuwsgierigheid (volgens [verzoeker] was zij nieuwsgierig naar de nationaliteit van [betrokkene 2] omdat hij anti-Joods is en zij met hem in de clinch lag) of voor privé-zaken (adres vader) mogen worden geraadpleegd, dat vertrouwelijke informatie uit de systemen niet naar een privé-mailadres mag worden gestuurd ( [betrokkene 5] , volgens [verzoeker] omdat zij zag dat dit bedrijf zonnepanelen op boerenland plaatst waar zij het niet mee eens is en zij de website van het bedrijf thuis verder wilde bekijken) en niet met derden mag worden gedeeld ( [betrokkene 5] en adres vader). 4.9. Voor wat betreft de [straat 1] heeft [verzoeker] verklaard dat zij de raadplegingen heeft gedaan omdat er explosies hadden plaatsgevonden en ze wilde kijken of daar malafide bedrijven zitten. Naar het oordeel van de kantonrechter valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet in te zien hoe deze raadplegingen een zakelijk karakter kunnen hebben. Daarbij wordt verwezen naar wat onder 4.11 hierna wordt overwogen over de werkwijze bij CSB. Voor wat betreft de [straat 2] heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist dat zij de systemen heeft geraadpleegd, zodat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ook in dit geval de systemen heeft geraadpleegd. 4.10. Voor wat betreft [betrokkene 4] en [bedrijf 1] heeft de Staat onbetwist gesteld dat deze entiteiten niet voorkomen in de controleopdrachten voor boekenonderzoek, niet voorkomen in het masterbestand van CSB (waarin de door CSB te onderzoeken entiteiten zijn opgenomen) en dat zij buiten het werkveld van [verzoeker] vallen (kleine ondernemingen in de regio [plaats 4] ).
Volledig
[verzoeker] erkent dat zij twee keer iets heeft gedaan wat zij niet had moeten doen, maar dat rechtvaardigt – gelet op haar (64-jarige) leeftijd en slechte arbeidsmarktpositie - geen ontbinding van haar lange (35-jarige) onberispelijke dienstverband. Volgens [verzoeker] moet de Staat de strafzaak afwachten en de mogelijkheid tot herplaatsing onderzoeken. Verder meent [verzoeker] dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verzoeker] om rekening te houden met de geldende opzegtermijn, een transitie-, cumulatie- en billijke vergoeding ten laste van De Staat toe te kennen en de Staat te veroordelen tot betaling van een correcte eindafrekening. 4 De beoordeling van het verzoek 4.1. Bij aanvang van de mondelinge behandeling is het bezwaar van mr. Loonstein tegen de aanwezigheid ter zitting van de heren [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van de Belastingdienst besproken. Dit heeft ertoe geleid dat, ter voorkoming van beïnvloeding van mogelijke getuigen, partijen met elkaar hebben afgesproken dat genoemde personen pas bij de zitting aansluiten nadat de kantonrechter [verzoeker] over het feitencomplex heeft bevraagd. 4.2. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 4.3. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. het opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding 4.4. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verzoeker] sinds 25 juli 2025 wegens ziekte ongeschikt is voor haar werk. Dit opzegverbod echter staat niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag, danwel een verstoorde arbeidsverhouding danwel een combinatie van beide en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verzoeker] . er is een redelijke (e-)grond voor ontbinding 4.5. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] dat van de Staat in redelijkhheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht. 4.6. De Staat verzoekt primair ontbinding op de e-grond wegens het herhaaldelijk en in strijd met de regels (a) raadplegen van de belastingdienstsystemen voor niet-zakelijke doeleinden en (b) het delen van informatie uit die systemen met derden. De Staat heeft vijf concrete gevallen genoemd waarin dit zou zijn gebeurd: [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [bedrijf 1] , [straat 1] / [straat 2] , [betrokkene 5] en de vader van [verzoeker] . 4.7. De Staat baseert zich daarbij op de processen-verbaal waaruit volgt dat [verzoeker] : a. a) op 24 november 2023 onder werktijd in de systemen van de belastingdienst (hierna: de systemen) heeft gezocht op de burgerservicenummers (bsn) van [betrokkene 2] en zijn vrouw. Vervolgens heeft [verzoeker] op 16 juni 2024 berichten op X geplaatst over [betrokkene 2] en zijn vrouw; b) op zondag 18 augustus 2024 berichten op X heeft geplaatst over de heer [betrokkene 4] , waarin zij hem onder andere een “ parasiet ”, “ simpele ziel ”, “ oplichter ”, “ dikke man ” en een “ mislukte man ” noemt. Ook bericht zij: “ je lijkt me een oplichter. En weet je…dat is nou net mijn werk hen hobby. Ik denk dat wij elkaar nog wel gaan zien ”.Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2024 in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van de heer [betrokkene 4] en zijn bedrijven, waarna [verzoeker] op 20 augustus 2024 de volgende berichten op X over [betrokkene 4] heeft geplaatst: “ Heb je je oude Daimler nog? Of was het nou een Jaguar? Maakt indruk he zo’n karretje ”. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verzoeker] zijn kladblokken gevonden met aantekeningen over [betrokkene 4] die overeenkomen met de informatie uit het systeem van de Belastingdienst. c) op 17 oktober 2024 berichten op X heeft geplaatst over (de bestuurder van) [bedrijf 1] : “ Nou, dit lijkt me een betrouwbare zorgorganisatie. Controleur bij de [bedrijf 3] , iedereen kan zomaar een zorgonderneming beginnen. Ik vind dat slecht hoor” . Deze berichten waren een reactie op berichten van de bestuurder van [bedrijf 1] over genocide en de slachtofferrol. In het verhoor heeft [verzoeker] aangegeven dat ze de berichten had geplaatst om “te zieken”. Diezelfde dag heeft [verzoeker] in de systemen gezocht op adresgegevens, contactgegevens, bankgegevens, loongegevens, voertuigen, openstaande belastingschulden en de aangifte voor omzetbelasting, loonheffing en vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] . d) op 16 december 2024 fiscale gegevens van postcode [postcode] , [straat 1] te [plaats 3] heeft geraadpleegd, nadat daar op 15 december 2024 een explosie had plaatsgevonden. [verzoeker] heeft ook het adres van een bruidswinkel in [plaats 2] ( [straat 2] ) opgezocht nadat daar een dodelijke explosie had plaatsgevonden.e) op 18 december 2024 een schermafbeelding uit de aangifte vennootschapsbelasting 2022 van het bedrijf [betrokkene 5] vanuit de systemen heeft gemaild naar haar privé-mailadres. Vervolgens heeft [verzoeker] op 19 augustus 2025 een bericht op X geplaatst waarin de hoogte van het salaris van een aandeelhouder/medewerker van [betrokkene 5] wordt genoemd.Verder heeft [verzoeker] in gesprekken met de Staat erkend dat zij in de systemen het adres van haar vader heeft opgezocht en gedeeld met haar broer. 4.8. De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor wat betreft [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en het adres van de vader erkent [verzoeker] dat zij dit niet had mogen doen. Het is evident dat [verzoeker] in die gevallen in strijd met de regels heeft gehandeld en het systeem bij herhaling en onbevoegd (zonder zakelijke reden) heeft gebruikt. Deze regels schrijven immers voor dat de systemen niet uit nieuwsgierigheid (volgens [verzoeker] was zij nieuwsgierig naar de nationaliteit van [betrokkene 2] omdat hij anti-Joods is en zij met hem in de clinch lag) of voor privé-zaken (adres vader) mogen worden geraadpleegd, dat vertrouwelijke informatie uit de systemen niet naar een privé-mailadres mag worden gestuurd ( [betrokkene 5] , volgens [verzoeker] omdat zij zag dat dit bedrijf zonnepanelen op boerenland plaatst waar zij het niet mee eens is en zij de website van het bedrijf thuis verder wilde bekijken) en niet met derden mag worden gedeeld ( [betrokkene 5] en adres vader). 4.9. Voor wat betreft de [straat 1] heeft [verzoeker] verklaard dat zij de raadplegingen heeft gedaan omdat er explosies hadden plaatsgevonden en ze wilde kijken of daar malafide bedrijven zitten. Naar het oordeel van de kantonrechter valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet in te zien hoe deze raadplegingen een zakelijk karakter kunnen hebben. Daarbij wordt verwezen naar wat onder 4.11 hierna wordt overwogen over de werkwijze bij CSB. Voor wat betreft de [straat 2] heeft [verzoeker] gemotiveerd betwist dat zij de systemen heeft geraadpleegd, zodat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ook in dit geval de systemen heeft geraadpleegd. 4.10. Voor wat betreft [betrokkene 4] en [bedrijf 1] heeft de Staat onbetwist gesteld dat deze entiteiten niet voorkomen in de controleopdrachten voor boekenonderzoek, niet voorkomen in het masterbestand van CSB (waarin de door CSB te onderzoeken entiteiten zijn opgenomen) en dat zij buiten het werkveld van [verzoeker] vallen (kleine ondernemingen in de regio [plaats 4] ).
Volledig
Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat de raadplegingen niet hebben plaatsgevonden in het kader van de (reguliere) werkzaamheden van [verzoeker] als toezichthouder of voor CSB. 4.11. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij [betrokkene 4] en [bedrijf 1] in de systemen heeft opgezocht omdat zij ‘iets op het spoor was’ en (zorg-)fraude vermoedde, maar dat vindt de kantonrechter niet geloofwaardig. Ten eerste omdat [verzoeker] desgevraagd niet kon aangeven waarop haar vermoedens gebaseerd waren. Ten tweede omdat [verzoeker] haar vermoedens destijds niet (als signaal) bij haar coördinator aangebracht. Dat had wel voor de hand had gelegen als zij er daadwerkelijk van overtuigd was dat zij fraude op het spoor was en meende dat haar werkwijze was toegestaan. Ten derde omdat [verzoeker] in het verhoor bij de FIOD heeft verklaard dat zij [betrokkene 4] uit nieuwsgierigheid heeft opgezocht , hetgeen evident ontoelaatbaar is, en zij over [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de berichten op X heeft geplaatst om “te zieken” . Gelet hierop en vanwege de timing van de raadplegingen in relatie tot (de inhoud van) de berichten op X, ontstaat het beeld dat wanneer [verzoeker] op X iemand tegenkomt die andere opvattingen heeft dan zijzelf, dit voor haar aanleiding was om de systemen van de Belastingdienst te raadplegen om de verkregen informatie weer voor haar berichtgeving op X te gebruiken. Het spreekt voor zich dat dat zonder meer ontoelaatbaar is. 4.12. Voor zover [verzoeker] heeft bepleit dat het binnen de Belastingdienst gebruikelijk was (en werd aangemoedigd) om zonder opdracht en op eigen initiatief de systemen te raadplegen naar aanleiding van signalen/waarnemingen die zij in privé (bijvoorbeeld de krant of tv) heeft opgedaan, heeft De Staat dit succesvol weerlegd. De Staat heeft ter onderbouwing verwezen naar de strikte regels over de omgang met vertrouwelijke gegevens , zoals de Leidraad waarin staat dat elk onderzoek is gebaseerd op een opdracht. Verder is verwezen naar de e-mail van [betrokkene 1] van 26 september 2022, waarin aan [verzoeker] en haar collega’s is medegedeeld dat alleen signalen vanuit de Belastingdienst en vanuit het Riec mogen worden behandeld en dat alle andere signalen apart gelegd worden. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] in de strafzaak (proces-verbaal van verhoor) en tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak. [betrokkene 1] heeft daar onder meer verklaard dat signalen altijd via het werk (meestal uit heffing en controle) binnenkomen, dat medewerkers signalen die zij privé tegenkomen niet naar het CSB mogen mailen en niet zelf mogen onderzoeken, dat het hem niet bekend was dat [verzoeker] dingen ‘opwerkt’ die haar op X opvallen en dat hij ook geen enkele aanleiding had om te vermoeden dat zij dit deed. 4.13. [verzoeker] heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij eerder signalen naar aanleiding van in privé-verkregen informatie bij [betrokkene 1] heeft aangebracht die door hem zijn goedgekeurd, maar [betrokkene 1] heeft dat ter zitting gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit verweer [verzoeker] hoe dan ook niet baten, omdat zij niet heeft onderbouwd dat de informatie naar aanleiding waarvan zij de systemen heeft geraadpleegd enige relatie tot (fiscale) fraude had , laat staan dat deze informatie een concreet vermoeden van fraude opleverde, en [verzoeker] aldus niet louter uit nieuwsgierigheid, persoonlijke interesse of ergernis onderzoek deed. Het bewijsaanbod dat [verzoeker] op dit punt heeft gedaan, wordt daarom als niet terzake doend gepasseerd. 4.14. De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [verzoeker] zodanig verwijtbaar zijn dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is voor de Belastingdienst van groot belang dat (zij erop kan vertrouwen dat) haar medewerkers de geldende wet- en regelgeving naleven en dat de fiscale gegevens van belastingplichtigen niet worden misbruikt doordat hun gegevens onbevoegd en/of anders dan voor zakelijke doeleinden worden ingezien. De regels daarover zijn duidelijk, evenals de gevolgen bij overtreding daarvan. Hoewel de gedragingen van [verzoeker] mogelijk ook een (ambts-)misdrijf opleveren, hoeft de uitkomst van de strafzaak niet te worden afgewacht. In arbeidsrechtelijke zin staat immers voldoende vast dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de hoge integriteitseisen en de strenge geheimhoudingsregels die voor haar gelden. [verzoeker] heeft niet weersproken dat zij van deze regels op de hoogte is. Het is begrijpelijk dat de Staat door de herhaalde overtreding van [verzoeker] het vertrouwen in haar (betrouwbaarheid en integriteit) onherstelbaar is verloren. Herplaatsing ligt daardoor niet in de rede. De omstandigheid dat [verzoeker] al heel lang in dienst is, er veel waardering was voor haar werk en zij mogelijk een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. er is sprake van ernstige verwijtbaarheid 4.15. De kantonrechter is gelet op hetgeen onder 4.8 tot en met 4.11 en 4.14 is overwogen van oordeel dat de gedragingen ook als ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673 lid 7 sub c BW kwalificeren. Daarbij is verder meegewogen dat [verzoeker] meerdere keren ernstig de fout is ingegaan, waardoor van een (geringe) eenmalige misstap geen sprake is geweest. Het verzoek van de Staat om voor recht te verklaren dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding zal daarom worden toegewezen. ontbindingsdatum 4.16. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2026. Omdat hiervoor is geoordeeld dat de gedragingen van [verzoeker] ernstig verwijtbaar zijn, wordt bij de ontbindingsdatum geen rekening gehouden met de (volledige) opzegtermijn. geen billijke vergoeding 4.17. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verzoeker] . 4.18. De Staat hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. proceskosten 4.19. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 949,00 (€ 135,00 aan griffierecht en € 814,00 aan salaris gemachtigde. 5 De beoordeling van het (voorwaardelijk) tegenverzoek 5.1. Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een transitie- en billijke vergoeding hoeft niet te worden behandeld, omdat daarop hiervoor al is beslist. Het verzoek tot toekenning van een cumulatievergoeding is niet aan de orde, omdat er niet op de i-grond wordt ontbonden. 5.2. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van € 36.327,- terzake een correcte eindafrekening wordt afgewezen. Ten eerste omdat de Staat heeft toegelicht dat het gevorderde bedrag niet juist is, omdat daarin ten onrechte opgebouwde compensatie-uren zijn meegenomen die op grond van de cao komen te vervallen bij einde dienstverband. Ten tweede omdat de Staat uitdrukkelijk heeft toegezegd dat er in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een deugdelijke en eindafrekening wordt opgesteld, waarbij de opgebouwde IKB, vakantie-uren, IKB-Spaarverlof en IKB-gekregen uren worden uitbetaald. De kantonrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de Staat deze toezegging niet zal nakomen, waardoor het belang bij toewijzing van de vordering ontbreekt. Proceskosten 5.3. De proceskosten terzake het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek worden de proceskosten aan de zijde van de Staat begroot op nihil.
Volledig
Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat de raadplegingen niet hebben plaatsgevonden in het kader van de (reguliere) werkzaamheden van [verzoeker] als toezichthouder of voor CSB. 4.11. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij [betrokkene 4] en [bedrijf 1] in de systemen heeft opgezocht omdat zij ‘iets op het spoor was’ en (zorg-)fraude vermoedde, maar dat vindt de kantonrechter niet geloofwaardig. Ten eerste omdat [verzoeker] desgevraagd niet kon aangeven waarop haar vermoedens gebaseerd waren. Ten tweede omdat [verzoeker] haar vermoedens destijds niet (als signaal) bij haar coördinator aangebracht. Dat had wel voor de hand had gelegen als zij er daadwerkelijk van overtuigd was dat zij fraude op het spoor was en meende dat haar werkwijze was toegestaan. Ten derde omdat [verzoeker] in het verhoor bij de FIOD heeft verklaard dat zij [betrokkene 4] uit nieuwsgierigheid heeft opgezocht , hetgeen evident ontoelaatbaar is, en zij over [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de berichten op X heeft geplaatst om “te zieken” . Gelet hierop en vanwege de timing van de raadplegingen in relatie tot (de inhoud van) de berichten op X, ontstaat het beeld dat wanneer [verzoeker] op X iemand tegenkomt die andere opvattingen heeft dan zijzelf, dit voor haar aanleiding was om de systemen van de Belastingdienst te raadplegen om de verkregen informatie weer voor haar berichtgeving op X te gebruiken. Het spreekt voor zich dat dat zonder meer ontoelaatbaar is. 4.12. Voor zover [verzoeker] heeft bepleit dat het binnen de Belastingdienst gebruikelijk was (en werd aangemoedigd) om zonder opdracht en op eigen initiatief de systemen te raadplegen naar aanleiding van signalen/waarnemingen die zij in privé (bijvoorbeeld de krant of tv) heeft opgedaan, heeft De Staat dit succesvol weerlegd. De Staat heeft ter onderbouwing verwezen naar de strikte regels over de omgang met vertrouwelijke gegevens , zoals de Leidraad waarin staat dat elk onderzoek is gebaseerd op een opdracht. Verder is verwezen naar de e-mail van [betrokkene 1] van 26 september 2022, waarin aan [verzoeker] en haar collega’s is medegedeeld dat alleen signalen vanuit de Belastingdienst en vanuit het Riec mogen worden behandeld en dat alle andere signalen apart gelegd worden. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] in de strafzaak (proces-verbaal van verhoor) en tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak. [betrokkene 1] heeft daar onder meer verklaard dat signalen altijd via het werk (meestal uit heffing en controle) binnenkomen, dat medewerkers signalen die zij privé tegenkomen niet naar het CSB mogen mailen en niet zelf mogen onderzoeken, dat het hem niet bekend was dat [verzoeker] dingen ‘opwerkt’ die haar op X opvallen en dat hij ook geen enkele aanleiding had om te vermoeden dat zij dit deed. 4.13. [verzoeker] heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij eerder signalen naar aanleiding van in privé-verkregen informatie bij [betrokkene 1] heeft aangebracht die door hem zijn goedgekeurd, maar [betrokkene 1] heeft dat ter zitting gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit verweer [verzoeker] hoe dan ook niet baten, omdat zij niet heeft onderbouwd dat de informatie naar aanleiding waarvan zij de systemen heeft geraadpleegd enige relatie tot (fiscale) fraude had , laat staan dat deze informatie een concreet vermoeden van fraude opleverde, en [verzoeker] aldus niet louter uit nieuwsgierigheid, persoonlijke interesse of ergernis onderzoek deed. Het bewijsaanbod dat [verzoeker] op dit punt heeft gedaan, wordt daarom als niet terzake doend gepasseerd. 4.14. De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [verzoeker] zodanig verwijtbaar zijn dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is voor de Belastingdienst van groot belang dat (zij erop kan vertrouwen dat) haar medewerkers de geldende wet- en regelgeving naleven en dat de fiscale gegevens van belastingplichtigen niet worden misbruikt doordat hun gegevens onbevoegd en/of anders dan voor zakelijke doeleinden worden ingezien. De regels daarover zijn duidelijk, evenals de gevolgen bij overtreding daarvan. Hoewel de gedragingen van [verzoeker] mogelijk ook een (ambts-)misdrijf opleveren, hoeft de uitkomst van de strafzaak niet te worden afgewacht. In arbeidsrechtelijke zin staat immers voldoende vast dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de hoge integriteitseisen en de strenge geheimhoudingsregels die voor haar gelden. [verzoeker] heeft niet weersproken dat zij van deze regels op de hoogte is. Het is begrijpelijk dat de Staat door de herhaalde overtreding van [verzoeker] het vertrouwen in haar (betrouwbaarheid en integriteit) onherstelbaar is verloren. Herplaatsing ligt daardoor niet in de rede. De omstandigheid dat [verzoeker] al heel lang in dienst is, er veel waardering was voor haar werk en zij mogelijk een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. er is sprake van ernstige verwijtbaarheid 4.15. De kantonrechter is gelet op hetgeen onder 4.8 tot en met 4.11 en 4.14 is overwogen van oordeel dat de gedragingen ook als ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673 lid 7 sub c BW kwalificeren. Daarbij is verder meegewogen dat [verzoeker] meerdere keren ernstig de fout is ingegaan, waardoor van een (geringe) eenmalige misstap geen sprake is geweest. Het verzoek van de Staat om voor recht te verklaren dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding zal daarom worden toegewezen. ontbindingsdatum 4.16. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2026. Omdat hiervoor is geoordeeld dat de gedragingen van [verzoeker] ernstig verwijtbaar zijn, wordt bij de ontbindingsdatum geen rekening gehouden met de (volledige) opzegtermijn. geen billijke vergoeding 4.17. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verzoeker] . 4.18. De Staat hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. proceskosten 4.19. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 949,00 (€ 135,00 aan griffierecht en € 814,00 aan salaris gemachtigde. 5 De beoordeling van het (voorwaardelijk) tegenverzoek 5.1. Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een transitie- en billijke vergoeding hoeft niet te worden behandeld, omdat daarop hiervoor al is beslist. Het verzoek tot toekenning van een cumulatievergoeding is niet aan de orde, omdat er niet op de i-grond wordt ontbonden. 5.2. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van € 36.327,- terzake een correcte eindafrekening wordt afgewezen. Ten eerste omdat de Staat heeft toegelicht dat het gevorderde bedrag niet juist is, omdat daarin ten onrechte opgebouwde compensatie-uren zijn meegenomen die op grond van de cao komen te vervallen bij einde dienstverband. Ten tweede omdat de Staat uitdrukkelijk heeft toegezegd dat er in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een deugdelijke en eindafrekening wordt opgesteld, waarbij de opgebouwde IKB, vakantie-uren, IKB-Spaarverlof en IKB-gekregen uren worden uitbetaald. De kantonrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de Staat deze toezegging niet zal nakomen, waardoor het belang bij toewijzing van de vordering ontbreekt. Proceskosten 5.3. De proceskosten terzake het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek worden de proceskosten aan de zijde van de Staat begroot op nihil.
Volledig
Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat de raadplegingen niet hebben plaatsgevonden in het kader van de (reguliere) werkzaamheden van [verzoeker] als toezichthouder of voor CSB. 4.11. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij [betrokkene 4] en [bedrijf 1] in de systemen heeft opgezocht omdat zij ‘iets op het spoor was’ en (zorg-)fraude vermoedde, maar dat vindt de kantonrechter niet geloofwaardig. Ten eerste omdat [verzoeker] desgevraagd niet kon aangeven waarop haar vermoedens gebaseerd waren. Ten tweede omdat [verzoeker] haar vermoedens destijds niet (als signaal) bij haar coördinator aangebracht. Dat had wel voor de hand had gelegen als zij er daadwerkelijk van overtuigd was dat zij fraude op het spoor was en meende dat haar werkwijze was toegestaan. Ten derde omdat [verzoeker] in het verhoor bij de FIOD heeft verklaard dat zij [betrokkene 4] uit nieuwsgierigheid heeft opgezocht , hetgeen evident ontoelaatbaar is, en zij over [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de berichten op X heeft geplaatst om “te zieken” . Gelet hierop en vanwege de timing van de raadplegingen in relatie tot (de inhoud van) de berichten op X, ontstaat het beeld dat wanneer [verzoeker] op X iemand tegenkomt die andere opvattingen heeft dan zijzelf, dit voor haar aanleiding was om de systemen van de Belastingdienst te raadplegen om de verkregen informatie weer voor haar berichtgeving op X te gebruiken. Het spreekt voor zich dat dat zonder meer ontoelaatbaar is. 4.12. Voor zover [verzoeker] heeft bepleit dat het binnen de Belastingdienst gebruikelijk was (en werd aangemoedigd) om zonder opdracht en op eigen initiatief de systemen te raadplegen naar aanleiding van signalen/waarnemingen die zij in privé (bijvoorbeeld de krant of tv) heeft opgedaan, heeft De Staat dit succesvol weerlegd. De Staat heeft ter onderbouwing verwezen naar de strikte regels over de omgang met vertrouwelijke gegevens , zoals de Leidraad waarin staat dat elk onderzoek is gebaseerd op een opdracht. Verder is verwezen naar de e-mail van [betrokkene 1] van 26 september 2022, waarin aan [verzoeker] en haar collega’s is medegedeeld dat alleen signalen vanuit de Belastingdienst en vanuit het Riec mogen worden behandeld en dat alle andere signalen apart gelegd worden. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] in de strafzaak (proces-verbaal van verhoor) en tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak. [betrokkene 1] heeft daar onder meer verklaard dat signalen altijd via het werk (meestal uit heffing en controle) binnenkomen, dat medewerkers signalen die zij privé tegenkomen niet naar het CSB mogen mailen en niet zelf mogen onderzoeken, dat het hem niet bekend was dat [verzoeker] dingen ‘opwerkt’ die haar op X opvallen en dat hij ook geen enkele aanleiding had om te vermoeden dat zij dit deed. 4.13. [verzoeker] heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij eerder signalen naar aanleiding van in privé-verkregen informatie bij [betrokkene 1] heeft aangebracht die door hem zijn goedgekeurd, maar [betrokkene 1] heeft dat ter zitting gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit verweer [verzoeker] hoe dan ook niet baten, omdat zij niet heeft onderbouwd dat de informatie naar aanleiding waarvan zij de systemen heeft geraadpleegd enige relatie tot (fiscale) fraude had , laat staan dat deze informatie een concreet vermoeden van fraude opleverde, en [verzoeker] aldus niet louter uit nieuwsgierigheid, persoonlijke interesse of ergernis onderzoek deed. Het bewijsaanbod dat [verzoeker] op dit punt heeft gedaan, wordt daarom als niet terzake doend gepasseerd. 4.14. De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [verzoeker] zodanig verwijtbaar zijn dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is voor de Belastingdienst van groot belang dat (zij erop kan vertrouwen dat) haar medewerkers de geldende wet- en regelgeving naleven en dat de fiscale gegevens van belastingplichtigen niet worden misbruikt doordat hun gegevens onbevoegd en/of anders dan voor zakelijke doeleinden worden ingezien. De regels daarover zijn duidelijk, evenals de gevolgen bij overtreding daarvan. Hoewel de gedragingen van [verzoeker] mogelijk ook een (ambts-)misdrijf opleveren, hoeft de uitkomst van de strafzaak niet te worden afgewacht. In arbeidsrechtelijke zin staat immers voldoende vast dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de hoge integriteitseisen en de strenge geheimhoudingsregels die voor haar gelden. [verzoeker] heeft niet weersproken dat zij van deze regels op de hoogte is. Het is begrijpelijk dat de Staat door de herhaalde overtreding van [verzoeker] het vertrouwen in haar (betrouwbaarheid en integriteit) onherstelbaar is verloren. Herplaatsing ligt daardoor niet in de rede. De omstandigheid dat [verzoeker] al heel lang in dienst is, er veel waardering was voor haar werk en zij mogelijk een moeilijke positie op de arbeidsmarkt heeft, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. er is sprake van ernstige verwijtbaarheid 4.15. De kantonrechter is gelet op hetgeen onder 4.8 tot en met 4.11 en 4.14 is overwogen van oordeel dat de gedragingen ook als ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673 lid 7 sub c BW kwalificeren. Daarbij is verder meegewogen dat [verzoeker] meerdere keren ernstig de fout is ingegaan, waardoor van een (geringe) eenmalige misstap geen sprake is geweest. Het verzoek van de Staat om voor recht te verklaren dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding zal daarom worden toegewezen. ontbindingsdatum 4.16. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 januari 2026. Omdat hiervoor is geoordeeld dat de gedragingen van [verzoeker] ernstig verwijtbaar zijn, wordt bij de ontbindingsdatum geen rekening gehouden met de (volledige) opzegtermijn. geen billijke vergoeding 4.17. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verzoeker] . 4.18. De Staat hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. proceskosten 4.19. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 949,00 (€ 135,00 aan griffierecht en € 814,00 aan salaris gemachtigde. 5 De beoordeling van het (voorwaardelijk) tegenverzoek 5.1. Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een transitie- en billijke vergoeding hoeft niet te worden behandeld, omdat daarop hiervoor al is beslist. Het verzoek tot toekenning van een cumulatievergoeding is niet aan de orde, omdat er niet op de i-grond wordt ontbonden. 5.2. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van € 36.327,- terzake een correcte eindafrekening wordt afgewezen. Ten eerste omdat de Staat heeft toegelicht dat het gevorderde bedrag niet juist is, omdat daarin ten onrechte opgebouwde compensatie-uren zijn meegenomen die op grond van de cao komen te vervallen bij einde dienstverband. Ten tweede omdat de Staat uitdrukkelijk heeft toegezegd dat er in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een deugdelijke en eindafrekening wordt opgesteld, waarbij de opgebouwde IKB, vakantie-uren, IKB-Spaarverlof en IKB-gekregen uren worden uitbetaald. De kantonrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de Staat deze toezegging niet zal nakomen, waardoor het belang bij toewijzing van de vordering ontbreekt. Proceskosten 5.3. De proceskosten terzake het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek worden de proceskosten aan de zijde van de Staat begroot op nihil.