Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-17
ECLI:NL:RBNHO:2025:14909
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,628 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 text/xml public 2026-04-14T13:37:16 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-17 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 text/html public 2026-04-14T13:36:15 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 Rechtbank Noord-Holland , 17-12-2025 / 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Luchtvaart. Vrijwaringsincident. De passagiers hebben in de hoofdzaak onder meer schadevergoeding van de vervoerder gevorderd. De vervoerder wordt toegestaan om de touroperator, via welke de passagiers de vliegtickets hadden geboekt, in vrijwaring op te roepen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Uitspraakdatum: 17 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van: 1 [eiser 1] 2. [eiser 2] beiden wonende te [plaats] eiseressen in de hoofdzaak verweersters in het incident hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.) tegen de vennootschap naar buitenlands recht Etihad Airways PSJC gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. K.J.M. Buijs (Kneppelhout & Korthals N.V.) 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring; - het antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De beoordeling in het incident 2.1. De passagiers vorderen in de hoofdzaak betaling van € 2.172,24, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten. 2.2. De passagiers stellen dat zij in 2024 een vervoersovereenkomst met de vervoerder hebben gesloten. Op grond daarvan moest hij hen vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Kuala Lumpur, Maleisië, naar Sydney, Australië. Zij stellen dat de vervoerder de vlucht van Amsterdam naar Kuala Lumpur vertraagd heeft uitgevoerd, waardoor zij de overstap hebben gemist en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Zij stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. Daarnaast vorderen zij vergoeding van de kosten van een door henzelf geboekte alternatieve vlucht. 2.3. De vervoerder vordert in zijn incidentele vordering verlof om Trip.com Netherlands B.V. (hierna: de touroperator) in vrijwaring te mogen oproepen. Hij stelt dat de passagiers hun reis hebben geboekt via de touroperator. De vervoerder stelt dat de vlucht van Kuala Lumpur naar Sydney werd uitgevoerd door een andere luchtvaartmaatschappij en dat de touroperator zonder zijn medeweten deze vluchtcombinatie heeft verkocht aan de passagiers. Daarmee heeft de touroperator onrechtmatig tegen hem gehandeld. De schade bestaat uit de vorderingen van de passagiers op de vervoerder in de hoofdzaak. 2.4. De passagiers voeren verweer in het incident. Zij betwisten dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen de touroperator en de vervoerder. Daarnaast voeren zij aan dat de oproeping in vrijwaring zal leiden tot vertraging van de procedure. 2.5. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde zich in een met redenen omklede conclusie beroept op een rechtsverhouding met een derde, die meebrengt dat die derde verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde te dragen. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet te worden aangetoond. 2.6. Op grond van hetgeen de vervoerder heeft aangevoerd wordt geoordeeld dat de vrijwaring kan worden toegestaan, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet te verwachten dat de vrijwaring, in verhouding tot de hoofdzaak, zo tijdrovend zal zijn, dat op voorhand gevreesd moet worden voor de door de passagiers gestelde vertraging van de hoofdzaak. Zo nodig kunnen de passagiers op grond van artikel 215 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzoeken tot eerdere afdoening van de hoofdzaak. 2.7. De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het incident. 3 De beslissing De kantonrechter: in het incident 3.1. staat toe dat Trip.com Netherlands B.V. door de vervoerder in vrijwaring wordt gedagvaard tegen de rolzitting van 14 januari 2026; 3.2. veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 82,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder; in de hoofdzaak 3.3. verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord; 3.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening).
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 text/xml public 2026-04-14T13:37:16 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-17 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 text/html public 2026-04-14T13:36:15 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14909 Rechtbank Noord-Holland , 17-12-2025 / 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Luchtvaart. Vrijwaringsincident. De passagiers hebben in de hoofdzaak onder meer schadevergoeding van de vervoerder gevorderd. De vervoerder wordt toegestaan om de touroperator, via welke de passagiers de vliegtickets hadden geboekt, in vrijwaring op te roepen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11768282 \ CV EXPL 25-4110 Uitspraakdatum: 17 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van: 1 [eiser 1]
2. [eiser 2]beiden wonende te [plaats] eiseressen in de hoofdzaakverweersters in het incident hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.) tegen de vennootschap naar buitenlands recht Etihad Airways PSJC gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. K.J.M. Buijs (Kneppelhout & Korthals N.V.) 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring; - het antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De beoordeling in het incident 2.1. De passagiers vorderen in de hoofdzaak betaling van € 2.172,24, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten. 2.2. De passagiers stellen dat zij in 2024 een vervoersovereenkomst met de vervoerder hebben gesloten. Op grond daarvan moest hij hen vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Kuala Lumpur, Maleisië, naar Sydney, Australië. Zij stellen dat de vervoerder de vlucht van Amsterdam naar Kuala Lumpur vertraagd heeft uitgevoerd, waardoor zij de overstap hebben gemist en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Zij stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. Daarnaast vorderen zij vergoeding van de kosten van een door henzelf geboekte alternatieve vlucht. 2.3. De vervoerder vordert in zijn incidentele vordering verlof om Trip.com Netherlands B.V. (hierna: de touroperator) in vrijwaring te mogen oproepen. Hij stelt dat de passagiers hun reis hebben geboekt via de touroperator. De vervoerder stelt dat de vlucht van Kuala Lumpur naar Sydney werd uitgevoerd door een andere luchtvaartmaatschappij en dat de touroperator zonder zijn medeweten deze vluchtcombinatie heeft verkocht aan de passagiers. Daarmee heeft de touroperator onrechtmatig tegen hem gehandeld. De schade bestaat uit de vorderingen van de passagiers op de vervoerder in de hoofdzaak. 2.4. De passagiers voeren verweer in het incident. Zij betwisten dat er sprake is van een rechtsverhouding tussen de touroperator en de vervoerder. Daarnaast voeren zij aan dat de oproeping in vrijwaring zal leiden tot vertraging van de procedure. 2.5. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde zich in een met redenen omklede conclusie beroept op een rechtsverhouding met een derde, die meebrengt dat die derde verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde te dragen. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet te worden aangetoond. 2.6. Op grond van hetgeen de vervoerder heeft aangevoerd wordt geoordeeld dat de vrijwaring kan worden toegestaan, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet te verwachten dat de vrijwaring, in verhouding tot de hoofdzaak, zo tijdrovend zal zijn, dat op voorhand gevreesd moet worden voor de door de passagiers gestelde vertraging van de hoofdzaak. Zo nodig kunnen de passagiers op grond van artikel 215 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzoeken tot eerdere afdoening van de hoofdzaak. 2.7. De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het incident. 3 De beslissing De kantonrechter: in het incident 3.1. staat toe dat Trip.com Netherlands B.V. door de vervoerder in vrijwaring wordt gedagvaard tegen de rolzitting van 14 januari 2026; 3.2. veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 82,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder; in de hoofdzaak 3.3. verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord; 3.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening).