Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-31
ECLI:NL:RBNHO:2025:14672
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,707 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 text/xml public 2026-03-31T13:58:18 2025-12-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11179519 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 text/html public 2026-03-31T13:57:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11179519 Het is voldoende aannemelijk dat Yource bevoegd is om namens de passagiers in rechte op te treden. De passagiers hebben aan hun stelplicht voldaan. De vervoerder heeft de vertragingsduur onvoldoende gemotiveerd betwist. De rente over de compensatie is toewijsbaar vanaf de vluchtdatum. Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11179519 \ CV EXPL 24-4422 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], 3. [eiser 3], beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , allen wonende te [plaats], eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Royal Air Maroc gevestigd te Schiphol gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 8 juli 2022 vervoeren van Amsterdam naar Oudja (Marokko), met vlucht AT1669 (hierna: de vlucht). 2.2. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming. 2.3. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.4. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 2.5. De passagiers sub 1 en 2 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure (mede) namens hun minderjarige kinderen te voeren. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente; - € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten en de nakosten. 3.2. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening) // hen de ticketprijzen van de vlucht moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening). 3.3. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Ontvankelijkheid 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat de handtekeningen van de passagiers op de aktes van volmacht in voldoende mate overeenkomen met de handtekeningen van de passagiers op hun paspoorten. De kantonrechter vindt het dan ook voldoende aannemelijk dat Yource B.V. gemachtigd is om deze procedure namens de passagiers te voeren. Het feit dat de passagier sub 1 in eerste instantie ook EUclaim had gemachtigd om namens hem op te treden, maakt dat niet anders. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagier sub 1 de volmacht die hij aan EUclaim had verleend inmiddels heeft ingetrokken. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt. Vertraging 4.3. De vervoerder heeft bij conclusie van repliek erkend dat de vlucht met meer dan drie uur vertraging is uitgevoerd. De vervoerder heeft geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan, zodat de vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen. Nevenvorderingen 4.4. Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat de passagiers de claim via zijn website hadden moeten indienen, oordeelt de kantonrechter dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers (onder verwijzing naar producties 9 en 10 bij repliek) voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de vervoerder op 19 juli 2022, 1 september 2022, 2 september 2022 en 18 december 2023 per e-mail ([e-mailadres 1]) hebben aangemaand. De vervoerder heeft niet betwist dat dit e-mailadres bij haar in gebruik is. De kantonrechter vindt het daarom voldoende aannemelijk dat deze aanmaningen de vervoerder hebben bereikt. Het enkele feit dat er kennelijk geen ‘automatisch antwoord’ is verzonden, maakt dat niet anders. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake. 4.5. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief (inclusief btw), zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente is toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding. 4.6. De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 893,97 5. De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.363,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 8 juli 2022 en over € 363,00 vanaf 5 juni 2024 tot de dag van de gehele betaling; 5.2. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 893,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 text/xml public 2026-03-31T13:58:18 2025-12-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11179519 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 text/html public 2026-03-31T13:57:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14672 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11179519 Het is voldoende aannemelijk dat Yource bevoegd is om namens de passagiers in rechte op te treden. De passagiers hebben aan hun stelplicht voldaan. De vervoerder heeft de vertragingsduur onvoldoende gemotiveerd betwist. De rente over de compensatie is toewijsbaar vanaf de vluchtdatum. Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11179519 \ CV EXPL 24-4422 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], 3. [eiser 3], beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,allen wonende te [plaats], eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Royal Air Maroc gevestigd te Schiphol gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 8 juli 2022 vervoeren van Amsterdam naar Oudja (Marokko), met vlucht AT1669 (hierna: de vlucht). 2.2. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming. 2.3. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.4. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 2.5. De passagiers sub 1 en 2 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure (mede) namens hun minderjarige kinderen te voeren. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten. 3.2. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening) // hen de ticketprijzen van de vlucht moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening). 3.3. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Ontvankelijkheid 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat de handtekeningen van de passagiers op de aktes van volmacht in voldoende mate overeenkomen met de handtekeningen van de passagiers op hun paspoorten. De kantonrechter vindt het dan ook voldoende aannemelijk dat Yource B.V. gemachtigd is om deze procedure namens de passagiers te voeren. Het feit dat de passagier sub 1 in eerste instantie ook EUclaim had gemachtigd om namens hem op te treden, maakt dat niet anders. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagier sub 1 de volmacht die hij aan EUclaim had verleend inmiddels heeft ingetrokken. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt. Vertraging 4.3. De vervoerder heeft bij conclusie van repliek erkend dat de vlucht met meer dan drie uur vertraging is uitgevoerd. De vervoerder heeft geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan, zodat de vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen. Nevenvorderingen 4.4. Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat de passagiers de claim via zijn website hadden moeten indienen, oordeelt de kantonrechter dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers (onder verwijzing naar producties 9 en 10 bij repliek) voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de vervoerder op 19 juli 2022, 1 september 2022, 2 september 2022 en 18 december 2023 per e-mail ([e-mailadres 1]) hebben aangemaand. De vervoerder heeft niet betwist dat dit e-mailadres bij haar in gebruik is. De kantonrechter vindt het daarom voldoende aannemelijk dat deze aanmaningen de vervoerder hebben bereikt. Het enkele feit dat er kennelijk geen ‘automatisch antwoord’ is verzonden, maakt dat niet anders. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake. 4.5. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief (inclusief btw), zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente is toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding. 4.6. De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 893,97 5. De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.363,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 8 juli 2022 en over € 363,00 vanaf 5 juni 2024 tot de dag van de gehele betaling; 5.2. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 893,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter