Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:14595
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
3,873 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5229
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Heemstede, verzoeker
en
de Officier van Justitie (OvJ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig is geworden en dat hij daarom zijn rijbewijs moet inleveren.
1.1.
Dit heeft de OvJ op 4 november 2025 schriftelijk aan verzoeker meegedeeld.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om, zolang nog niet op het bezwaar is beslist, een voorlopige voorziening te treffen, namelijk tijdelijke schorsing van de ongeldigverklaring
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Uit artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat alleen bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan dat op rechtsgevolg is gericht. De vraag in deze zaak is of de mededeling van de OvJ van 4 november 2025 een besluit is.
3. De OvJ heeft aan eiser meegedeeld dat zijn rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) ongeldig is. Deze mededeling is door de OvJ gemotiveerd door er op te wijzen dat:
- verzoeker op 16 mei 2024 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. Het alcoholpercentage was 935 g/l;
- deze veroordeling op 31 mei 2024 onherroepelijk is geworden;
- eiser al eerder hiervoor is veroordeeld of hiervoor al eerder een strafbeschikking heeft gekregen.
4. In artikel 123b van de WVW 1994 staat – samengevat – dat een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid verliest, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed.
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 123b WVW1994 volgt dat een rijbewijs van rechtswege ongeldig is als sprake is van een in dat artikel genoemd geval. Daarvoor is geen mededeling of beslissing van de OvJ of een ander nodig. De ongeldigheid ontstaat rechtstreeks uit de wet (van rechtswege).
5.2
De mededeling dat verzoekers rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de WVW 1994 ongeldig is, is daarom niet gericht op rechtsgevolg en valt daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
5.3
Tegen de mededeling dat verzoekers rijbewijs ongeldig is staat daarom geen bezwaar en ook geen beroep open. Er kan daarom ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorzienig is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie
6. Omdat het verzoek niet-ontvankelijk is, zal het verzoek niet inhoudelijk worden behandeld. Bij deze beslissing is geen ruimte voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Het feit is gekwalificeerd als overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de WVW 1994.
Zie onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1472), de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:335).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 (ECLI:NLRVS:2019:2908).
Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5229
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Heemstede, verzoeker
en
de Officier van Justitie (OvJ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig is geworden en dat hij daarom zijn rijbewijs moet inleveren.
1.1.
Dit heeft de OvJ op 4 november 2025 schriftelijk aan verzoeker meegedeeld.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om, zolang nog niet op het bezwaar is beslist, een voorlopige voorziening te treffen, namelijk tijdelijke schorsing van de ongeldigverklaring
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Uit artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat alleen bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan dat op rechtsgevolg is gericht. De vraag in deze zaak is of de mededeling van de OvJ van 4 november 2025 een besluit is.
3. De OvJ heeft aan eiser meegedeeld dat zijn rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) ongeldig is. Deze mededeling is door de OvJ gemotiveerd door er op te wijzen dat:
- verzoeker op 16 mei 2024 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. Het alcoholpercentage was 935 g/l;
- deze veroordeling op 31 mei 2024 onherroepelijk is geworden;
- eiser al eerder hiervoor is veroordeeld of hiervoor al eerder een strafbeschikking heeft gekregen.
4. In artikel 123b van de WVW 1994 staat – samengevat – dat een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid verliest, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed.
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 123b WVW1994 volgt dat een rijbewijs van rechtswege ongeldig is als sprake is van een in dat artikel genoemd geval. Daarvoor is geen mededeling of beslissing van de OvJ of een ander nodig. De ongeldigheid ontstaat rechtstreeks uit de wet (van rechtswege).
5.2
De mededeling dat verzoekers rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de WVW 1994 ongeldig is, is daarom niet gericht op rechtsgevolg en valt daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
5.3
Tegen de mededeling dat verzoekers rijbewijs ongeldig is staat daarom geen bezwaar en ook geen beroep open. Er kan daarom ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorzienig is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie
6. Omdat het verzoek niet-ontvankelijk is, zal het verzoek niet inhoudelijk worden behandeld. Bij deze beslissing is geen ruimte voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Het feit is gekwalificeerd als overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de WVW 1994.
Zie onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1472), de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:335).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 (ECLI:NLRVS:2019:2908).
Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14595 text/xml public 2025-12-18T15:35:03 2025-12-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-15 25/5229 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Haarlem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14595 text/html public 2025-12-18T15:34:42 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14595 Rechtbank Noord-Holland , 15-12-2025 / 25/5229 Mededeling dat rijbewijs op grond van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig is, is geen besluit is in de zin van de Awb. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/5229 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit Heemstede, verzoeker en de Officier van Justitie (OvJ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig is geworden en dat hij daarom zijn rijbewijs moet inleveren. 1.1. Dit heeft de OvJ op 4 november 2025 schriftelijk aan verzoeker meegedeeld. 1.2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om, zolang nog niet op het bezwaar is beslist, een voorlopige voorziening te treffen, namelijk tijdelijke schorsing van de ongeldigverklaring 1.3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Uit artikel 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat alleen bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan dat op rechtsgevolg is gericht . De vraag in deze zaak is of de mededeling van de OvJ van 4 november 2025 een besluit is. 3. De OvJ heeft aan eiser meegedeeld dat zijn rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) ongeldig is. Deze mededeling is door de OvJ gemotiveerd door er op te wijzen dat: - verzoeker op 16 mei 2024 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. Het alcoholpercentage was 935 g/l ; - deze veroordeling op 31 mei 2024 onherroepelijk is geworden; - eiser al eerder hiervoor is veroordeeld of hiervoor al eerder een strafbeschikking heeft gekregen. 4. In artikel 123b van de WVW 1994 staat – samengevat – dat een rijbewijs zijn geldigheid voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid verliest, indien de houder bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, is veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, indien het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht dan wel het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed. 5.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 123b WVW1994 volgt dat een rijbewijs van rechtswege ongeldig is als sprake is van een in dat artikel genoemd geval. Daarvoor is geen mededeling of beslissing van de OvJ of een ander nodig. De ongeldigheid ontstaat rechtstreeks uit de wet (van rechtswege). 5.2 De mededeling dat verzoekers rijbewijs op grond van het bepaalde in artikel 123b van de WVW 1994 ongeldig is, is daarom niet gericht op rechtsgevolg en valt daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 5.3 Tegen de mededeling dat verzoekers rijbewijs ongeldig is staat daarom geen bezwaar en ook geen beroep open. Er kan daarom ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorzienig is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 6. Omdat het verzoek niet-ontvankelijk is, zal het verzoek niet inhoudelijk worden behandeld. Bij deze beslissing is geen ruimte voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit volgt uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het feit is gekwalificeerd als overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de WVW 1994. Zie onder meer de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 mei 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1472), de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:335). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 (ECLI:NLRVS:2019:2908). Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.