Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-11-17
ECLI:NL:RBNHO:2025:13987
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,814 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7980
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.R.P. Bakker),
en
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik, het college,
(gemachtigden: K. Meijer en drs. M. Klingers).
Procesverloop
1.1.
Eisers wonen op [adres] in [plaats] en hebben op 4 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een serre aan de achterzijde van hun woning (op aanbouw nr. [nummer] ) (hierna: het bouwplan). Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 23 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 november 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
1.2.
Eisers hebben op 3 december 2024, aangevuld op 25 september 2025, beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op 9 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 4, onder B, derde lid, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan, het bestemmingsplan zelf geen afwijkingsmogelijkheid kent en het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft geen gebruik gemaakt van haar afwijkingsbevoegdheid door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat dit volgens het college niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op deze locatie in de binnenstad van [plaats] .
3.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het bestemmingsplan zelf geen afwijkingsmogelijkheid kent. De kern van het geschil gaat over het de vraag of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Welstand
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt en stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan de redelijke eisen van welstand. Zij moet daarbij toetsen of het voldoet aan de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Als het bouwplan daarvan afwijkt, moet de welstandscommissie toetsen aan de mogelijkheden waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college meer beoordelingsruimte om een bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten. Dat oordeel wordt dan niet beschouwd als een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
4.2.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandtoetsing bij het college zelf ligt, mag het college op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft niet nader te worden toegelicht. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de welstandscommissie op 20 maart 2024 heeft geadviseerd niet akkoord te gaan met het bouwplan, omdat het volume afwijkt van de welstandsnota en een ongewenst precedent kan gaan vormen. Daarnaast heeft het college ter zitting een aanvullend advies van 8 oktober 2025 overgelegd waarin de welstandscommissie wederom heeft geadviseerd niet akkoord te gaan met het bouwplan, omdat een opbouw op een bijgebouw ontstaat en het bouwplan de toegestane bouwhoogte voor een bijgebouw overschrijdt. Dit leidt volgens de welstandscommissie tot een onrustig en rommelig beeld, dat niet ondergeschikt kan worden genoemd. Er wordt daarmee afbreuk gedaan aan de bestaande historische kwaliteiten en vormt een ongewenst precedent binnen het beschermd stadsgezicht van [plaats] . Het college heeft deze negatieve welstandsadviezen overgenomen.
4.4.
Omdat eisers geen tegenadvies hebben overgelegd, moet de rechtbank beoordelen of eisers concrete aanknopingspunten naar voren hebben gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de welstandsadviezen, de begrijpelijkheid van de in de welstandsadviezen gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De enkele betwisting van de negatieve welstandsadviezen is daarvoor niet voldoende. Voor zover eisers stellen dat niet gebleken is dat ter plaatse onderzoek zou zijn verricht of dat op andere wijze van de situatie kennis is genomen, kan de rechtbank eisers daarin niet volgen. Uit het constateringsrapport van 1 september 2023 blijkt immers dat toezichthouders naar aanleiding van een melding bij eisers thuis zijn geweest om de situatie te controleren en zijn er destijds foto’s gemaakt van de serre. Deze foto’s zijn samen met een situatiefoto en een bestemmingsplankaart toegevoegd aan het constateringsrapport van 1 september 2023.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan (en dus het legaliseren van de serre) niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft daarbij doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de negatieve welstandsadviezen.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
5.1.
Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingplan, het bestemmingsplan zelf geen afwijkingsmogelijkheid kent en niet voldaan wordt aan de redelijke eisen van welstand, kan de gevraagde omgevingsvergunning slechts worden verleend door middel van een buitenplanse omgevingsplan activiteit als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze in te vullen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met deze norm. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
5.3.
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het volume van het bouwplan (waarbij zelfs sprake is van een bijgebouw op een bijgebouw) leidt volgens het college tot een onaanvaardbare/onevenredige verdichting als gevolg van het plaatsen van een bijgebouw. Daarnaast kan medewerking verlenen aan het bouwplan leiden tot ongewenste precedentwerking met als gevolg nog meer verdichting door bijgebouwen in de binnenstad van [plaats] . In het verweerschrift heeft het college haar standpunt nog verduidelijkt. Het algemeen belang van voorkomen van verdichting en ongewenste bebouwing op bijgebouwen in het stadshart van [plaats] weegt zwaarder dan het individuele belang van de eisers. Ook zonder serre kunnen eisers (al dan niet beschut met zonnewering/schermen) genieten van zonlicht en warmte. Als de serre (in afwijking van het negatieve welstandadvies) wordt vergund, kan dit leiden tot precedentwerking. Er is sprake van schaarse ruimte in het centrum van [plaats] . De achtererven zijn veelal klein en beperkt en al volgebouwd. Het is onwenselijk dat er ‘stapelbouw’ wordt gerealiseerd. Het college wenst hier geen medewerking aan te verlenen. Het is in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie.
5.4.
De rechtbank kan het college hierin volgen. Wat eisers in beroep hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
5.5.
Voor zover eisers stellen dat de serre vanaf de straat en de achterkant niet te zien is, overweegt de rechtbank dat deze grond een herhaling is van hetgeen eisers in bezwaar hebben aangevoerd. Het college heeft in het verweerschrift, in de bezwaarfase, al uitgebreid hierop gereageerd.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het gaat om het bestemmingplan “Medemblik-Binnenstad”. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Medemblik.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2021, r.o. 4.2 (ECLI:NL:RVS:2021:1099).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:3992).