Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:1371
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,683 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359667 / JU RK 24-1808
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2024;
- het bericht van het plan van aanpak van de GI met bijlagen van 11 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De vader en moeder waren met elkaar gehuwd. De ouders zijn daarom belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Het huwelijk van de vader en de moeder is inmiddels door echtscheiding ontbonden.
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 29 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een grote ontwikkeling doorgemaakt, waardoor de twee-op-één begeleiding kan worden afgebouwd. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geeft aan dat door structuur aan te brengen [de minderjarige] in staat is zichzelf te verzorgen. Hij is begeleid bij het aanleren van nieuwe coping strategieën waardoor [de minderjarige] nog zelden agressief gedrag laat zien. Waar [de minderjarige] eerder weinig respect liet zien voor vrouwen en dit ook merkbaar was in het accepteren van gezag van vrouwelijke begeleiders, lijkt dit ondertussen genormaliseerd. Vrouwen blijven wel een trigger als het gaat om zaken rondom zijn seksuele ontwikkeling. Het contact tussen de ouders verloopt moeizaam, maar vindt nu regelmatig plaats met betrekking tot de schoolgang van [de minderjarige] . Er is veel spanning tussen ouders geweest. Hoewel de ouders nu goed met elkaar omgaan, is deze verstandhouding nog maar pril. De plek van [de minderjarige] is niet lang meer beschikbaar en een vervolgplek is vooralsnog onduidelijk. De GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] onderhandelen op dit moment met de gemeente over het krijgen van een nieuwe plek binnen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] waarbij een groep met andere jongeren rondom [de minderjarige] gestart kan worden. Verder is de schoolgang van [de minderjarige] gestagneerd geweest. [de minderjarige] is deze week gestart bij [school] . De schoolgang moet zich nog normaliseren. Hiernaast wordt ook gekeken naar een dagbestedingsplek. De begeleiding van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan nog niet worden afgebouwd, omdat de start op school spanning zal oproepen.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek, juist omdat het nu zo goed gaat met [de minderjarige] . Het heeft ontzettend lang geduurd voordat de schoolgang geregeld was en dat heeft een achteruitgang bij [de minderjarige] veroorzaakt. De huidige situatie is nog pril zodat voortzetting van het dwangkader op dit moment het beste is.
4.2.
De vader heeft zich aangesloten bij het standpunt van de moeder. De vader merkt dat [de minderjarige] enorm is veranderd op een positieve manier. Hij is een stuk rustiger geworden en kan nu lachen om een grapje. De vader hoopt dat het zo doorgaat en dat [de minderjarige] niet terugvalt. Het is lastig om bij instanties zaken geregeld te krijgen en daarom is het prettig dat de ouders hierbij op iemand kunnen terugvallen.
5De mening van [de minderjarige]
5.1.
heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat hij enthousiast is over [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij ziet in dat het een tijd geleden een stuk minder met hem ging, maar nu gaan veel dingen een stuk beter. Hij is sinds kort weer begonnen met school en heeft later vandaag een afspraak in [plaats] over een mogelijke dagbestedingsplek. Ook ziet hij dat het een stuk beter gaat tussen zijn ouders en dat is fijn.
Beoordeling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat uit de gedragsproblematiek van [de minderjarige] waarvoor hij nu nog twee-op-één begeleiding ontvangt. [de minderjarige] profiteert van zijn verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en beaamt dat zelf ook. Hierdoor heeft [de minderjarige] grote stappen vooruit gemaakt, waarvoor de kinderrechter [de minderjarige] een groot compliment wil geven. Het is positief dat de ouders nu goed met elkaar samenwerken, [de minderjarige] sinds een aantal dagen weer naar school gaat en dagbesteding waarschijnlijk op korte termijn van de grond zal komen. De kinderrechter is met de GI en de ouders van oordeel dat het vooral belangrijk is dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de verzoeken van de GI toewijzen, zodat de GI ervoor kan zorgen dat een passende plek voor [de minderjarige] behouden blijft en [de minderjarige] zijn schoolgang en dagbesteding zal volhouden.
6.2.
Ten slotte blijkt dat de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
6.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
6.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van een jaar noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 29 januari 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359667 / JU RK 24-1808
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2024;
- het bericht van het plan van aanpak van de GI met bijlagen van 11 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De vader en moeder waren met elkaar gehuwd. De ouders zijn daarom belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Het huwelijk van de vader en de moeder is inmiddels door echtscheiding ontbonden.
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 29 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een grote ontwikkeling doorgemaakt, waardoor de twee-op-één begeleiding kan worden afgebouwd. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geeft aan dat door structuur aan te brengen [de minderjarige] in staat is zichzelf te verzorgen. Hij is begeleid bij het aanleren van nieuwe coping strategieën waardoor [de minderjarige] nog zelden agressief gedrag laat zien. Waar [de minderjarige] eerder weinig respect liet zien voor vrouwen en dit ook merkbaar was in het accepteren van gezag van vrouwelijke begeleiders, lijkt dit ondertussen genormaliseerd. Vrouwen blijven wel een trigger als het gaat om zaken rondom zijn seksuele ontwikkeling. Het contact tussen de ouders verloopt moeizaam, maar vindt nu regelmatig plaats met betrekking tot de schoolgang van [de minderjarige] . Er is veel spanning tussen ouders geweest. Hoewel de ouders nu goed met elkaar omgaan, is deze verstandhouding nog maar pril. De plek van [de minderjarige] is niet lang meer beschikbaar en een vervolgplek is vooralsnog onduidelijk. De GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] onderhandelen op dit moment met de gemeente over het krijgen van een nieuwe plek binnen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] waarbij een groep met andere jongeren rondom [de minderjarige] gestart kan worden. Verder is de schoolgang van [de minderjarige] gestagneerd geweest. [de minderjarige] is deze week gestart bij [school] . De schoolgang moet zich nog normaliseren. Hiernaast wordt ook gekeken naar een dagbestedingsplek. De begeleiding van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan nog niet worden afgebouwd, omdat de start op school spanning zal oproepen.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek, juist omdat het nu zo goed gaat met [de minderjarige] . Het heeft ontzettend lang geduurd voordat de schoolgang geregeld was en dat heeft een achteruitgang bij [de minderjarige] veroorzaakt. De huidige situatie is nog pril zodat voortzetting van het dwangkader op dit moment het beste is.
4.2.
De vader heeft zich aangesloten bij het standpunt van de moeder. De vader merkt dat [de minderjarige] enorm is veranderd op een positieve manier. Hij is een stuk rustiger geworden en kan nu lachen om een grapje. De vader hoopt dat het zo doorgaat en dat [de minderjarige] niet terugvalt. Het is lastig om bij instanties zaken geregeld te krijgen en daarom is het prettig dat de ouders hierbij op iemand kunnen terugvallen.
5De mening van [de minderjarige]
5.1.
heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat hij enthousiast is over [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij ziet in dat het een tijd geleden een stuk minder met hem ging, maar nu gaan veel dingen een stuk beter. Hij is sinds kort weer begonnen met school en heeft later vandaag een afspraak in [plaats] over een mogelijke dagbestedingsplek. Ook ziet hij dat het een stuk beter gaat tussen zijn ouders en dat is fijn.
Beoordeling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat uit de gedragsproblematiek van [de minderjarige] waarvoor hij nu nog twee-op-één begeleiding ontvangt. [de minderjarige] profiteert van zijn verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en beaamt dat zelf ook. Hierdoor heeft [de minderjarige] grote stappen vooruit gemaakt, waarvoor de kinderrechter [de minderjarige] een groot compliment wil geven. Het is positief dat de ouders nu goed met elkaar samenwerken, [de minderjarige] sinds een aantal dagen weer naar school gaat en dagbesteding waarschijnlijk op korte termijn van de grond zal komen. De kinderrechter is met de GI en de ouders van oordeel dat het vooral belangrijk is dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de verzoeken van de GI toewijzen, zodat de GI ervoor kan zorgen dat een passende plek voor [de minderjarige] behouden blijft en [de minderjarige] zijn schoolgang en dagbesteding zal volhouden.
6.2.
Ten slotte blijkt dat de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
6.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
6.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van een jaar noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 29 januari 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/359667 / JU RK 24-1808
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2024;
- het bericht van het plan van aanpak van de GI met bijlagen van 11 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De vader en moeder waren met elkaar gehuwd. De ouders zijn daarom belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Het huwelijk van de vader en de moeder is inmiddels door echtscheiding ontbonden.
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 29 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] heeft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een grote ontwikkeling doorgemaakt, waardoor de twee-op-één begeleiding kan worden afgebouwd. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geeft aan dat door structuur aan te brengen [de minderjarige] in staat is zichzelf te verzorgen. Hij is begeleid bij het aanleren van nieuwe coping strategieën waardoor [de minderjarige] nog zelden agressief gedrag laat zien. Waar [de minderjarige] eerder weinig respect liet zien voor vrouwen en dit ook merkbaar was in het accepteren van gezag van vrouwelijke begeleiders, lijkt dit ondertussen genormaliseerd. Vrouwen blijven wel een trigger als het gaat om zaken rondom zijn seksuele ontwikkeling. Het contact tussen de ouders verloopt moeizaam, maar vindt nu regelmatig plaats met betrekking tot de schoolgang van [de minderjarige] . Er is veel spanning tussen ouders geweest. Hoewel de ouders nu goed met elkaar omgaan, is deze verstandhouding nog maar pril. De plek van [de minderjarige] is niet lang meer beschikbaar en een vervolgplek is vooralsnog onduidelijk. De GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] onderhandelen op dit moment met de gemeente over het krijgen van een nieuwe plek binnen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] waarbij een groep met andere jongeren rondom [de minderjarige] gestart kan worden. Verder is de schoolgang van [de minderjarige] gestagneerd geweest. [de minderjarige] is deze week gestart bij [school] . De schoolgang moet zich nog normaliseren. Hiernaast wordt ook gekeken naar een dagbestedingsplek. De begeleiding van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan nog niet worden afgebouwd, omdat de start op school spanning zal oproepen.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek, juist omdat het nu zo goed gaat met [de minderjarige] . Het heeft ontzettend lang geduurd voordat de schoolgang geregeld was en dat heeft een achteruitgang bij [de minderjarige] veroorzaakt. De huidige situatie is nog pril zodat voortzetting van het dwangkader op dit moment het beste is.
4.2.
De vader heeft zich aangesloten bij het standpunt van de moeder. De vader merkt dat [de minderjarige] enorm is veranderd op een positieve manier. Hij is een stuk rustiger geworden en kan nu lachen om een grapje. De vader hoopt dat het zo doorgaat en dat [de minderjarige] niet terugvalt. Het is lastig om bij instanties zaken geregeld te krijgen en daarom is het prettig dat de ouders hierbij op iemand kunnen terugvallen.
5De mening van [de minderjarige]
5.1.
heeft tijdens zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat hij enthousiast is over [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij ziet in dat het een tijd geleden een stuk minder met hem ging, maar nu gaan veel dingen een stuk beter. Hij is sinds kort weer begonnen met school en heeft later vandaag een afspraak in [plaats] over een mogelijke dagbestedingsplek. Ook ziet hij dat het een stuk beter gaat tussen zijn ouders en dat is fijn.
Beoordeling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging bestaat uit de gedragsproblematiek van [de minderjarige] waarvoor hij nu nog twee-op-één begeleiding ontvangt. [de minderjarige] profiteert van zijn verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en beaamt dat zelf ook. Hierdoor heeft [de minderjarige] grote stappen vooruit gemaakt, waarvoor de kinderrechter [de minderjarige] een groot compliment wil geven. Het is positief dat de ouders nu goed met elkaar samenwerken, [de minderjarige] sinds een aantal dagen weer naar school gaat en dagbesteding waarschijnlijk op korte termijn van de grond zal komen. De kinderrechter is met de GI en de ouders van oordeel dat het vooral belangrijk is dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de verzoeken van de GI toewijzen, zodat de GI ervoor kan zorgen dat een passende plek voor [de minderjarige] behouden blijft en [de minderjarige] zijn schoolgang en dagbesteding zal volhouden.
6.2.
Ten slotte blijkt dat de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
6.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
6.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van een jaar noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 29 januari 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 januari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.