Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-11-14
ECLI:NL:RBNHO:2025:13520
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,338 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4679
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
en
[eiseres]
, eiseres
beiden uit [plaats] ,
tezamen te noemen: eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, het college
gemachtigde: mr. R.A. van Dijk, in dienst van BUCH.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] , hierna: de buurman.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd ten aanzien van de yurt op hun perceel aan [adres] in [plaats] . Eisers zijn het niet eens met de last. Zij betwisten dat het college in dit geval handhavend mag optreden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet toereikend heeft gemotiveerd dat sprake is van een overtreding. Daarom mag het college nu (nog) niet handhavend optreden. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 6 september 2023 heeft de buurman (samen met zijn toenmalige echtgenote en buren) het college verzocht om handhavend op te treden tegen bebouwing in het achterdeel van het perceel van eisers. Het ging toen om een pipowagen, een toiletgebouw en een yurt.
2.1.
Op 5 oktober 2023 en 27 februari 2024 heeft een toezichter in dienst van de gemeente controles uitgevoerd op het perceel van eisers en daarvan in één document verslag gedaan (hierna: het rapport).
2.2.
Het college heeft op 7 februari 2024 aan eiseres meegedeeld handhavend op te zullen treden tegen het plaatsen van de yurt en het voornemen geuit om daarom een last onder dwangsom op te leggen.
2.3.
Eisers hebben op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
2.4.
Op 29 februari 2024 heeft het college bij last onder dwangsom eisers gelast om de overtreding bestaande uit het (gestelde) bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor 15 mei 2024 op te heffen, waartoe eisers de yurt op hun perceel kunnen verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5000,- per overtreding met een maximum van € 15.000,-.
2.5.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Het college heeft de begunstigingstermijn op 20 maart 2024 verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
2.7.
Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de last gebleven, maar heeft het college de daaraan verbonden dwangsom gewijzigd tot één dwangsom voor het geval eisers de strijdigheid niet voor de gestelde termijn hebben opgeheven.
2.8.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.9.
Op 7 augustus 2025 heeft het college de begunstigingstermijn nogmaals verlengd tot zes weken na de beslissing op het beroep.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door mr. E.M.M. Yking, en de buurman. Het college is zonder bericht niet verschenen. Dat het college wel behoorlijk was uitgenodigd volgt uit het feit dat de griffier op 24 oktober 2025 de gemachtigde van het college nog telefonisch over het meebrengen van enige stukken heeft gesproken en die gemachtigde zich op maandagochtend 24 oktober 2025 bij het (andere) gerechtsgebouw, in Haarlem, heeft gemeld. De rechtbank heeft nog enige tijd gewacht op zijn komst, maar de gemachtigde is niet alsnog naar het gerechtsgebouw in Alkmaar gekomen, dat in de uitnodiging als plaats van de zitting was vermeld.
Beoordeling
Toepasselijk recht: overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving op basis van een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, mits onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Het verzoek om handhaving heeft de buurman gedaan op 6 september 2023. Dit betekent dat in dit geval de Wabo en bijbehorende regelgeving, zoals het Besluit omgevingsrecht en het bestemmingsplan Schoorl-Kernen en buurtschappen, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven, tenzij onder het nieuwe recht geen sprake meer is van een overtreding.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt het college zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, op het standpunt dat de yurt moet worden aangemerkt als een bouwwerk. Volgens het college is de yurt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.3a, eerste lid, van de Wabo gebouwd en in stand gelaten, omdat het op grond van deze bepalingen niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en in stand te laten. Het is volgens het college niet mogelijk om de yurt op grond van artikel 3 in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningsvrij te realiseren.
Standpunt eisers
5. Eisers voeren – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste stellen eisers dat het college niet heeft onderbouwd dat de yurt voldoet aan de definitie van een bouwwerk in de zin van de Wabo. Volgens eisers is de yurt per definitie verplaatsbaar en tijdelijk van aard waardoor deze niet kan worden aangemerkt als bouwwerk. Subsidiair stellen eisers dat de bouw van een yurt als recreatief nachtverblijf op grond van het huidige Omgevingsplan gemeente Bergen NH vergunningsvrij is als deze op de grond staat, niet hoger is dan 5 meter en de oppervlakte niet meer dat 70 m² bedraagt. Omdat de yurt aan deze vereisten voldoet, is volgens eisers (ook) onder het huidige recht geen sprake van een overtreding waardoor ook niet kan worden gehandhaafd. Tot slot voeren eisers aan dat het op grond van artikel 4:18 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2019 (Apv), althans de nu geldende algemene plaatselijke verordening, is toegestaan om kortdurend kampeermiddelen voor eigen gebruik te plaatsen op eigen terrein. Ook op grond daarvan is het volgens eisers toegestaan om een yurt te plaatsen op hun perceel en kan het college niet handhavend optreden.
Dienen eisers over een omgevingsvergunning voor de bouw van de yurt te beschikken?
6. De rechtbank merkt ten eerste op dat het college niet aanwezig was op de zitting en ook geen schriftelijk verweer heeft gevoerd. De rechtbank kan daarom alleen op grond van de beschikbare stukken in het door het college ingezonden dossier beoordelen of het college over kon gaan tot handhavend optreden. De rechtbank heeft zelf daarom geen nader feitenonderzoek kunnen doen.
7. De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.
7.1.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de yurt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo is gebouwd. In dit artikel is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Voor de vraag of de yurt is gerealiseerd in strijd met dit artikel is dus een voorvraag of de yurt kan worden aangemerkt als bouwwerk. Als een bouwwerk kwalificeert "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". In het primaire besluit stelt het college, dat de yurt voldoet aan deze vereisten. Het college heeft echter niet onderbouwd waar dat uit blijkt. Uit het overgelegde rapport blijkt niet uit welke materialen de yurt bestaat en evenmin hoe deze met de grond verbonden is. De yurt is alleen te zien op een luchtfoto. Alleen al hierom is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of met het plaatsen van de yurt het door het college aan het besluit ten grondslag gelegde wettelijk voorschrift is overtreden. Voorts blijkt uit de rapportage niet welke afmetingen de yurt heeft, op welke afstand deze zich bevindt van het oorspronkelijk hoofdgebouw of waar de yurt zich precies op het erf bevindt. Zodoende kan op basis van het rapport, althans enige door het college vergaarde informatie, niet worden vastgesteld of sprake is van een bouwwerk en ook niet of een van de uitzonderingen op de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, Wabo, zoals bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Hoewel het college zich daar niet op heeft beroepen, maar daar wel aan heeft gerefereerd, valt ook niet vast te stellen of artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, misschien is overtreden, dan wel een uitzondering als bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Dit alles betekent dat de rechtbank op grond van de beschikbare informatie niet kan vaststellen of sprake is van overtreding van de Wabo. Het college heeft dus en niet toereikend onderzocht en niet draagkrachtig gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo.
7.2.
Voorts kan op basis van de vergaarde – beperkte – gegevens ook niet vastgesteld worden dat er onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Dit is van belang omdat het college alleen handhavend kan optreden als er op grond van het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Uit het bestreden besluit volgt dat het college van mening is dat ook onder de Omgevingswet sprake is van een overtreding omdat de yurt niet zou passen binnen de bestemming ‘Groen’ in het Omgevingsplan gemeente Bergen NH (omgevingsplan). Hierbij gaat het college echter voorbij aan de mogelijkheid dat de yurt op grond van artikel 22.36, onder a, onder 2, van het omgevingsplan alsnog vergunningsvrij kan zijn. Omdat uit de stukken niet blijkt wat de afmetingen zijn van de yurt en verdere relevante gegevens ontbreken, kan de rechtbank deze stelling van het college ook niet op juistheid beoordelen. Ook op dit punt is het bestreden besluit dus gebrekkig voorbereid en gemotiveerd.
8. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het hen op grond van artikel 4:18 Apv zou zijn toegestaan om een yurt op hun perceel te plaatsen, merkt de rechtbank op dat het college zijn handhavingsbesluit niet op de Apv heeft gebaseerd, zodat voor de vraag of zij een overtreding hebben begaan, toetsing aan die bepaling helemaal niet aan de orde is. De rechtbank merkt daar nog wel bij op dat in de Apv als wetgeving van lagere orde geen bepalingen konden worden opgenomen waarin van de Wabo kon worden afgeweken. Dat betekent, dat, als ten aanzien van de yurt inderdaad sprake zou zijn van een bouwwerk in de zin van de Wabo, de bepalingen uit de Apv helemaal niet in beeld zouden kunnen komen.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet goed is voorbereid en in strijd is met het motiveringsbeginsel in het licht van de Wabo. Het college heeft dus de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo geschonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen grond om zelf een definitieve beslissing op het verzoek om handhaving te nemen, omdat de rechtbank hiervoor te weinig informatie heeft. Dat zal het college moeten doen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit over al dan niet handhaven moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een verdere beslissing over vergoeding van proceskosten te nemen, omdat eisers niet hebben gesteld dat zij verdergaande proceskosten hebben gemaakt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 juli 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omdat de last nog niet was opgelegd op 1 januari 2024, is artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet (nog) niet van toepassing.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265. In de Omgevingswet is deze definitie nu in de Bijlage ook als wettelijke definitie opgenomen.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4679
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
en
[eiseres]
, eiseres
beiden uit [plaats] ,
tezamen te noemen: eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, het college
gemachtigde: mr. R.A. van Dijk, in dienst van BUCH.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] , hierna: de buurman.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd ten aanzien van de yurt op hun perceel aan [adres] in [plaats] . Eisers zijn het niet eens met de last. Zij betwisten dat het college in dit geval handhavend mag optreden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet toereikend heeft gemotiveerd dat sprake is van een overtreding. Daarom mag het college nu (nog) niet handhavend optreden. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 6 september 2023 heeft de buurman (samen met zijn toenmalige echtgenote en buren) het college verzocht om handhavend op te treden tegen bebouwing in het achterdeel van het perceel van eisers. Het ging toen om een pipowagen, een toiletgebouw en een yurt.
2.1.
Op 5 oktober 2023 en 27 februari 2024 heeft een toezichter in dienst van de gemeente controles uitgevoerd op het perceel van eisers en daarvan in één document verslag gedaan (hierna: het rapport).
2.2.
Het college heeft op 7 februari 2024 aan eiseres meegedeeld handhavend op te zullen treden tegen het plaatsen van de yurt en het voornemen geuit om daarom een last onder dwangsom op te leggen.
2.3.
Eisers hebben op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
2.4.
Op 29 februari 2024 heeft het college bij last onder dwangsom eisers gelast om de overtreding bestaande uit het (gestelde) bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor 15 mei 2024 op te heffen, waartoe eisers de yurt op hun perceel kunnen verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5000,- per overtreding met een maximum van € 15.000,-.
2.5.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Het college heeft de begunstigingstermijn op 20 maart 2024 verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
2.7.
Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de last gebleven, maar heeft het college de daaraan verbonden dwangsom gewijzigd tot één dwangsom voor het geval eisers de strijdigheid niet voor de gestelde termijn hebben opgeheven.
2.8.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.9.
Op 7 augustus 2025 heeft het college de begunstigingstermijn nogmaals verlengd tot zes weken na de beslissing op het beroep.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door mr. E.M.M. Yking, en de buurman. Het college is zonder bericht niet verschenen. Dat het college wel behoorlijk was uitgenodigd volgt uit het feit dat de griffier op 24 oktober 2025 de gemachtigde van het college nog telefonisch over het meebrengen van enige stukken heeft gesproken en die gemachtigde zich op maandagochtend 24 oktober 2025 bij het (andere) gerechtsgebouw, in Haarlem, heeft gemeld. De rechtbank heeft nog enige tijd gewacht op zijn komst, maar de gemachtigde is niet alsnog naar het gerechtsgebouw in Alkmaar gekomen, dat in de uitnodiging als plaats van de zitting was vermeld.
Beoordeling
Toepasselijk recht: overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving op basis van een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, mits onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Het verzoek om handhaving heeft de buurman gedaan op 6 september 2023. Dit betekent dat in dit geval de Wabo en bijbehorende regelgeving, zoals het Besluit omgevingsrecht en het bestemmingsplan Schoorl-Kernen en buurtschappen, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven, tenzij onder het nieuwe recht geen sprake meer is van een overtreding.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt het college zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, op het standpunt dat de yurt moet worden aangemerkt als een bouwwerk. Volgens het college is de yurt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.3a, eerste lid, van de Wabo gebouwd en in stand gelaten, omdat het op grond van deze bepalingen niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen en in stand te laten. Het is volgens het college niet mogelijk om de yurt op grond van artikel 3 in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningsvrij te realiseren.
Standpunt eisers
5. Eisers voeren – kort samengevat – het volgende aan. Ten eerste stellen eisers dat het college niet heeft onderbouwd dat de yurt voldoet aan de definitie van een bouwwerk in de zin van de Wabo. Volgens eisers is de yurt per definitie verplaatsbaar en tijdelijk van aard waardoor deze niet kan worden aangemerkt als bouwwerk. Subsidiair stellen eisers dat de bouw van een yurt als recreatief nachtverblijf op grond van het huidige Omgevingsplan gemeente Bergen NH vergunningsvrij is als deze op de grond staat, niet hoger is dan 5 meter en de oppervlakte niet meer dat 70 m² bedraagt. Omdat de yurt aan deze vereisten voldoet, is volgens eisers (ook) onder het huidige recht geen sprake van een overtreding waardoor ook niet kan worden gehandhaafd. Tot slot voeren eisers aan dat het op grond van artikel 4:18 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2019 (Apv), althans de nu geldende algemene plaatselijke verordening, is toegestaan om kortdurend kampeermiddelen voor eigen gebruik te plaatsen op eigen terrein. Ook op grond daarvan is het volgens eisers toegestaan om een yurt te plaatsen op hun perceel en kan het college niet handhavend optreden.
Dienen eisers over een omgevingsvergunning voor de bouw van de yurt te beschikken?
6. De rechtbank merkt ten eerste op dat het college niet aanwezig was op de zitting en ook geen schriftelijk verweer heeft gevoerd. De rechtbank kan daarom alleen op grond van de beschikbare stukken in het door het college ingezonden dossier beoordelen of het college over kon gaan tot handhavend optreden. De rechtbank heeft zelf daarom geen nader feitenonderzoek kunnen doen.
7. De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift.
7.1.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de yurt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo is gebouwd. In dit artikel is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Voor de vraag of de yurt is gerealiseerd in strijd met dit artikel is dus een voorvraag of de yurt kan worden aangemerkt als bouwwerk. Als een bouwwerk kwalificeert "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". In het primaire besluit stelt het college, dat de yurt voldoet aan deze vereisten. Het college heeft echter niet onderbouwd waar dat uit blijkt. Uit het overgelegde rapport blijkt niet uit welke materialen de yurt bestaat en evenmin hoe deze met de grond verbonden is. De yurt is alleen te zien op een luchtfoto. Alleen al hierom is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of met het plaatsen van de yurt het door het college aan het besluit ten grondslag gelegde wettelijk voorschrift is overtreden. Voorts blijkt uit de rapportage niet welke afmetingen de yurt heeft, op welke afstand deze zich bevindt van het oorspronkelijk hoofdgebouw of waar de yurt zich precies op het erf bevindt. Zodoende kan op basis van het rapport, althans enige door het college vergaarde informatie, niet worden vastgesteld of sprake is van een bouwwerk en ook niet of een van de uitzonderingen op de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, Wabo, zoals bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Hoewel het college zich daar niet op heeft beroepen, maar daar wel aan heeft gerefereerd, valt ook niet vast te stellen of artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, misschien is overtreden, dan wel een uitzondering als bedoeld in artikel 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zich voordoet. Dit alles betekent dat de rechtbank op grond van de beschikbare informatie niet kan vaststellen of sprake is van overtreding van de Wabo. Het college heeft dus en niet toereikend onderzocht en niet draagkrachtig gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo.
7.2.
Voorts kan op basis van de vergaarde – beperkte – gegevens ook niet vastgesteld worden dat er onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Dit is van belang omdat het college alleen handhavend kan optreden als er op grond van het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Uit het bestreden besluit volgt dat het college van mening is dat ook onder de Omgevingswet sprake is van een overtreding omdat de yurt niet zou passen binnen de bestemming ‘Groen’ in het Omgevingsplan gemeente Bergen NH (omgevingsplan). Hierbij gaat het college echter voorbij aan de mogelijkheid dat de yurt op grond van artikel 22.36, onder a, onder 2, van het omgevingsplan alsnog vergunningsvrij kan zijn. Omdat uit de stukken niet blijkt wat de afmetingen zijn van de yurt en verdere relevante gegevens ontbreken, kan de rechtbank deze stelling van het college ook niet op juistheid beoordelen. Ook op dit punt is het bestreden besluit dus gebrekkig voorbereid en gemotiveerd.
8. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het hen op grond van artikel 4:18 Apv zou zijn toegestaan om een yurt op hun perceel te plaatsen, merkt de rechtbank op dat het college zijn handhavingsbesluit niet op de Apv heeft gebaseerd, zodat voor de vraag of zij een overtreding hebben begaan, toetsing aan die bepaling helemaal niet aan de orde is. De rechtbank merkt daar nog wel bij op dat in de Apv als wetgeving van lagere orde geen bepalingen konden worden opgenomen waarin van de Wabo kon worden afgeweken. Dat betekent, dat, als ten aanzien van de yurt inderdaad sprake zou zijn van een bouwwerk in de zin van de Wabo, de bepalingen uit de Apv helemaal niet in beeld zouden kunnen komen.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet goed is voorbereid en in strijd is met het motiveringsbeginsel in het licht van de Wabo. Het college heeft dus de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo geschonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen grond om zelf een definitieve beslissing op het verzoek om handhaving te nemen, omdat de rechtbank hiervoor te weinig informatie heeft. Dat zal het college moeten doen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit over al dan niet handhaven moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een verdere beslissing over vergoeding van proceskosten te nemen, omdat eisers niet hebben gesteld dat zij verdergaande proceskosten hebben gemaakt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 juli 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omdat de last nog niet was opgelegd op 1 januari 2024, is artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet (nog) niet van toepassing.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265. In de Omgevingswet is deze definitie nu in de Bijlage ook als wettelijke definitie opgenomen.