Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-30
ECLI:NL:RBNHO:2025:13330
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,682 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/306
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] en mevrouw [eiseres] , uit Hoorn, eisers
(gemachtigde: mr. J.J. de Boer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn
(gemachtigde: mr. L. Frusch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het gebruik van een tuin als locatie voor huwelijksceremonies. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Het college was bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De betrokken belangen zijn meegewogen en met de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, is voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van omwonenden. Er is geen onomkeerbare situatie en het geluidsonderzoek is zorgvuldig verricht. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het toetsingskader. Onder 5 en verder volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Kon de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor worden verleend? Heeft het college de belangen van de omgeving voldoende betrokken bij de besluitvorming? Is er sprake van een onomkeerbare situatie? Is het geluidsonderzoek zorgvuldig verricht? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Dutchen Hotels en Restaurants (hierna: vergunninghoudster) heeft op 5 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van de binnentuin van haar perceel [perceel 1] in Hoorn als locatie voor huwelijksceremonies. Met het besluit van 31 mei 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Feiten
3. Vergunninghoudster is eigenaresse van het perceel [perceel 1] in Hoorn. Op dit perceel bevindt zich aan de straatzijde een pand en achter het pand ligt een binnentuin. Eisers wonen aan [perceel 2] in Hoorn. Dit perceel bevindt zich aan de achterzijde van [perceel 1] , achter de binnentuin.
3.1.
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik. Op het perceel geldt onder meer het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (hierna: het bestemmingsplan), waarin de binnentuin is bestemd voor ‘Tuin-Binnentuin’ met de dubbelbestemming ‘Waarde Beschermd stadsgezicht’. Het gebruik van de binnentuin voor huwelijksceremonies is hiermee in strijd. Om de omgevingsvergunning toch te kunnen verlenen, heeft het college gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9 van bijlage II bij het Bor. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden.
3.2.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het bestreden besluit in stand gelaten en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is het college afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). Anders dan de commissie stelt het college zich op het standpunt dat het pand op het perceel [perceel 1] wel deel uitmaakt van de aanvraag. Het gaat niet alleen om het aanvraagformulier, maar ook over de bijgevoegde tekeningen en onderzoeksrapporten. In de aanvraag wordt het adres [perceel 1] opgegeven. Bruidsparen en hun bezoekers maken ook gebruik van het pand. Het Bor is daarom wel degelijk de juiste grondslag voor de verleende omgevingsvergunning. Volgens de commissie blijkt uit het besluit van 31 mei 2024 onvoldoende hoe de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden in het kader van de geldende dubbelbestemming in dit geval zijn gewogen. Het college heeft in heroverweging nader gemotiveerd dat het gebruik van de binnentuin geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van de tuin en daarmee is het motiveringsgebrek gerepareerd. Ook over zang en dronegebruik zijn voorschriften toegevoegd aan de omgevingsvergunning.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghoudster heeft vóór de inwerkingtreding, op 5 december 2023, een omgevingsvergunning gevraagd. Dit betekent dat op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing blijft tot het bestreden besluit onherroepelijk wordt. Dit betekent dat op deze procedure de Wabo en bijbehorende regelingen van toepassing blijven.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Kon de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor worden verleend?
5. Eisers betogen dat het college een onjuiste juridische grondslag heeft toegepast om de omgevingsvergunning te verlenen. Het college stelt dat het perceel [perceel 1] onder het Bor valt, omdat het gebouw deel uitmaakt en ten dienste staat van de huwelijksceremonies die in de tuin worden gehouden. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) staat vast dat in de onderhavige situatie geen sprake is van een gebruikswijziging van het bij het bouwwerk behorende aansluitend terrein, maar van een nieuw gebruik in de tuin zelf. Een gebruikswijziging van een aansluitend terrein kan immers alleen plaatsvinden ten behoeve van het gebruik van het bouwwerk waarop het terrein aansluit. Een gebruikswijziging van de binnentuin zou dus alleen kunnen ten behoeve van het aangevraagde of al vergunde gebruik van het gebouw. De kern van de onderhavige aanvraag ziet op de tuin.
5.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt: “[appellant] heeft de aanvraag ingediend om de achter zijn hotel gelegen tuin in gebruik te kunnen nemen als terras. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is daarmee geen sprake van het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie, zoals bedoeld in de nota van toelichting, maar van een gebruikswijziging van het bij het hotel behorende aansluitend terrein, dat onder het bereik van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor valt. Evenmin kan het college worden gevolgd in zijn standpunt dat dit artikel slechts van toepassing is op de wijziging van het gebruik van een aansluitend terrein, indien dit samengaat met een wijziging van het gebruik van het bouwwerk waar dat terrein op aansluit. Met het doel van de wijziging van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor, zoals hiervoor weergegeven, laat zich niet rijmen dat, waar voor een gebruikswijziging van een aansluitend terrein samen met de gebruikswijziging van het bouwwerk waarop het terrein aansluit de reguliere voorbereidingsprocedure kan worden gevolgd, voor de zelfstandige gebruikswijziging van een bij een bouwwerk aansluitend terrein, bijvoorbeeld indien het gewenste gebruik van dat bouwwerk reeds is vergund, de uitgebreide voorbereidingsprocedure zou moeten worden gevolgd.”
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de bovenstaande uitspraak volgt dat de gebruikswijziging van een bouwwerk en de gebruikswijziging van bij dat bouwwerk behorend aansluitend terrein niet tegelijkertijd vergund hoeven te worden. Die twee kunnen in de tijd worden gesplitst. Of het gebouw op het perceel in dit geval onderdeel uitmaakt van de aanvraag van 5 december 2023 of niet laat de rechtbank daarom in het midden. Gelet op het voorgaande is een zelfstandige gebruikswijziging van de binnentuin dus mogelijk en kon het college daarom de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor verlenen.
Heeft het college de belangen van de omgeving voldoende betrokken bij de besluitvorming?
6. Eisers betogen dat het college niet alle betrokken belangen heeft meegewogen, terwijl het college dit wel moet doen op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het feit dat sprake is van een doodstille binnentuin is bewust niet betrokken in de belangenafweging. Het klopt dat het niet is vastgelegd dat in de binnentuin een bijzonder laag geluidsniveau hoort te zijn, maar in de praktijk is hier wel sprake van. Mensen hechten daar veel (ruimtelijke) waarde aan. Wanneer dit belang wel wordt meegewogen, kom je al snel tot de conclusie dat huwelijksceremonies niet kunnen plaatsvinden in een doodstille binnentuin. Er is alleen gekeken naar de inhoud van het bestemmingsplan en de inhoud van de aanvraag, niet naar de feitelijke situatie ter plaatse en feitelijkheden van huwelijksceremonies. Op zitting heeft de gemachtigde van eisers nog aangevuld dat ‘Tuin-Binnentuin’ een bijzondere bestemming is, omdat overal in de binnenstad de tuinen de bestemming ‘Wonen’ of ‘Gemengd’ hebben. Dit komt doordat de binnentuin onderdeel is van de groenstructuur in Hoorn en daarbij hoort tot de kleinschalige rustgebieden. Dit volgt uit de toelichting van het bestemmingsplan. Het college had het stilteniveau en alle feitelijke aspecten mee moeten wegen en dat is niet gebeurd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.3, aanhef en onder a
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid en onder c
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 2°
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
(…)
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4, aanhef en onder 9 van bijlage II
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
Bestemmingsplan Binnenstad
Artikel 19 Tuin – Binnentuin
19.1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin - Binnentuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. binnentuinen;
met de daarbijbehorende:
b. gebouwen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gebouw’
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
waarbij het behoud van de in bijlage 4 en 5 van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht uitgangspunt is.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Afdeling van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:687; Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477.
Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477, r.o. 4.2.
Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:82.
Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4408, r.o. 10; Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:957, r.o. 2.2.
Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:957, r.o. 3.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/306
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] en mevrouw [eiseres] , uit Hoorn, eisers
(gemachtigde: mr. J.J. de Boer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn
(gemachtigde: mr. L. Frusch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het gebruik van een tuin als locatie voor huwelijksceremonies. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Het college was bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De betrokken belangen zijn meegewogen en met de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, is voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van omwonenden. Er is geen onomkeerbare situatie en het geluidsonderzoek is zorgvuldig verricht. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het toetsingskader. Onder 5 en verder volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Kon de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor worden verleend? Heeft het college de belangen van de omgeving voldoende betrokken bij de besluitvorming? Is er sprake van een onomkeerbare situatie? Is het geluidsonderzoek zorgvuldig verricht? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Dutchen Hotels en Restaurants (hierna: vergunninghoudster) heeft op 5 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van de binnentuin van haar perceel [perceel 1] in Hoorn als locatie voor huwelijksceremonies. Met het besluit van 31 mei 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eiser] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Feiten
3. Vergunninghoudster is eigenaresse van het perceel [perceel 1] in Hoorn. Op dit perceel bevindt zich aan de straatzijde een pand en achter het pand ligt een binnentuin. Eisers wonen aan [perceel 2] in Hoorn. Dit perceel bevindt zich aan de achterzijde van [perceel 1] , achter de binnentuin.
3.1.
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik. Op het perceel geldt onder meer het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (hierna: het bestemmingsplan), waarin de binnentuin is bestemd voor ‘Tuin-Binnentuin’ met de dubbelbestemming ‘Waarde Beschermd stadsgezicht’. Het gebruik van de binnentuin voor huwelijksceremonies is hiermee in strijd. Om de omgevingsvergunning toch te kunnen verlenen, heeft het college gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9 van bijlage II bij het Bor. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden.
3.2.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het bestreden besluit in stand gelaten en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is het college afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie). Anders dan de commissie stelt het college zich op het standpunt dat het pand op het perceel [perceel 1] wel deel uitmaakt van de aanvraag. Het gaat niet alleen om het aanvraagformulier, maar ook over de bijgevoegde tekeningen en onderzoeksrapporten. In de aanvraag wordt het adres [perceel 1] opgegeven. Bruidsparen en hun bezoekers maken ook gebruik van het pand. Het Bor is daarom wel degelijk de juiste grondslag voor de verleende omgevingsvergunning. Volgens de commissie blijkt uit het besluit van 31 mei 2024 onvoldoende hoe de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden in het kader van de geldende dubbelbestemming in dit geval zijn gewogen. Het college heeft in heroverweging nader gemotiveerd dat het gebruik van de binnentuin geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van de tuin en daarmee is het motiveringsgebrek gerepareerd. Ook over zang en dronegebruik zijn voorschriften toegevoegd aan de omgevingsvergunning.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghoudster heeft vóór de inwerkingtreding, op 5 december 2023, een omgevingsvergunning gevraagd. Dit betekent dat op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing blijft tot het bestreden besluit onherroepelijk wordt. Dit betekent dat op deze procedure de Wabo en bijbehorende regelingen van toepassing blijven.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Kon de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor worden verleend?
5. Eisers betogen dat het college een onjuiste juridische grondslag heeft toegepast om de omgevingsvergunning te verlenen. Het college stelt dat het perceel [perceel 1] onder het Bor valt, omdat het gebouw deel uitmaakt en ten dienste staat van de huwelijksceremonies die in de tuin worden gehouden. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) staat vast dat in de onderhavige situatie geen sprake is van een gebruikswijziging van het bij het bouwwerk behorende aansluitend terrein, maar van een nieuw gebruik in de tuin zelf. Een gebruikswijziging van een aansluitend terrein kan immers alleen plaatsvinden ten behoeve van het gebruik van het bouwwerk waarop het terrein aansluit. Een gebruikswijziging van de binnentuin zou dus alleen kunnen ten behoeve van het aangevraagde of al vergunde gebruik van het gebouw. De kern van de onderhavige aanvraag ziet op de tuin.
5.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt: “[appellant] heeft de aanvraag ingediend om de achter zijn hotel gelegen tuin in gebruik te kunnen nemen als terras. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is daarmee geen sprake van het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie, zoals bedoeld in de nota van toelichting, maar van een gebruikswijziging van het bij het hotel behorende aansluitend terrein, dat onder het bereik van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor valt. Evenmin kan het college worden gevolgd in zijn standpunt dat dit artikel slechts van toepassing is op de wijziging van het gebruik van een aansluitend terrein, indien dit samengaat met een wijziging van het gebruik van het bouwwerk waar dat terrein op aansluit. Met het doel van de wijziging van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor, zoals hiervoor weergegeven, laat zich niet rijmen dat, waar voor een gebruikswijziging van een aansluitend terrein samen met de gebruikswijziging van het bouwwerk waarop het terrein aansluit de reguliere voorbereidingsprocedure kan worden gevolgd, voor de zelfstandige gebruikswijziging van een bij een bouwwerk aansluitend terrein, bijvoorbeeld indien het gewenste gebruik van dat bouwwerk reeds is vergund, de uitgebreide voorbereidingsprocedure zou moeten worden gevolgd.”
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de bovenstaande uitspraak volgt dat de gebruikswijziging van een bouwwerk en de gebruikswijziging van bij dat bouwwerk behorend aansluitend terrein niet tegelijkertijd vergund hoeven te worden. Die twee kunnen in de tijd worden gesplitst. Of het gebouw op het perceel in dit geval onderdeel uitmaakt van de aanvraag van 5 december 2023 of niet laat de rechtbank daarom in het midden. Gelet op het voorgaande is een zelfstandige gebruikswijziging van de binnentuin dus mogelijk en kon het college daarom de omgevingsvergunning met toepassing van het Bor verlenen.
Heeft het college de belangen van de omgeving voldoende betrokken bij de besluitvorming?
6. Eisers betogen dat het college niet alle betrokken belangen heeft meegewogen, terwijl het college dit wel moet doen op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het feit dat sprake is van een doodstille binnentuin is bewust niet betrokken in de belangenafweging. Het klopt dat het niet is vastgelegd dat in de binnentuin een bijzonder laag geluidsniveau hoort te zijn, maar in de praktijk is hier wel sprake van. Mensen hechten daar veel (ruimtelijke) waarde aan. Wanneer dit belang wel wordt meegewogen, kom je al snel tot de conclusie dat huwelijksceremonies niet kunnen plaatsvinden in een doodstille binnentuin. Er is alleen gekeken naar de inhoud van het bestemmingsplan en de inhoud van de aanvraag, niet naar de feitelijke situatie ter plaatse en feitelijkheden van huwelijksceremonies. Op zitting heeft de gemachtigde van eisers nog aangevuld dat ‘Tuin-Binnentuin’ een bijzondere bestemming is, omdat overal in de binnenstad de tuinen de bestemming ‘Wonen’ of ‘Gemengd’ hebben. Dit komt doordat de binnentuin onderdeel is van de groenstructuur in Hoorn en daarbij hoort tot de kleinschalige rustgebieden. Dit volgt uit de toelichting van het bestemmingsplan. Het college had het stilteniveau en alle feitelijke aspecten mee moeten wegen en dat is niet gebeurd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.3, aanhef en onder a
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid en onder c
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 2°
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
(…)
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4, aanhef en onder 9 van bijlage II
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
Bestemmingsplan Binnenstad
Artikel 19 Tuin – Binnentuin
19.1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin - Binnentuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. binnentuinen;
met de daarbijbehorende:
b. gebouwen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gebouw’
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
waarbij het behoud van de in bijlage 4 en 5 van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht uitgangspunt is.
Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Afdeling van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:687; Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477.
Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477, r.o. 4.2.
Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:82.
Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4408, r.o. 10; Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:957, r.o. 2.2.
Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:957, r.o. 3.
Feiten
Dit is in strijd met de kern van de Awb (de rechtbank begrijpt: artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb).
6.1.
Artikel 3:4, eerste lid van de Awb luidt: “Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.”
Artikel 3:2 van de Awb luidt: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.”
6.2.
De rechtbank merkt vooraf op dat het college beleidsruimte heeft om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat betekent dat het bestreden besluit, mits voldaan aan de voorwaarden voor afwijking, alleen niet in stand kan blijven als het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is het met het college eens dat de betrokken belangen zijn afgewogen. Het college heeft bij de belangenafweging gekeken naar de desbetreffende locatie, feitelijke ligging, waarde van de historische binnentuin en het feit dat het gaat om gedeeltelijke legalisatie van al langer uitgevoerde activiteiten. Daarnaast is advies ingewonnen bij de afdeling Erfgoed. Verder zijn er informatiebijeenkomsten gehouden en konden omwonenden hun zienswijze kenbaar maken. Het college heeft de reactie op de zienswijzen opgenomen in het besluit van 31 mei 2024. De voorschriften zijn ook met het oog op bescherming van de omwonenden aan de omgevingsvergunning verbonden. Verder blijkt uit het geluidsonderzoek dat het geluidsniveau nergens hoger is dan de richtwaarden die kunnen worden aangehouden in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Er wordt ook voldaan aan het Activiteitenbesluit. Tot slot kan de rechtbank de redenering van het college op zitting volgen dat geen bestemming ‘Groen’ is toegekend aan de binnentuin en dat om die reden het betoog van eisers over de groenstructuur en het stilteniveau geen doel kan treffen.
Is er sprake van een onomkeerbare situatie?
7. Eisers betogen dat sprake is van een onomkeerbare situatie. De kernwaarde van de binnentuin is stilte en dat wordt structureel aangetast bij 50 huwelijksceremonies per jaar. Dit doet fors afbreuk aan de kernwaarde van de binnentuin. Wanneer de omgevingsvergunning eenmaal onherroepelijk is, is er geen weg terug. Er ontstaat dan een situatie waarin handhaving feitelijk een illusie wordt. Wanneer de bezoekers bij een bruiloft meer herrie maken dan berekend, is er niemand die kan optreden. Er geldt namelijk geen norm. Een aantal feitelijke situaties zijn niet meegenomen in de berekening van het geluid. Deze frustrerende situatie tast het woon- en leefklimaat ernstig aan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 19 van het bestemmingsplan is de aangewezen grond onder meer bestemd voor een binnentuin waarbij het behoud van de in bijlage 4 en 5 van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht uitgangspunt is. Die bijlagen bevatten, respectievelijk, de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht en de aanvulling daarvan. De rechtbank is het met het college eens dat de huwelijksceremonies niet de cultuurhistorische waarde van de binnentuin aantasten. De huwelijksceremonies zijn tijdelijk, van korte duur en reversibel. Bebouwing en het verwijderen van beplanting is niet toegestaan. Het betoog van eisers dat er geen weg terug is na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning volgt de rechtbank niet. Intrekking van de omgevingsvergunning en handhaving bij overtreding van de voorwaarden is mogelijk.
Is het geluidsonderzoek zorgvuldig verricht?
8. Op grond van de conclusie van het ingenieursbureau DGMR betogen eisers dat het geluidsonderzoek geen rekening heeft gehouden met de feitelijke aspecten van huwelijksplechtigheden. De uitgangspunten van dat geluidsonderzoek passen meer bij een begrafenis dan bij een huwelijksceremonie. Mensen praten namelijk niet zacht. Er is geen rekening gehouden met de momenten waarop harder geluid wordt geproduceerd. Het ligt bovendien voor de hand dat de ambtenaar van de burgerlijke stand gebruik maakt van versterking. Dit is niet meegenomen in het onderzoek. Bovendien staat in het rapport dat de bedrijfstijd acht uur is en een huwelijksceremonie twee uur duurt. Het gaat uit van 75 bezoekers waarbij de helft op normale wijze met elkaar praat. Eisers menen dat geen rekening is gehouden met het tijdsbestek van aanvang en afsluiting van de huwelijksceremonie en het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Het onderzoek houdt alleen rekening met de situatie waarin mensen zitten. In het rapport staat verder dat de op- en afbouw zes uur bedraagt. Er staat nergens hoe dit is meegenomen in het onderzoek. De schotten die zijn geplaatst en dienen als geluidscherm in het onderzoek voldoen niet aan de massa eis van 10kg/m2. Tot slot stellen eisers dat voor de maximale planologische invulling moet worden uitgegaan van 1.120 m2. De uitgangspunten van het geluidsonderzoek zijn niet realistisch.
8.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan. Het bestuursorgaan moet eerst nagaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben het geluidsrapport laten beoordelen door DGMR. Van die beoordeling is geen rapport overgelegd. Uit de conclusie van DGMR volgen ook geen gegevens waaruit naar voren komt dat de bevindingen in het akoestisch onderzoek gebreken of leemtes in kennis vertonen. Volgens het akoestisch onderzoek zijn de geluidswaarden binnen de richtwaarden voor een rustige wijk. Op de gevel van de maatgevende woning wordt aan de geluidsnormen voldaan. De woning van eisers ligt verder van de binnentuin af dan de maatgevende woning, zodat ervan uit moet worden gegaan dat ter hoogte van hun woning te meer aan de geluidsnormen wordt voldaan. De berekende geluidsniveaus en andere geluidsvoorschriften zijn opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarin is onder meer opgenomen dat er geen enkele versterking van geluid plaatsvindt en er geen muziekgeluid ten gehore wordt gebracht, versterkt of onversterkt. Tot slot heeft het college het rapport ter controle voorgelegd aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (hierna: ODNHN). Het rapport is door de ODNHN geaccepteerd. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het geluidsonderzoek zorgvuldig is verricht.
Feiten
Dit is in strijd met de kern van de Awb (de rechtbank begrijpt: artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb).
6.1.
Artikel 3:4, eerste lid van de Awb luidt: “Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.”
Artikel 3:2 van de Awb luidt: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.”
6.2.
De rechtbank merkt vooraf op dat het college beleidsruimte heeft om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat betekent dat het bestreden besluit, mits voldaan aan de voorwaarden voor afwijking, alleen niet in stand kan blijven als het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is het met het college eens dat de betrokken belangen zijn afgewogen. Het college heeft bij de belangenafweging gekeken naar de desbetreffende locatie, feitelijke ligging, waarde van de historische binnentuin en het feit dat het gaat om gedeeltelijke legalisatie van al langer uitgevoerde activiteiten. Daarnaast is advies ingewonnen bij de afdeling Erfgoed. Verder zijn er informatiebijeenkomsten gehouden en konden omwonenden hun zienswijze kenbaar maken. Het college heeft de reactie op de zienswijzen opgenomen in het besluit van 31 mei 2024. De voorschriften zijn ook met het oog op bescherming van de omwonenden aan de omgevingsvergunning verbonden. Verder blijkt uit het geluidsonderzoek dat het geluidsniveau nergens hoger is dan de richtwaarden die kunnen worden aangehouden in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Er wordt ook voldaan aan het Activiteitenbesluit. Tot slot kan de rechtbank de redenering van het college op zitting volgen dat geen bestemming ‘Groen’ is toegekend aan de binnentuin en dat om die reden het betoog van eisers over de groenstructuur en het stilteniveau geen doel kan treffen.
Is er sprake van een onomkeerbare situatie?
7. Eisers betogen dat sprake is van een onomkeerbare situatie. De kernwaarde van de binnentuin is stilte en dat wordt structureel aangetast bij 50 huwelijksceremonies per jaar. Dit doet fors afbreuk aan de kernwaarde van de binnentuin. Wanneer de omgevingsvergunning eenmaal onherroepelijk is, is er geen weg terug. Er ontstaat dan een situatie waarin handhaving feitelijk een illusie wordt. Wanneer de bezoekers bij een bruiloft meer herrie maken dan berekend, is er niemand die kan optreden. Er geldt namelijk geen norm. Een aantal feitelijke situaties zijn niet meegenomen in de berekening van het geluid. Deze frustrerende situatie tast het woon- en leefklimaat ernstig aan.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 19 van het bestemmingsplan is de aangewezen grond onder meer bestemd voor een binnentuin waarbij het behoud van de in bijlage 4 en 5 van de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht uitgangspunt is. Die bijlagen bevatten, respectievelijk, de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht en de aanvulling daarvan. De rechtbank is het met het college eens dat de huwelijksceremonies niet de cultuurhistorische waarde van de binnentuin aantasten. De huwelijksceremonies zijn tijdelijk, van korte duur en reversibel. Bebouwing en het verwijderen van beplanting is niet toegestaan. Het betoog van eisers dat er geen weg terug is na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning volgt de rechtbank niet. Intrekking van de omgevingsvergunning en handhaving bij overtreding van de voorwaarden is mogelijk.
Is het geluidsonderzoek zorgvuldig verricht?
8. Op grond van de conclusie van het ingenieursbureau DGMR betogen eisers dat het geluidsonderzoek geen rekening heeft gehouden met de feitelijke aspecten van huwelijksplechtigheden. De uitgangspunten van dat geluidsonderzoek passen meer bij een begrafenis dan bij een huwelijksceremonie. Mensen praten namelijk niet zacht. Er is geen rekening gehouden met de momenten waarop harder geluid wordt geproduceerd. Het ligt bovendien voor de hand dat de ambtenaar van de burgerlijke stand gebruik maakt van versterking. Dit is niet meegenomen in het onderzoek. Bovendien staat in het rapport dat de bedrijfstijd acht uur is en een huwelijksceremonie twee uur duurt. Het gaat uit van 75 bezoekers waarbij de helft op normale wijze met elkaar praat. Eisers menen dat geen rekening is gehouden met het tijdsbestek van aanvang en afsluiting van de huwelijksceremonie en het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Het onderzoek houdt alleen rekening met de situatie waarin mensen zitten. In het rapport staat verder dat de op- en afbouw zes uur bedraagt. Er staat nergens hoe dit is meegenomen in het onderzoek. De schotten die zijn geplaatst en dienen als geluidscherm in het onderzoek voldoen niet aan de massa eis van 10kg/m2. Tot slot stellen eisers dat voor de maximale planologische invulling moet worden uitgegaan van 1.120 m2. De uitgangspunten van het geluidsonderzoek zijn niet realistisch.
8.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan. Het bestuursorgaan moet eerst nagaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben het geluidsrapport laten beoordelen door DGMR. Van die beoordeling is geen rapport overgelegd. Uit de conclusie van DGMR volgen ook geen gegevens waaruit naar voren komt dat de bevindingen in het akoestisch onderzoek gebreken of leemtes in kennis vertonen. Volgens het akoestisch onderzoek zijn de geluidswaarden binnen de richtwaarden voor een rustige wijk. Op de gevel van de maatgevende woning wordt aan de geluidsnormen voldaan. De woning van eisers ligt verder van de binnentuin af dan de maatgevende woning, zodat ervan uit moet worden gegaan dat ter hoogte van hun woning te meer aan de geluidsnormen wordt voldaan. De berekende geluidsniveaus en andere geluidsvoorschriften zijn opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarin is onder meer opgenomen dat er geen enkele versterking van geluid plaatsvindt en er geen muziekgeluid ten gehore wordt gebracht, versterkt of onversterkt. Tot slot heeft het college het rapport ter controle voorgelegd aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (hierna: ODNHN). Het rapport is door de ODNHN geaccepteerd. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het geluidsonderzoek zorgvuldig is verricht.