Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-01
ECLI:NL:RBNHO:2025:13163
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 text/xml public 2026-02-27T10:59:22 2025-11-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-10-01 11141276 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 text/html public 2026-02-27T10:58:48 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 Rechtbank Noord-Holland , 01-10-2025 / 11141276 Het is niet gebleken dat de vervoerder ook maar enige poging heeft gedaan om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. De vervoerder moet ook de opties bij andere vervoerders actief aanbieden. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11141276 \ CV EXPL 24-3658 Uitspraakdatum: 1 oktober 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats], eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht easyJet Airline Company gevestigd te Londen Luton (Verenigd Koninkrijk) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 18 juni 2023 vervoeren van Geneve (Zwitserland) naar Amsterdam, met vlucht EZY7868 (hierna: de vlucht). 2.2. De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.4. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 885,47, vermeerderd met de wettelijke rente; - € 160,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten en de nakosten. 3.2. Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening. 3.3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast stellen de passagiers dat de vervoerder gehouden is om de kosten van de vervangende vlucht (€ 385,47) te vergoeden. 3.4. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Compensatie 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. Daarover wordt als volgt overwogen. 4.3. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij de passagiers een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagiers om te boeken naar een andere vlucht. De stelling van de vervoerder dat er blijkens het interne omboekingssysteem geen vlucht beschikbaar was, is daartoe onvoldoende. De vervoerder is immers ook gehouden om vluchtopties bij andere luchtvaartmaatschappijen te onderzoeken. De vervoerder heeft weliswaar een lijst van alle vluchten tussen Amsterdam en Geneve op 19 juni 2023 overgelegd, maar daaruit blijkt niet of er wel of geen plaatsen vrij waren op deze vluchten. Bovendien zou de litigieuze vlucht om 18:55 uur vertrekken, en zou dus óók een ochtend- of middagvlucht van 20 juni 2023 een redelijk alternatief zijn geweest. De conclusie is dat niet is gebleken dat de vervoerder ook maar enige poging heeft gedaan om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. 4.4. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment vast zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. Het feit dat de passagiers er om hen moverende redenen voor hebben gekozen om zelf een alternatieve vlucht met als vertrekdatum 19 juni 2023 te boeken, staat daar niet aan in de weg. Schadevergoeding 4.5. De passagiers hebben schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door hen zelf geboekte alternatieve vlucht vergoed willen zien. De kantonrechter merkt in dit verband op dat de Verordening geen zelfstandige grondslag biedt voor de vergoeding van extra gemaakte kosten. 4.6. De passagiers beroepen zich (mede) op het Verdrag van Montreal. Artikel 19 van dat verdrag bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘ schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen ’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. 4.7. De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om de passagiers een vervangende vlucht naar Geneve aan te bieden. 4.8. De kantonrechter is van oordeel dat de overgelegde boekingsbevestiging (waarin ook de prijs en de wijze van betaling staan genoemd) een voldoende onderbouwing van de gemaakte kosten vormt. Bovendien zijn de kosten voldoende noodzakelijk, redelijk en passend gebleken. Dat betekent dat de vervoerder de kosten van de vervangende vlucht moet vergoeden. 4.9. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat slechts sprake kan zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten de eventuele restitutie van de oorspronkelijke vliegtickets overschrijden. Dat betekent dat een eventueel gerestitueerd bedrag op de toegewezen schadevergoeding in mindering moet komen. Conclusie 4.10. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de passagiers zal toewijzen, behoudens het navolgende. 4.11. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. 4.12. Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen. 4.13. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt hij ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de passagiers worden gemaakt. 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 885,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2023 tot de dag van de gehele betaling; 5.2.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 text/xml public 2026-02-27T10:59:22 2025-11-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-10-01 11141276 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 text/html public 2026-02-27T10:58:48 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:13163 Rechtbank Noord-Holland , 01-10-2025 / 11141276 Het is niet gebleken dat de vervoerder ook maar enige poging heeft gedaan om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. De vervoerder moet ook de opties bij andere vervoerders actief aanbieden. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11141276 \ CV EXPL 24-3658 Uitspraakdatum: 1 oktober 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats], eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht easyJet Airline Company gevestigd te Londen Luton (Verenigd Koninkrijk) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. B. Koolhaas 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 18 juni 2023 vervoeren van Geneve (Zwitserland) naar Amsterdam, met vlucht EZY7868 (hierna: de vlucht). 2.2. De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. 2.4. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 885,47, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 160,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten. 3.2. Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening. 3.3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast stellen de passagiers dat de vervoerder gehouden is om de kosten van de vervangende vlucht (€ 385,47) te vergoeden. 3.4. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Compensatie 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. Daarover wordt als volgt overwogen. 4.3. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij de passagiers een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagiers om te boeken naar een andere vlucht. De stelling van de vervoerder dat er blijkens het interne omboekingssysteem geen vlucht beschikbaar was, is daartoe onvoldoende. De vervoerder is immers ook gehouden om vluchtopties bij andere luchtvaartmaatschappijen te onderzoeken. De vervoerder heeft weliswaar een lijst van alle vluchten tussen Amsterdam en Geneve op 19 juni 2023 overgelegd, maar daaruit blijkt niet of er wel of geen plaatsen vrij waren op deze vluchten. Bovendien zou de litigieuze vlucht om 18:55 uur vertrekken, en zou dus óók een ochtend- of middagvlucht van 20 juni 2023 een redelijk alternatief zijn geweest. De conclusie is dat niet is gebleken dat de vervoerder ook maar enige poging heeft gedaan om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. 4.4. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment vast zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. Het feit dat de passagiers er om hen moverende redenen voor hebben gekozen om zelf een alternatieve vlucht met als vertrekdatum 19 juni 2023 te boeken, staat daar niet aan in de weg. Schadevergoeding 4.5. De passagiers hebben schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door hen zelf geboekte alternatieve vlucht vergoed willen zien. De kantonrechter merkt in dit verband op dat de Verordening geen zelfstandige grondslag biedt voor de vergoeding van extra gemaakte kosten. 4.6. De passagiers beroepen zich (mede) op het Verdrag van Montreal. Artikel 19 van dat verdrag bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘ schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen ’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. 4.7. De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om de passagiers een vervangende vlucht naar Geneve aan te bieden. 4.8. De kantonrechter is van oordeel dat de overgelegde boekingsbevestiging (waarin ook de prijs en de wijze van betaling staan genoemd) een voldoende onderbouwing van de gemaakte kosten vormt. Bovendien zijn de kosten voldoende noodzakelijk, redelijk en passend gebleken. Dat betekent dat de vervoerder de kosten van de vervangende vlucht moet vergoeden. 4.9. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat slechts sprake kan zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten de eventuele restitutie van de oorspronkelijke vliegtickets overschrijden. Dat betekent dat een eventueel gerestitueerd bedrag op de toegewezen schadevergoeding in mindering moet komen. Conclusie 4.10. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de passagiers zal toewijzen, behoudens het navolgende. 4.11. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. 4.12. Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen. 4.13. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt hij ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de passagiers worden gemaakt. 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 885,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2023 tot de dag van de gehele betaling; 5.2.