Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-16
ECLI:NL:RBNHO:2025:12007
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,582 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11855446 \ VV EXPL 25-122
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T.P. Schut,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. I.R. Lieshout.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [gedaagde].
Feiten
2.1.
[eiser] heeft zijn (exclusieve) schoenen collectie in bewaring gegeven aan [gedaagde].
2.2.
[gedaagde] heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail van 28 augustus 2025 bericht dat hij de schoenencollectie heeft verkocht voor € 10.500,00. [gedaagde] heeft [eiser] niet betrokken bij de verkoop van de schoenencollectie.
2.3.
[gedaagde] heeft het door hem ontvangen bedrag niet aan [eiser] overgemaakt.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zonder zijn medeweten de schoenencollectie heeft verkocht en dat hij recht heeft op de verkoopopbrengsten. Hij heeft voldoende spoedeisend belang bij de vordering gelet op zijn financiële situatie en de erkenning van de vordering door [gedaagde].
3.3.
[gedaagde] erkent dat de schoenencollectie buiten medeweten van [eiser] is verkocht maar concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], omdat geen sprake is van spoedeisend belang. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid dan wel de hoogte van de gevorderde incassokosten en rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Met betrekking tot een voorlopige voorziening in kort geding, strekkende tot betaling van een geldsom, is in beginsel terughoudendheid geboden. Niet alleen zal onderzocht worden of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die in het licht van de betrokken belangen meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen, het zogeheten restitutierisico. Of van een eisende partij kan worden verwacht dat een bodemprocedure wordt afgewacht hangt af van verschillende factoren, waarbij een geringere mate van de aanwezigheid van de ene factor kan worden opgeheven door een meerdere mate van aanwezigheid van een andere factor.
4.2.
[gedaagde] heeft de vordering in hoofdsom ter zitting met zoveel woorden erkend. [gedaagde] heeft wel nog een beroep op verrekening gedaan in verband met een tegenvordering in de vorm van een schadevergoeding wegens in zijn woning door [eiser] aangerichte schade. Hij heeft deze tegenvordering met zijn betoog dat daarbij een vlindermes is gebruikt dat zich in de berging bevond en [eiser] als een van de weinigen weet waar die berging zich bevindt in het licht van de betwisting door [eiser] volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het betoog van zijn gemachtigde ter zitting dat niet verwacht kan worden dat [gedaagde] een nadere onderbouwing geeft omdat een kortgedingprocedure zich niet voor bewijslevering leent berust op een misvatting. Het staat partijen in kort geding immers vrij standpunten in te nemen en ter onderbouwing daarvan eventueel stukken te overleggen. Aan de hand daarvan zal de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel vormen omtrent de voor de beoordeling van belang zijnde feiten. Omdat [gedaagde] zijn standpunt ter zake onvoldoende heeft onderbouwd faalt zijn beroep op verrekening. Dat heeft tot gevolg dat van [eiser] niet verwacht hoeft te worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.3.
[eiser] vordert verder € 1.058,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft primair aangevoerd dat de kosten niet toegewezen kunnen worden omdat er geen 14-dagen brief is verzonden en subsidiair dat een correcte berekening zou uitkomen op € 875,00. [gedaagde] miskent daarmee dat de vordering van [eiser] geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom wordt getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal waarbij een 14-dagen brief niet is vereist. [eiser] heeft (onbetwist) gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Voor de hoogte van de kosten heeft [eiser] aansluiting gezocht bij de staffel van het Besluit. De vordering is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 875,00 bij € 10.000,00 in hoofdsom en komt kennelijk overeen met dit bedrag aan buitengerechtelijke kosten vermeerderd met omzetbelasting. Omdat geen omzetbelasting is gevorderd, zal een bedrag van € 875,00 worden toegewezen.
4.4.
Wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat [gedaagde] in verzuim is geweest. [eiser] heeft toegelicht dat de wettelijke rente is berekend vanaf datum van de sommatie van februari 2025 en dat [gedaagde] op dat moment in verzuim was. Hiermee heeft [eiser] de vordering voldoende onderbouwd en zal de wettelijke rente worden toegewezen als gevorderd, met uitzondering van die berekend over het gevorderde bedrag van € 322,19 aan vertragingsrente aangezien niet aan de voorwaarden voor toewijzing is voldaan.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,55
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
913,55
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
een bedrag van € 10.000,00 aan gevorderde hoofdsom,
een bedrag van € 875,00 aan incassokosten,
een bedrag van € 322,19 aan vertragingsrente,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom en de incassokosten met ingang van 19 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 913,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.
Artikel 6:119 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6:119 lid 2 BW.
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11855446 \ VV EXPL 25-122
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T.P. Schut,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. I.R. Lieshout.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [gedaagde].
Feiten
2.1.
[eiser] heeft zijn (exclusieve) schoenen collectie in bewaring gegeven aan [gedaagde].
2.2.
[gedaagde] heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail van 28 augustus 2025 bericht dat hij de schoenencollectie heeft verkocht voor € 10.500,00. [gedaagde] heeft [eiser] niet betrokken bij de verkoop van de schoenencollectie.
2.3.
[gedaagde] heeft het door hem ontvangen bedrag niet aan [eiser] overgemaakt.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zonder zijn medeweten de schoenencollectie heeft verkocht en dat hij recht heeft op de verkoopopbrengsten. Hij heeft voldoende spoedeisend belang bij de vordering gelet op zijn financiële situatie en de erkenning van de vordering door [gedaagde].
3.3.
[gedaagde] erkent dat de schoenencollectie buiten medeweten van [eiser] is verkocht maar concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], omdat geen sprake is van spoedeisend belang. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid dan wel de hoogte van de gevorderde incassokosten en rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Met betrekking tot een voorlopige voorziening in kort geding, strekkende tot betaling van een geldsom, is in beginsel terughoudendheid geboden. Niet alleen zal onderzocht worden of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die in het licht van de betrokken belangen meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen, het zogeheten restitutierisico. Of van een eisende partij kan worden verwacht dat een bodemprocedure wordt afgewacht hangt af van verschillende factoren, waarbij een geringere mate van de aanwezigheid van de ene factor kan worden opgeheven door een meerdere mate van aanwezigheid van een andere factor.
4.2.
[gedaagde] heeft de vordering in hoofdsom ter zitting met zoveel woorden erkend. [gedaagde] heeft wel nog een beroep op verrekening gedaan in verband met een tegenvordering in de vorm van een schadevergoeding wegens in zijn woning door [eiser] aangerichte schade. Hij heeft deze tegenvordering met zijn betoog dat daarbij een vlindermes is gebruikt dat zich in de berging bevond en [eiser] als een van de weinigen weet waar die berging zich bevindt in het licht van de betwisting door [eiser] volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het betoog van zijn gemachtigde ter zitting dat niet verwacht kan worden dat [gedaagde] een nadere onderbouwing geeft omdat een kortgedingprocedure zich niet voor bewijslevering leent berust op een misvatting. Het staat partijen in kort geding immers vrij standpunten in te nemen en ter onderbouwing daarvan eventueel stukken te overleggen. Aan de hand daarvan zal de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel vormen omtrent de voor de beoordeling van belang zijnde feiten. Omdat [gedaagde] zijn standpunt ter zake onvoldoende heeft onderbouwd faalt zijn beroep op verrekening. Dat heeft tot gevolg dat van [eiser] niet verwacht hoeft te worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.3.
[eiser] vordert verder € 1.058,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft primair aangevoerd dat de kosten niet toegewezen kunnen worden omdat er geen 14-dagen brief is verzonden en subsidiair dat een correcte berekening zou uitkomen op € 875,00. [gedaagde] miskent daarmee dat de vordering van [eiser] geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom wordt getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal waarbij een 14-dagen brief niet is vereist. [eiser] heeft (onbetwist) gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Voor de hoogte van de kosten heeft [eiser] aansluiting gezocht bij de staffel van het Besluit. De vordering is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 875,00 bij € 10.000,00 in hoofdsom en komt kennelijk overeen met dit bedrag aan buitengerechtelijke kosten vermeerderd met omzetbelasting. Omdat geen omzetbelasting is gevorderd, zal een bedrag van € 875,00 worden toegewezen.
4.4.
Wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat [gedaagde] in verzuim is geweest. [eiser] heeft toegelicht dat de wettelijke rente is berekend vanaf datum van de sommatie van februari 2025 en dat [gedaagde] op dat moment in verzuim was. Hiermee heeft [eiser] de vordering voldoende onderbouwd en zal de wettelijke rente worden toegewezen als gevorderd, met uitzondering van die berekend over het gevorderde bedrag van € 322,19 aan vertragingsrente aangezien niet aan de voorwaarden voor toewijzing is voldaan.
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,55
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
913,55
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
een bedrag van € 10.000,00 aan gevorderde hoofdsom,
een bedrag van € 875,00 aan incassokosten,
een bedrag van € 322,19 aan vertragingsrente,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom en de incassokosten met ingang van 19 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 913,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.
Artikel 6:119 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6:119 lid 2 BW.