Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:11194
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360859 / JU RK 25-41
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.J. van der Vlis te Haarlem.
De kinderrechter merkt als informant aan:
een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder],
hierna te noemen: [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025;
het aanvullend raadsrapport van 21 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 22 januari 2025. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
[een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [begeleidster] , de begeleidster van [de minderjarige] , en de stiefvader van [de minderjarige] , om als toehoorders aanwezig te zijn ter zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft met [de minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] is op [datum] erkend door de vader, [de vader] . De vader heeft geen gezag en is volgens de informatie in het raadsrapport van 13 januari 2025 al vier jaar buiten beeld.
2.3.
[de minderjarige] woonde bij de moeder, maar sinds eind december 2024 verblijft zij, na een kort verblijf in de crisisopvang van Kenter, in een gezinshuis van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, te weten tot 10 april 2025. Ook is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder 24-uurs voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden. De behandeling van het verzoek is bepaald op 22 januari 2025, om de belanghebbende(n) in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling te bekrachtigen en de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
3.2.
De Raad heeft de verzoeken als volgt toegelicht. Al langere tijd is er in de opgroeiomgeving van [de minderjarige] sprake van spanningen, ruzies en escalaties, waarbij zowel verbale als fysieke agressie plaatsvindt. [de minderjarige] heeft moeite met haar emotieregulatie, net als de moeder, waardoor de escalaties stand houden en toenemen. Ook bestaan er zorgen rondom de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige] . Na meerdere incidenten binnen het gezin waarbij de politie noodgedwongen betrokken moest worden, is [de minderjarige] in het vrijwillig kader, na twee crisisplaatsingen, per 31 december 2024 in een gezinshuis van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geplaatst met 24-uurs toezicht. Ondanks de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader – waaronder het CJG en de Waag (FAST) – nemen de zorgen over [de minderjarige] toe en lukt het niet om de situatie op een positieve manier te veranderen. De reden dat de Raad een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt, is dat [de minderjarige] op 9 januari 2025 opnieuw is weggelopen van haar verblijfplaats. Dit keer is de situatie rondom het weglopen anders en zorgelijker, omdat [de minderjarige] nu spoorloos is en telefonisch onbereikbaar. Gelet op het voorgaande is het van belang dat er spoedig een jeugdbeschermer komt die de nodige hulpverlening inzet en borgt. De machtiging tot uithuisplaatsing is van belang, omdat de plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in dat geval geborgd wordt en de politie direct kan handelen op het moment dat duidelijk is waar [de minderjarige] is.
3.3.
In het aanvullend raadsrapport heeft de Raad de verzoeken gehandhaafd en de recente ontwikkelingen als volgt toegelicht. Op 10 januari 2025 is [de minderjarige] na een vermissing van ruim 24 uur teruggekomen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waarna de beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025 aan haar is uitgelegd. Desondanks is [de minderjarige] op 14 januari 2025 opnieuw een dag en een nacht weggebleven bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zij liet niets van zich horen en het was onduidelijk waar en met wie zij was. Ditzelfde geldt voor 16 januari 2025, maart toen bleef [de minderjarige] twee nachten weg. Het is de jeugdbeschermer nog niet gelukt om [de minderjarige] persoonlijk te spreken, omdat [de minderjarige] meermaals is weggelopen. Volgens de Raad is het zorgelijk dat [de minderjarige] sterk zelfbepalend gedrag vertoont, waarbij zij niet laat zien inzicht te hebben in de risico’s die haar gedrag met zich meebrengen. [de minderjarige] toont ook geen motivatie om hierin verandering te brengen. [de minderjarige] gaat dan ook niet naar school, zij loopt weg van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en geeft geen inzicht in waar en met wie zij op die momenten is. De moeder is nog altijd onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen en de juiste hulpverlening in te zetten. Als gevolg van de systemische problematiek in het gezin worden de adviezen die de hulpverlening geeft voor escalerende situaties onvoldoende opgevolgd door het gezin, waardoor de thuissituatie nog onvoldoende is verbeterd.
3.4.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een fijne plek is voor [de minderjarige] en voldoende geduld heeft met haar gedrag. [de minderjarige] is onvoorspelbaar en moeilijk te sturen, zodat het verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geborgd moet worden. In de komende maanden doet de Raad verder onderzoek naar de thuissituatie van [de minderjarige] , waarbij ook wordt gekeken naar de andere drie kinderen in het gezin waar de Raad zorgen over heeft. De Raad heeft voldoende hoop dat de gezinsdynamiek met verdere hulpverlening kan verbeteren, al is daarvoor vereist dat alle gezinsleden zich daarvoor inzetten en de noodzaak van een structurele verandering inzien. Daarom is hulpverlening in het gedwongen kader nodig om het gezin meer sturing te geven. Alleen dan kan een rustige, stabiele en voorspelbare thuissituatie voor [de minderjarige] gecreëerd worden.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de moeder is naar voren gebracht dat zij zich niet verzet tegen de verzoeken, omdat zij meent dat de inzet van hulpverlening noodzakelijk is. De moeder is bereid om aan alle hulpverlening mee te werken, al wenst zij wel adequaat geïnformeerd te worden door de instanties. Zij wil graag hulp bij het op een juiste wijze omgaan met en ondersteunen van [de minderjarige] . De moeder betreurt hoe zij – volgens haar ten onrechte – beschreven wordt in het raadsrapport. De moeder verzoekt al jarenlang om hulp (met name diagnostiek bij [de minderjarige] ), maar tevergeefs. Volgens de moeder was een ondertoezichtstelling niet nodig geweest als er eerder naar haar verzoeken was geluisterd. Tijdens het traject bij de Waag is besloten om eerst individuele hulpverlening in te zetten voor de gezinsleden, zodat het traject daarna kan worden voortgezet.
4.2.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat de Waag zich richt op sociaal-emotionele aspecten en EMDR willen toepassen. De GI herkent bepaalde gedragskenmerken waarvoor misschien diagnostiek nodig is, maar dat moet onderzocht worden en daarvoor is een rustigere situatie nodig. Volgens de GI staat [de minderjarige] dan ook (nog) niet open voor hulpverleningsgesprekken.
4.3.
Ter zitting heeft [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] aangegeven dat het van belang is [de minderjarige] ’s netwerk in kaart te brengen, omdat zij daardoor mogelijk in onveilige situaties verkeert. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan nu onvoldoende inschatten wat de oorzaak is van de problematiek bij [de minderjarige] . In de komende periode is het dan ook van belang om een vertrouwensband op te bouwen. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zet zich ervoor in om de moeder adequaat te informeren over de ontwikkelingen rondom [de minderjarige] .
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] weet niet goed wat zij van de verzoeken vindt en zij heeft deze ook nog niet met haar moeder en haar begeleidster, [begeleidster] , besproken. [de minderjarige] geeft aan dat er veel in haar leven en bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is gebeurd, waardoor zij vaak is weggelopen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en vaak niet naar school gaat.
Beoordeling
6.1.
Op basis van wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in voormelde beschikking van 10 januari 2025 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking zal dan ook worden gehandhaafd.
6.2.
Ten aanzien van het resterende verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, overweegt de kinderrechter als volgt. [de minderjarige] vertoont sterk zelfbepalend gedrag, waardoor zij vaak wegloopt en waardoor er in de thuissituatie geregeld heftige escalaties plaatsvinden. De individuele hulpverlening voor [de minderjarige] is nog niet van de grond gekomen, omdat zij zich daaraan onttrekt. Hoewel er systemische hulp voor het gezin – en individuele hulp voor de moeder – is ingezet om de thuissituatie te verbeteren, heeft dat nog onvoldoende resultaat gehad. Het lukt de moeder en de stiefvader nog niet om de hulpverleningsadviezen voldoende en langdurig op te volgen. Daardoor is de thuissituatie bij de moeder op dit moment nog onvoldoende rustig, stabiel, voorspelbaar en veilig voor [de minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een passende plek is voor [de minderjarige] , zodat van daaruit de nodige hulpverlening kan worden ingezet en geborgd. Alleen dan kan gewerkt worden aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] , zodat daarna kan worden bekeken of [de minderjarige] weer bij de moeder kan wonen.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter verleent dan ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 10 april 2025.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 januari 2025 tot 10 april 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.