Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-07
ECLI:NL:RBNHO:2025:11192
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,464 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360719 / JU RK 25-20
Datum uitspraak: 7 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugd- en Gezinsbeschermers Haarlem,
hierna te noemen de GI,
wonende in Amsterdam,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de GI op 7 januari 2025;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 7 januari 2025.
Feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
3Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] binnen het netwerk (bij de tante van haar halfzus) te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
[de minderjarige] ’s moeder is eind december 2024 plotseling vertrokken uit haar woning, zonder [de minderjarige] en de GI in kennis te stellen. Het is onbekend waar de moeder nu verblijft. [de minderjarige] was als gevolg daarvan een nacht alleen thuis en heeft de volgende dag haar ambulant begeleider ingelicht over de ontstane situatie.
In april vorig jaar is de moeder ook vertrokken zonder iemand op de hoogte te stellen. Zij is toen naar het buitenland gegaan en pas na een paar maanden teruggekomen. [de minderjarige] verbleef toen enige tijd bij haar vader, maar voelde zich daar niet veilig, is vervolgens bij Eigen Kracht geplaatst en sinds oktober 2024 woonde ze weer volledig bij de moeder.
Beide ouders zijn onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en hebben persoonlijke problematiek. Bij de vader van [de minderjarige] is daarnaast sprake van signalen van alcoholgebruik, waarna werd gekozen voor begeleide omgang met [de minderjarige] .
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] , gelet op de ontstane crisissituatie. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , binnen het netwerk met ingang van 7 januari 2025 voor de duur van 4 weken;
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de belanghebbenden, de GI en [de minderjarige] op voor een nader te bepalen zitting.
Deze beschikking is mondeling gegeven door F.W. van Dongen, kinderrechter, op 7 januari 2025 en schriftelijk vastgelegd en ondertekend door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, op 9 januari 2025 in tegenwoordigheid van A.B. Verweij als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).