Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-27
ECLI:NL:RBNHO:2025:11066
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/342743 / FA RK 23-3765
Beschikking van 27 juni 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.H. Visser, gevestigd te Wormerveer,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T. Esen, gevestigd te Zaandam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man van 25 juli 2023;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de vrouw van 1 november 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man van 16 november 2023;
- de brieven van de zijde van de man van 21 november 2023 en 14 april 2025;
- het aanvullend verzoek van de vrouw van 17 april 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met zelfstandig verzoek van de man van 23 april 2025;
- de berichten van de zijde van de vrouw van 9 en 12 mei 2025;
- de brief van de zijde van de man van 12 mei 2024;
1.2.
De mondelinge behandeling is geweest op 15 mei 2025, in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige] heeft zijn mening op 13 mei 2025 kenbaar gemaakt in een gesprek met de kinderrechter.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Partijen hebben ook twee meerderjarige kinderen; [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] en [de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] .
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken vanwege duurzame ontwrichting van hun huwelijk.
2.4.2.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen en [de minderjarige] bijna meerderjarig is zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
2.4.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.4.4.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.5.
Verblijfplaats
2.5.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn.
De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd.
2.5.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
2.5.3.
De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
2.6.
Woning
2.6.1.
De man heeft verzocht om het huurrecht van de woning aan de vrouw toe te kennen.
De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd.
2.6.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
2.6.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
2.6.4.
De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.
2.7.
Onderhoudsbijdrage
2.7.1.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 500 per maand.
De man heeft daartegen een draagkrachtverweer gevoerd.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
2.7.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage.
2.7.3.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Ingangsdatum
2.7.4.
De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele kinderbijdrage aan bij de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 25 juli 2023. Vanaf die datum heeft de man er immers daadwerkelijk rekening mee kunnen houden dat een kinderbijdrage aan hem kan worden opgelegd.
Behoefte
2.7.5.
De vrouw had in 2023 een inkomen uit loondienst ter hoogte van € 29.396 en de man had een inkomen uit onderneming ten hoogte van € 8.434. Namens de man is ter zitting naar voren gebracht dat het inkomen van 2023 niet representatief is omdat de man toen net de friteszaak had overgedragen aan zijn zoon [de meerderjarige 2] en het taxibedrijf was begonnen. De man heeft aan die stelling geen conclusie verbonden, maar de rechtbank ziet daarin aanleiding om voor de berekening van de behoefte uitgaan van en de privéonttrekkingen uit onderneming in 2024 ter hoogte van € 36.662, zoals de vrouw heeft betoogd.
Bij dat inkomen bedroeg de behoefte van [de minderjarige] in 2023 € 774 per maand, geïndexeerd naar 2025 € 875. De rechtbank neemt deze behoefte als uitgangspunt.
De man heeft gesteld dat [de minderjarige] als koerier werkt en in zijn eigen behoefte kan voorzien maar [de minderjarige] is nog minderjarig en gaat nog naar school zodat bijverdiensten niet in mindering op zijn behoefte worden gebracht.
Draagkracht
2.7.6.
De vrouw is in loondienst werkzaam bij [bedrijf] . De vrouw heeft haar jaaropgaaf van 2024 en maar één loonstrook van 2025 overgelegd, zodat de rechtbank zal aansluiten bij het inkomen van 2024, zijnde € 27.981 (zoals volgt uit haar jaaropgaaf). Rekening houdende met de aanspraak op heffingskortingen, arbeidskorting en kindgebonden budget bedraagt haar netto besteedbaar inkomen dan € 2.760 per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 435 per maand.
2.7.7.
De man heeft sinds maart 2023 een taxibedrijf. De man heeft gesteld dat hij sinds februari 2025 door ziekte praktisch is uitgevallen en hooguit € 1.000 per maand verdient. De vrouw heeft deze stelling betwist. Hoewel ter zitting is gebleken dat de man long- en keelproblemen heeft is door de man op geen enkele wijze onderbouwd in hoeverre hij arbeidsongeschikt is en ook niet wat de consequenties hiervan zijn voor zijn inkomen. De enkele stelling van de man dat hij geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft geeft daarin geen enkel inzicht en tegenover de betwisting van het door hem gestelde inkomen van maximaal € 1.000 per maand heeft de man zijn stellingen over zijn huidige inkomen op geen enkele wijze nader onderbouwd met bijvoorbeeld bankafschriften, aangiftes omzetbelasting of een verklaring van de boekhouder, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Bij die stand van zaken zal de rechtbank uitgaan van de winst uit onderneming in 2024 ter hoogte van € 27.394.
Conclusie
2.7.9.
Op grond van het voorgaande is de conclusie dat de man de door de vrouw verzochte kinderbijdrage kan voldoen, zodat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen. Omdat de ingangsdatum in 2023 ligt zal de man met terugwerkende kracht nog een bedrag aan kinderbijdrage aan de vrouw moeten betalen. Indien de man dat bedrag niet in één keer kan betalen ligt het in de rede dat partijen een betalingsregeling afspreken.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.
Het is vaste rechtspraak dat voor indexering van rechtswege niet de ingangsdatum van de periode waarover alimentatie betaald moet worden bepalend is, maar de datum waarop de kinderbijdrage is vastgesteld. Per 1 januari 2026 zal daarom voor het eerst van rechtswege de kinderbijdrage worden geïndexeerd.
2.8.
Verdeling
2.8.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de tussen de partijen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen.
2.8.2.
De vrouw heeft verzocht de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar voorgestane wijze en de man te bevelen om de bankafschriften met de saldi van zijn bankrekeningen op peildatum in het geding te brengen en deze bij helfte te verdelen, bij gebreke waarvan de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 9.686.
2.8.3.
Tegen dit verzoek is door de man verweer gevoerd en gesteld dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Turks recht van toepassing is, volgens welk recht tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaat.
De man verzoekt de vrouw te bevelen om opgave te doen van de (mede) op haar naam gestelde bankrekening(en) bij de ABN AMRO alsmede van de enkel op haar naam staande bankrekening in [land] per peildatum.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
2.8.4.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.8.5.
Naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht is Turks recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime als het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna. Niet gesteld of gebleken is immers, dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt voor een ander rechtstelsel dan het Turkse recht.
Turks recht
2.8.6.
Het Turkse Burgerlijk Wetboek is met ingang van 1 januari 2002 op het punt van
huwelijksvermogensregimes ingrijpend gewijzigd. Het wettelijk stelsel is gewijzigd
van het bestaan van geen enkele gemeenschap van goederen in een stelsel zoals
omschreven in de artikelen 218-220 Turks BW. Dat komt dat er -kort gezegd- op neer dat hetgeen door partijen ten tijde van het huwelijk gegenereerd wordt
gelijkelijk over partijen verdeeld wordt, tenzij partijen iets anders overeenkomen.
Aangezien partijen zijn gehuwd voor 1 januari 2002 vallen zij voor wat betreft
hun huwelijksvermogensrecht onder twee regimes. Tot 1 januari 2002 geldt het oude
wettelijke regime en het nieuwe wettelijke regime geldt voor de na 1 januari 2002
verkregen goederen, nu niet is gebleken dat partijen met huwelijkse
voorwaarden (voor de in de artikel 10 van de invoeringswet gestelde termijn) een keuze
hebben gemaakt voor een ander regime.
2.8.7.
Dit wettelijke stelsel van Turks huwelijksvermogensrecht komt in de kern neer op een regime van verwervingsdeelneming (art. 202 lid 1 Turks BW). Dit regime omvat de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten. Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens: de verwervingen en het persoonlijk vermogen (art. 218 Turks BW). Als verwervingen worden aangemerkt de vermogensbestanddelen die door de echtgenoten tijdens het huwelijksvermogensregime om baat zijn verworven, zoals inkomsten uit arbeid, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vermogensbestanddelen die verwervingen vervangen (art. 219 Turks BW). Tot het persoonlijk vermogen van de echtgenoten worden gerekend de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk krachtens erfrecht of anderszins om niet verworven vermogensbestanddelen, vorderingen uit immateriële schade en de vermogensbestanddelen die persoonlijk vermogen vervangen (art. 220 Turks BW). Uitgangspunt is dat alle vermogensbestanddelen geacht worden verwervingen te zijn, tenzij het tegendeel is bewezen. De bewijslast rust op de echtgenoot die stelt dat een vermogensbestanddeel hem of haar toebehoort. De vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen kan worden aan welke van de echtgenoten zij toebehoren, worden geacht mede-eigendom te zijn van de echtgenoten (art. 222 Turks BW).
2.8.8.
Het persoonlijk vermogen en de verwervingen van de echtgenoten worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksvermogensregime (art. 228 lid 1 Turks BW). Daarbij geldt dat iedere echtgenoot rechthebbende is op de helft van de nettowaarde van de verwervingen van de andere echtgenoot (art. 236 lid 1 Turks BW). Betaling kan worden gedaan in goederen of in geld (art. 239 Turks BW). De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze vermogensbestanddelen rustende schulden (art. 231 lid 1 Turks BW). Verder wordt nagegaan of de ene echtgenoot een vordering heeft op de andere echtgenoot uit hoofde van een bijdrage in een vermogensbestanddeel van een echtgenoot welke heeft plaatsgevonden zonder enige of zonder passende vergoeding. Indien dit vermogensbestanddeel bij de beëindiging van het huwelijksvermogensregime in waarde is gestegen, verkrijgt de echtgenoot die heeft bijgedragen voor het bijgedragen deel een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening van het huwelijksvermogensregime vastgestelde vermeerderde waarde (art. 227 lid 1 Turks BW). Het persoonlijk vermogen van de echtgenoten wordt niet verrekend.
Onroerende goederen
2.8.9.
Partijen hebben in [land] een vijftal onroerende zaken. De vraag rijst hoe deze goederen in huwelijksvermogensrechtelijke zin gekwalificeerd moeten worden: als persoonlijk vermogen van een van de echtgenoten of als mede-eigendom van beide echtgenoten? De man heeft gesteld dat alle onroerende goederen zijn verkregen krachtens erfrecht of zijn aangeschaft met krachtens erfrecht verkregen gelden en/of met inkomsten uit onderneming van de man. De onroerende goederen die krachtens erfenis zijn verkregen vallen in het persoonlijk vermogen van de man en moeten niet worden verrekend. Van de overige onroerende goederen dient de vermeerderde waarde tussen partijen te worden verdeeld, aldus de man. De vrouw heeft gesteld dat de man krachtens erfrecht slechts een aandeel van 15% van twee onroerende goederen heeft verkregen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.4.
bepaalt dat de man € 500 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van 25 juli 2023 en voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.5.
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:
- aan de vrouw wordt toebedeeld de onroerende goederen:
o [onroerend goed 3] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , derde etage, nr. [nr.] , deel [deel] (appartement);
o [onroerend goed 5] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , eerste etage, nr. [nr.] , deel [deel] (zomerhuis/appartement);
waarbij de vrouw wordt veroordeeld tot betaling aan de man van de helft van de nettowaarde van de onroerende goederen, te bepalen door een taxateur zoals omschreven onder 2.8.13;
- aan de man wordt toebedeeld de onroerende goederen:
o [onroerend goed 2] , [plaats] , perceelnummer [perceelnummer] , lavel [kavel] (appartement);
o [onroerend goed 4] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , begane grond nr. [nr.] , deel [deel] (winkelpand):
waarbij de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de helft van de nettowaarde van winkelpand in [stad] en de helft van 85% van de nettowaarde van het appartement in [plaats] , te bepalen door een taxateur zoals omschreven onder 2.8.13;
- de man wordt in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden over te nemen:
o [onroerend goed 1] , [plaats] , perceelnummer [perceelnummer] , kavel [kavel] (stuk grond);
waarbij de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van de helft van 85% van de nettowaarde van het appartement in, te bepalen door een taxateur zoals omschreven onder 2.8.13;
indien de grond in [plaats] niet binnen drie maanden door de man wordt overgenomen, wordt de grond verkocht onder verdeling van de helft van 85% van de nettowaarde zoals omschreven onder 2.8.14;
de saldi van de bank- en spaarrekeningen van partijen worden per 25 juli 2023 bij helfte verdeeld;
in verband met de verkoop van de [merk auto] wordt de vrouw veroordeeld tot betaling van € 2.500 aan de man;
- de [merk auto] ( [kenteken] ) wordt aan de man toebedeeld, waarbij de man wordt veroordeeld tot betaling van € 9.000 aan de vrouw;
3.6.
verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, het huurrecht van de woning, de kinderbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 27 juni 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Conclusie
Het overige aandeel van deze goederen en alle andere goederen zijn door de man onder bezwarende titel verkregen met gemeenschappelijk geld van partijen. Volgens de vrouw heeft zij daarom recht op de helft van de marktwaarde van deze goederen.
2.8.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man een aandeel van 15% van de onroerende goederen te [plaats] , te weten:
[onroerend goed 1] , [plaats] , perceelnummer [perceelnummer] , kavel [kavel] (stuk grond);
[onroerend goed 2] , [plaats] , perceelnummer [perceelnummer] , lavel [kavel] (appartement);
krachtens erfrecht heeft verkregen. De zussen en de moeder van de man, die het overige aandeel van de goederen krachtens erfrecht hebben ontvangen, zijn op 22 februari 2017 door de man uitgekocht voor € 30.000. De man heeft zijn stelling dat dit is gedaan met privévermogen van de man, tegenover de betwisting van de vrouw, op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de goederen slechts voor 15% tot het persoonlijk vermogen van de man behoren en voor de overige 85% tot de verwervingen. Nu niet is gebleken dat de man een vordering op de vrouw ten aanzien van deze verwervingen heeft, hebben de partijen elk recht op de helft van de nettowaarde van deze verwervingen.
2.8.11.
Tussen partijen staat verder vast dat de volgende onroerende goederen:
[onroerend goed 3] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , derde etage, nr. [nr.] , deel [deel] (appartement);
[onroerend goed 4] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , begane grond nr. [nr.] , deel [deel] (winkelpand):
op respectievelijk 28 februari 2013 en 8 mei 2014 zijn aangekocht, zodat deze goederen tot de verwervingen behoren. De man heeft zijn stelling dat de goederen in [stad] met zijn privévermogen zijn aangekocht, tegenover de betwisting van de vrouw, op geen enkele wijze nader onderbouwd. Nu niet is gebleken dat de man een vordering op de vrouw ten aanzien van deze verwervingen heeft, hebben partijen elk recht op de helft van de nettowaarde van deze verwervingen.
2.8.12.
Op 23 augustus 2022 is het volgende onroerende goed aangekocht:
- [onroerend goed 5] , [plaats] , [stad] , perceel [perceelnummer] , kavel [kavel] , eerste etage, nr. [nr.] , deel [deel] (zomerhuis/appartement).
De man heeft gesteld dat het appartement in [stad] is aangekocht met krachtens erfrecht verkregen gelden. De vrouw heeft betwist dat de man geld heeft geërfd. Nu de man zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd en op hem de bewijslast rust, wordt het appartement geacht mede-eigendom van partijen te zijn. Partijen hebben daarom ieder recht op de helft van de nettowaarde.
2.8.13.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het appartement in [stad] en het appartement in [stad] aan haar worden toebedeeld en het winkelpand in [stad] en appartement in [plaats] aan de man. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen onder voorwaarde dat overname geschiedt onder verrekening van de tegen de op datum van verdeling geldende marktwaarde van de verwervingen, na aftrek van eventuele op deze goederen rustende schulden (de nettowaarde). Partijen dienen daartoe de onroerende goederen te laten taxeren door een taxateur in [land] . Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de taxatie is bindend tussen partijen. De kosten van taxatie komen voor rekening van partijen, ieder voor de helft. Indien partijen niet binnen twee weken na deze beschikking gezamenlijk een taxateur hebben aangewezen, stelt de vrouw drie taxateurs voor waaruit de man kan kiezen.
Het uit hoofde van erfrecht verkregen aandeel van de man van het appartement in [plaats] (15%) wordt niet verrekend.
2.8.14.
Het stuk grond in [plaats] kan wat de vrouw betreft worden verkocht met verdeling van de opbrengst bij helfte. Indien de man dit stuk grond wil overnemen is de vrouw daar ook mee akkoord, onder de voorwaarde dat overname geschiedt tegen de op de datum van verdeling geldende marktwaarde, vast te stellen door een gerenommeerd taxateur in [land] .
De rechtbank zal bepalen dat de man drie maanden de gelegenheid krijg om de grond over te nemen onder verdeling van de helft van 85% van de geldende marktwaarde, waarbij de grond getaxeerd dient te worden op de wijze als beschreven onder 2.8.13. Het uit hoofde van erfrecht verkregen aandeel van de man (15%) wordt niet verrekend.
Indien de man de grond niet wenst over te nemen of niet in staat is om grond binnen de genoemde termijn over te nemen, zal de grond worden verkocht met verdeling van 85% van de opbrengst bij helfte. Indien partijen er niet in slagen om binnen 2 weken een Turkse verkoopmakelaar aan te wijzen, stelt de vrouw drie makelaars voor waaruit de man kan kiezen. De kosten van de verkoop van de grond komen voor rekening van partijen, ieder voor de helft.
Bankrekeningen
2.8.15.
Partijen hadden op peildatum in ieder geval bank en/of spaarrekeningen in [land] bij Ziraat Bank en in Nederland bij ING.
Nu partijen hebben nagelaten om de rechtbank volledig te informeren over de saldi op voornoemde rekeningen per 25 juli 2023, zal de rechtbank de wijze van verdeling van de saldi gelasten aldus, dat deze per 25 juli 2023 bij helfte gedeeld dienen te worden. Partijen dienen elkaar daartoe over en weer inzage te geven.
Auto’s
2.8.16.
Op peildatum waren partijen in het bezit van twee auto’s te weten een [merk auto] en een [merk auto] ( [kenteken] ).
De man heeft zijn stelling dat de [merk auto] met zijn privévermogen is aangekocht, tegenover de betwisting van de vrouw, op geen enkele wijze onderbouwd. Partijen hebben daarom ieder recht op de helft van de nettowaarde. De [merk auto] is door de vrouw verkocht voor € 5.000. De vrouw dient daarom een bedrag van € 2.500 aan de man te vergoeden.
De [merk auto] zal worden toebedeeld aan de man. Uit de stukken is gebleken dat de man de auto in 2023 heeft aangekocht voor € 21.000. De man heeft gesteld dat op deze auto een lening rust ter hoogte van € 20.000. Deze stelling is alleen onderbouwd door een handgeschreven leningsovereenkomst met de moeder van de man welke niet kan worden geverifieerd. Daarmee is de stelling, tegenover de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Partijen hebben nagelaten gegevens over te leggen over de waarde van de [merk auto] per peildatum. Daarom acht de rechtbank het redelijk uit te gaan een waarde ter hoogte van € 18.000, waarbij rekening is gehouden met de waardevermindering sinds de aankoop in 2023. Gelet hierop dient de man aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 9.000, zijnde de helft van de in redelijkheid geschatte waarde.
2.9.
Ingetrokken verzoeken
2.9.1.
Het verzoek met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is ingetrokken zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
2.10.
Proceskosten
2.10.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
2.11.
Overige
2.11.1.
De rechtbank overweegt ten overvloede het volgende.