Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-09-26
ECLI:NL:RBNHO:2025:11048
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,503 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3838
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.P.D. Visser),
en
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, afdeling Justis, verweerder
(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat om het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening. Dit verzoek ziet op de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een Verklaring omtrent gedrag met politiegegevens (VOG-P). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
2.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
3.1.
De werkgever van verzoeker heeft op 27 januari 2025 namens hem een aanvraag ingediend voor een VOG-P voor de functie ‘Forensisch therapeutisch werker’ binnen het specifieke screeningsprofiel ‘45 Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’.
3.2.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om de aanvraag af te wijzen. Verzoeker heeft op 20 maart 2025 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
3.3.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 17 april 2025 afgewezen aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels). Volgens verweerder is voldaan aan het objectieve criterium en het subjectieve criterium uit de Beleidsregels. Hier heeft verzoeker bezwaar tegen gemaakt.
3.4.
Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3.5.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op 16 september 2025 tweemaal nadere stukken ingediend.
3.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Het verzoek
4. Het verzoek strekt ertoe om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van een VOG-P, totdat in de bodemzaak uitspraak is gedaan over het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een VOG-P.
Heeft verzoeker spoedeisend belang?
5.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op – in dit geval – zijn beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.2.
Ter zitting heeft verweerder haar standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang laten vallen. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft. In het arbeidscontract van verzoeker is als ontbindende voorwaarde opgenomen dat hij een VOG-P over dient te leggen. Met stukken heeft verzoeker laten zien dat zijn werkgever hier de afgelopen tijd bovenop zit en op 16 september 2025 aan verzoeker heeft laten weten dat het ontbreken van een VOG-P bij hem wordt geëscaleerd tot ontslag.
Het objectieve criterium
6. In artikel 35a van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is bepaald dat een VOG-P wordt geweigerd indien politiegegevens met betrekking tot de aanvrager blijk geven van verbanden tussen de aanvrager en strafbare feiten die zouden zijn of zullen worden gepleegd en die, gelet op de omstandigheden van het geval en het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, een risico vormen voor de uitoefening van de functie. In de Beleidsregels wordt dit het objectieve criterium genoemd. Per specifieke functie kan het verschillen of politiegegevens wel of niet relevant worden geacht.
6.1.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat is voldaan aan het objectieve criterium. Verweerder benoemt in het bestreden besluit twee concrete politieregistraties:
“2022- uit de registratie met nummer [registratienummer 1] van 7 april 2022 blijkt dat u in verband wordt gebracht met het verrichten van werkzaamheden op het gebied van financiën voor criminele personen, dan wel dat u zich ophoudt met personen in de internationale cocaïnehandel.
2022 – uit de registratie met nummer [registratienummer 2] van 24 januari 2022 blijkt dat u een financiële man in het criminele circuit zou zijn.”
Uit de politiegegevens blijkt dat verzoeker meermalen gesignaleerd is en in contact is geweest met diverse personen die mogelijk nauw betrokken zijn bij de internationale cocaïnehandel. Daaruit volgen aldus verweerder de volgende risico’s voor het uitoefenen van zijn functie als forensisch therapeutisch werker in een (jeugd)gevangenis en/of kliniek en het terrein eromheen:
Het risico dat verzoeker medewerkers en/of ingeslotenen in de gevangenis of in de kliniek te maken krijgen met criminele activiteiten;
Het risico dat verzoeker medewerkers en/of ingeslotenen in de gevangenis of in de kliniek te maken krijgen met drugs en/of bijbehorende criminaliteit;
Het risico dat verzoeker ongewenste dingen zoals drugs meebrengt in de gevangenis of in de kliniek.
Dat verzoeker zelf niet is vervolgd en niet op de hoogte was van de betrokkenheid van de personen met wie hij is gesignaleerd is bij de internationale cocaïnehandel en er geen sprake is van een concrete verdenking jegens hem, doet er voor verweerder niet aan af dat het onwenselijk is dat personen die werken in een (jeugd)gevangenis of kliniek in mogelijk criminele kringen verkeren of verkeerden.
6.2.
In het eerste aanvullende stuk van verzoeker van 16 september 2025 wijst hij op het positieve besluit van 15 september 2025 van de politie op zijn rectificatieverzoek. De politie stelt dat zij na een zoekslag geen feiten en omstandigheden hebben kunnen vinden waaruit de overtuiging blijkt dat verzoeker zich daadwerkelijk bezig zou houden met het doen van financiën voor criminelen en de internationale cocaïnehandel. De gegevens worden gerectificeerd zodat die deze informatie niet meer bevatten.
Volgens verzoeker bevatten ook de (overige) politiegegevens over hem geen concrete onderbouwing voor een verband tussen hem en strafbare feiten, noch komt hier een risico uit naar voren voor het uitvoeren van zijn functie waarvoor de VOG-P is aangevraagd. De politieregistraties beschrijven alleen een verband tussen een derde en mogelijk strafbare feiten – en dat verzoeker een keer met deze derde gezien is. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat er verbanden zijn tussen eiser zelf en strafbare feiten. Daarbij gaat het volgens verzoeker ook te ver om een risico aan te nemen bij iedereen die bewust of onbewust ooit in de buurt is geweest van iemand waarvan ‘gedacht wordt’ dat die ‘betrokken is’ in de internationale cocaïnehandel, en om dat vervolgens te gebruiken als weigeringsgrond voor een VOG-P. Tot slot kunnen de door verweerder genoemde risico’s bij het uitoefenen van zijn functie niet worden gebaseerd op de politieregistraties. Kennelijk gaat verweerder er vanuit dat verzoeker de vermeende delicten van derde(n) met wie hij is gesignaleerd, ook zelf zou plegen. Dit heeft verweerder niet onderbouwd.
6.3.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat het bestreden besluit gebreken bevat. De politiegegevens waar het bestreden besluit op gebaseerd is zijn gerectificeerd en verzoeker is volgens verweerder eenmaal en niet zoals opgenomen in het bestreden besluit meermaals, gecontroleerd samen met iemand in de internationale cocaïnehandel.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtsgevolgen uit het bestreden besluit desondanks in stand kunnen blijven. Het verweerschrift bevat de aanvullende motivering. Ook zonder het weggevallen verband dat verzoeker een financiële man zou zijn in de internationale cocaïnehandel, is hij nog steeds meermalen gesignaleerd met personen in het criminele circuit. Uit de twee genoemde registraties volgt het verband dat zijn auto is aangetroffen in de buurt bij iemand die bekendstaat als autodief en dat de bestuurder van de auto wordt gelinkt aan iemand in de doelgroep Verborgen ruimtes van het FIT. Ook zou verzoeker in het verleden meerdere malen zijn gecontroleerd, waarbij er sprake was van verdachte omstandigheden. Het verband met personen in het criminele circuit is dus nog steeds meermalen geregistreerd. Deze informatie is volgens verweerder betrokken in het bestreden besluit omdat dit valt onder het gehele beeld dat volgt uit de politiegegevens, waardoor gedacht wordt dat verzoeker zich in criminele kringen zou begeven.
6.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat zij de in het bestreden besluit genoemde en eventueel andere relevante politiegegevens die volgen uit het verweerschrift en volgens verweerder ook ten grondslag zouden liggen aan het bestreden besluit, niet heeft kunnen inzien. De inhoud daarvan kan dus niet worden gecontroleerd en wordt niet betrokken bij dit oordeel. De voorzieningenrechter ziet – gelet op het spoedeisende karakter van deze voorlopige voorziening procedure – op dit punt ook geen aanleiding om het verzoek aan te houden in afwachting van inzage in de politiegegevens.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank vergt de inhoudelijke beoordeling van de ingenomen standpunten over het objectieve criterium daarom nader onderzoek, waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich minder goed leent. Dit ook met het oog op het door verweerder erkende gebrek aan het bestreden besluit.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
treft de voorlopige voorziening dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde VOG-P voor de functie ‘Forensisch therapeutisch werker’ binnen het specifieke screeningsprofiel ‘45 Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, en voor zover de VOG-P noodzakelijk is voor het uitoefenen van het huidige arbeidscontract van verzoeker;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1814,-;
gelast dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van €194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
BIJLAGE
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Artikel 35
1 Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Artikel 35a
1 Onverminderd artikel 35 weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag voor bij ministeriële regeling aangewezen functies die een hoge mate van integriteit vereisen indien politiegegevens met betrekking tot de aanvrager blijk geven van verbanden tussen de aanvrager en strafbare feiten die zouden zijn of zullen worden gepleegd en die, gelet op de omstandigheden van het geval en het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, een risico vormen voor de uitoefening van de functie. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de aard, frequentie, actualiteit en onderlinge samenhang van de politiegegevens.
Verzoeker verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21.