Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-14
ECLI:NL:RBNHO:2025:1036
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,534 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360719 / JU RK 25-20
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over de minderjarige:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de beschikking van 7 januari 2025 en de daarin vermelde stukken mee in de beoordeling.
1.2.
Bij voornoemde beschikking van 7 januari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen binnen het netwerk voor de duur van vier weken. De beslissing op het verzoek is voor het overige aangehouden en de behandeling daarvan ter terechtzitting is bepaald op een nader te bepalen datum, teneinde de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij was aanwezig de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , die via een videoverbinding is gehoord.
De ouders zijn niet verschenen. De vader heeft de kinderrechter telefonisch bericht dat hij niet zal verschijnen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2018 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 december 2019 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 11 december 2020 tot 16 december 2021 is verlengd.
2.3.
Bij beschikking van 19 augustus 2022 is [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna bij beschikkingen van 7 augustus 2023, 16 februari 2024 en 15 augustus 2024 (hersteld bij beschikking van 4 september 2024) telkens is verlengd en thans nog voortduurt tot 15 augustus 2025.
2.4.
Bij beschikking van 19 april 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, welke machtiging bij beschikkingen van 30 april 2024 en 15 augustus 2024 (hersteld bij beschikking van 4 september 2024) is verlengd. In oktober 2024 is [de minderjarige] teruggeplaatst bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De GI heeft bij verzoek van 7 januari 2025 verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor de duur van vier weken, aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft op 31 december 2024 wederom een melding gekregen dat de moeder plotseling is vertrokken. Het is de GI onduidelijk waar de moeder momenteel is en of/wanneer zij terug zal komen. De jeugdbeschermer was ten tijde van moeders vertrek met vakantie. Op 6 januari 2025 heeft de jeugdbeschermer een gesprek met [de minderjarige] gehad. [de minderjarige] heeft aangegeven in het weekend van 28 en 29 december 2024 bij een vriendin te hebben gelogeerd. [de minderjarige] is op 30 december 2024 terug naar huis gegaan. Toen haar moeder niet thuis was heeft [de minderjarige] gewacht. Echter was de moeder op dinsdag 31 december 2024 nog niet thuis, waarop [de minderjarige] contact heeft opgenomen met haar ambulant begeleider. De afwezigheid van de moeder maakte dat [de minderjarige] een nacht alleen thuis heeft doorgebracht. De ambulant begeleider heeft [de minderjarige] in overleg met de crisisdienst van de GI bij de tante (van de halfzus van [de minderjarige] ) gebracht. Deze tante is eerder pleegouder geweest van de halfzus van [de minderjarige] en is bereid om ook [de minderjarige] (tijdelijk) op te vangen.
Gezien de huidige situatie en het plotselinge vertrek van de moeder, ziet de GI geen andere opties dan [de minderjarige] wederom met spoed uit huis te plaatsen. Een plaatsing bij de vader is geen optie, gezien signalen die de GI krijgt met betrekking tot alcoholgebruik door de vader. Dat heeft eerder ertoe geleid dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader naar begeleide omgang is teruggebracht. De GI ziet dat bij beide ouders de persoonlijke problematiek voorliggend lijkt te zijn. Hierdoor zijn de ouders zowel fysiek als emotioneel onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige] en zijn niet in staat om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen.
3.3.
De GI heeft het verzoek op de zitting van 14 januari 2025 gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat [de minderjarige] eerst bij de tante van haar halfzus verbleef en nu in het gezin van een vriendin verblijft, in afwachting van een geschikte, duurzame plek voor haar. De GI heeft ondertussen contact met de moeder, maar [de minderjarige] kan op dit moment niet terug naar haar. De mogelijkheden tot terugplaatsing bij de moeder kunnen pas bezien worden wanneer de moeder weer in contact en beschikbaar is en wanneer er geen risico is dat de huidige situatie zich opnieuw voordoet. De moeder lijkt niet te beseffen dat ze een groot aandeel heeft in het gedrag van [de minderjarige] . De GI heeft daarom ter zitting om een trajectmachtiging verzocht waarmee [de minderjarige] op de huidige plek kan verblijven en waarmee ze ook naar een duurzame vervolgplek kan, zodra die gevonden is.
Beoordeling
4.1.
In wat tijdens de zitting van 14 januari 2025 naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in de beschikking van 7 januari 2025 geformuleerde oordeel over de spoedmachtiging te wijzigen.
4.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] niet terug kan haar moeder omdat die de zorg en opvoeding naar eigen zeggen niet aan kan. [de minderjarige] kan ook niet naar haar vader. Dat is al eerder gebleken toen de situatie daar onveilig is geweest voor [de minderjarige] en haar plaatsing daar is mislukt. Omdat er op dit moment geen andere opties zijn en moet [de minderjarige] voorlopig in het gezin van een vriendin blijven, zolang er geen duurzame plek voor haar is gevonden. Het is van belang dat er zo snel mogelijk een duurzame plek wordt gevonden waar [de minderjarige] mogelijk voor langere tijd kan verblijven.
4.3.
Op basis hiervan is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal daarom de verzochte aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een (netwerk)pleeggezin en/of aansluitend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 augustus 2025, zoals verzocht.
4.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] bij een (netwerk)pleeggezin en/of aansluitend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 14 januari 2025 tot 15 september 2025;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hausenblasová als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.