Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:10321
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
3,950 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/363761 / KG ZA 25-182
Vonnis in kort geding van 22 april 2025
in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. G.E. van der Zanden en mr. M.D. Verwoerd, kantoorhoudende te Den Haag,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 4 april 2025;
de brief, met bijlagen, van de moeder van 7 april 2025;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 7 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. Aanwezig waren partijen en hun advocaten. Partijen zijn tevens bijgestaan door een tolk in de [taal] taal. Ter zitting heeft de vrouw een brief van haar broer overgelegd.
Feiten
2.1.
De vader heeft de Britse en de moeder heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. [de minderjarige] heeft in ieder geval de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Volgens de vader heeft zij ook de Britse nationaliteit.
2.2.
Partijen hebben vanaf januari 2019 tot eind 2024 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren de minderjarige:- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ). De vader heeft [de minderjarige] in 2019 in Zuid-Afrika erkend.
Geschil
3.1.
De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primair de moeder verbiedt om met [de minderjarige] naar Zuid-Afrika, althans naar het buitenland, te verhuizen en te reizen, op straffe van verbeurte van een aan de vader te betalen dwangsom van € 50.000 indien zij dit verbod overtreedt;
subsidiair vordert de vader dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf voorlopig bij hem zal hebben, totdat een beslissing is genomen in de bodemprocedure door de vader te entameren, teneinde de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te laten bepalen;
de moeder te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de volledige en reële kosten aan de zijde van de vader gemaakt in verband met deze procedure, waaronder in ieder geval de gemaakte werkelijke advocaatkosten en de kosten van de rechtbank.
3.2.
De vader legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Blijkens de diverse e-mails van de moeder en een mondelinge toezegging op 2 april 2025 in het bijzijn van Ambulante Spoedhulp en Veilig Thuis is de moeder voornemens om zich met [de minderjarige] (en haar meerderjarige dochter), ondanks de nadrukkelijke bezwaren van de vader, te vestigen in Zuid-Afrika. De moeder heeft de vader niet om toestemming voor de verhuizing met [de minderjarige] gevraagd en heeft ook nagelaten om de rechtbank om vervangende toestemming voor de verhuizing te vragen. De moeder betwist dat zij toestemming nodig heeft van de vader. De moeder beargumenteert dat de vader geen ouderlijk gezag over [de minderjarige] heeft sinds de verhuizing naar Nederland. Dit is onjuist. De vader heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over [de minderjarige] gekregen naar Zuid-Afrikaans recht. Het ouderlijk gezag is op grond van artikel 16 lid 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV) blijven bestaan na de verhuizing naar Nederland.
De moeder acht de verhuizing met [de minderjarige] naar Zuid-Afrika noodzakelijk, omdat zij in Nederland geen vervangende woonruimte zou kunnen vinden. De noodzaak wordt door de vader betwist, omdat hij de moeder met [de minderjarige] nooit zomaar op straat zou zetten. Daar komt bij dat de vader meent dat de moeder wel degelijk in staat moet zijn om woonruimte te vinden. De vader wil haar daarbij ook graag helpen.
De moeder lijkt nu in een razendsnel tempo te hebben bedacht Nederland te moeten verlaten, en alles achter zich te laten, zonder haar verhuizing op enige manier voor te bereiden. De moeder heeft geen woning in Zuid-Afrika, geen school voor [de minderjarige] uitgezocht en geen werk. Bovendien gaat de moeder volledig voorbij aan de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] . De vader en [de minderjarige] wonen nu in gezinsverband met elkaar samen. Een verhuizing naar Zuid-Afrika zou betekenen dat van de ene op de andere dag geen contact meer is tussen de vader en [de minderjarige] . Tevens gaat de moeder volledig voorbij aan het belang en het welzijn van [de minderjarige] . Niet alleen zal [de minderjarige] haar vader niet meer zien, maar [de minderjarige] is ook in Nederland geworteld aangezien zij sinds haar derde in Nederland woont. Haar volledige sociale leven speelt zich hier af. Zij gaat hier naar school en heeft veel vriendinnetjes. De moeder erkent weliswaar in haar berichtgeving aan de vader dat het leven van [de minderjarige] zou worden verpest, maar dat is voor de moeder kennelijk onvoldoende om andere opties te overwegen en de nieuwe situatie en aangeboden hulpverlening en mediation rustig te overzien. De moeder zet de vader volledig buiten spel en de vader ziet zich daarom genoodzaakt een verhuis- en uitreisverbod te vorderen.
Voor zover de rechtbank meent dat niet vaststaat dat de vader met het gezag over [de minderjarige] is belast, dan sluit de vader aan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513). In deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken, indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn. Kortom, eenhoofdig gezag geeft de moeder geen vrijbrief om met [de minderjarige] naar Zuid-Afrika te verhuizen.
3.3.
Gelet op hetgeen de vader hierboven uiteen heeft gezet vordert hij – uitsluitend indien de rechtbank de primaire vorderingen van de vader afwijst – subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf voorlopig bij de vader zal hebben, althans wordt toevertrouwd aan de zorgen van de vader, tot in een bodemprocedure een beslissing is genomen over het hoofdverblijf.
3.4.
Door en namens de vader is ter zitting hieraan toegevoegd dat het Centrum Internationale Kinderontvoering heeft geadviseerd om een geheel uitreisverbod te vorderen, omdat het risico dat de moeder naar Zuid-Afrika gaat groot is. De vader staat ook niet in het gezagsregister geregistreerd, waardoor de grenscontrole de ontbrekende toestemming niet zal opmerken. De vader geeft tot slot aan dat de moeder denkt dat zij per eind april de woning uit moet, maar dit is niet het geval.
3.5.
De moeder voert verweer en heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij wanhopig is en al acht maanden op zoek is naar een woning, maar dat dit tot op heden niet is gelukt. Zij heeft zeven sociale diensten, drie bemiddelingsbureaus en zelfs de koning benaderd. De moeder wil liever met haar kinderen in Nederland blijven, maar zij heeft geen andere keuze dan naar Zuid-Afrika te gaan. De moeder leeft nu in een kamer in de woning van de vader en het voelt voor haar alsof ze met haar twee dochters als een gijzelaar gevangen zit. De moeder heeft tot slot aangegeven dat ze niet met het mediationtraject is gestopt. Zij heeft enkel tegen het mediationbureau gezegd dat zij eerst het kort geding wilde afwachten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Nu [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland, is op grond van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van Europa (Brussel II-ter), de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de vordering ten aanzien van het verhuis-/reisverbod en de hoofdverblijfplaats. Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing.
brief van de moeder
4.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de moeder op 7 april 2025 om 13.55 uur een brief met bijlagen heeft ingediend. Namens de vader is bezwaar gemaakt tegen het toelaten van de stukken in deze procedure. Omdat deze stukken binnen vierentwintig uur voor de mondelinge behandeling zijn ingediend, zal de voorzieningenrechter deze stukken in verband met de goede procesorde buiten beschouwing laten. De moeder heeft de gelegenheid de stukken mondeling ter zitting toe te lichten.
spoedeisend belang
4.3.
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien van hem niet kan worden gevergd dat hij of zij een bodemprocedure afwacht.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen van de vader, gelet op het feit dat de moeder voornemens is om met [de minderjarige] op korte termijn naar Zuid-Afrika te verhuizen.
verhuisverbod en reisverbod
4.5.
Aan de orde is de vraag of aan de moeder een verhuis- en uitreisverbod moet worden opgelegd, omdat zij met [de minderjarige] wil terugverhuizen naar Zuid-Afrika. Bij de beoordeling van deze vraag is mede van belang dat tussen partijen in geschil is of de vader al dan niet is belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . In de reeds aanhangige bodemprocedure zal op basis van de door partijen aangeleverde gegevens daarover worden beslist. Een en ander leent zich niet voor een uitspraak in kort geding.Wanneer beide ouders belast zijn met het gezag over [de minderjarige] , zal de moeder vervangende toestemming moeten verzoeken in een bodemprocedure op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook wanneer de moeder eenhoofdig met het gezag over [de minderjarige] is belast, heeft zij op grond van artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de band tussen [de minderjarige] en de vader te bevorderen. Op grond van art. 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te reizen of te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het door de vader gevorderde verhuis- en reisverbod naar het buitenland, waaronder Zuid-Afrika, toe te wijzen. Er dient eerst in de bodemprocedure duidelijkheid te komen over het gezag van de vader en bijvoorbeeld de noodzaak van een verhuizing. In de tussentijd is het niet in het belang van [de minderjarige] om te verhuizen naar Zuid-Afrika, omdat de moeder volledig voorbijgaat aan de gerechtvaardigde belangen van de vader en [de minderjarige] om goed en veelvuldig contact met elkaar te hebben. Een verhuizing naar Zuid-Afrika zal immers verstrekkende en onomkeerbare gevolgen hebben voor de band tussen de vader en [de minderjarige] . Dit betekent dat de vordering van de vader om de moeder te verbieden uitvoering te geven aan haar voornemen om te verhuizen of te reizen naar Zuid-Afrika, of naar een ander land, zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen samen naar een goede oplossing gaan zoeken en het mediationtraject zo spoedig mogelijk weer oppakken.
dwangsom
4.7.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan het verbod te verhuizen en te reizen naar het buitenland een dwangsom te verbinden als extra waarborg om te voorkomen dat de moeder met [de minderjarige] naar Zuid-Afrika verhuist. De houding van de moeder ter zitting gaf onvoldoende duidelijkheid of zij zich aan het vonnis gaat houden. De gevorderde dwangsom zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot € 250 per dag tot een maximum van € 20.000.
kosten van het geding
4.8.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel bij familiezaken om de proceskosten te compenseren.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de moeder om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ) te verhuizen en te reizen naar Zuid-Afrika of een ander land;
5.2.
veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000 is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.L. de Groot op 22 april 2025.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.