Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-15
ECLI:NL:RBNHO:2024:9004
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,916 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/3851
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Liefting),
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Inleiding
In het besluit van 21 januari 2022 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (PW) per 2 juni 2021 ingetrokken en beëindigd per 22 januari 2022. Verder heeft verweerder een bedrag van € 6.207,03 van eiser teruggevorderd.
Met het bestreden besluit van 14 juni 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder – met verbetering van de motivering – bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Eiser heeft – zoals ter zitting afgesproken – nadere informatie in het geding gebracht. Verweerder heeft vervolgens met het besluit van 12 juni 2023: - het besluit van 14 juni 2022 ingetrokken, - het besluit van 21 januari 2022 herroepen,
- het recht op bijstand met ingang van 25 november 2021 ingetrokken,
- het recht op bijstand toegekend met ingang van 25 december 2021 en
- de te veel betaalde bijstand over de periode van 25 november 2021 tot en met 24 december 2021 van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 927,78.
Tevens heeft verweerder eiser een maatregel opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (te snel ingeteerd), van 20% gedurende 1 maand.
Eiser heeft te kennen gegeven zich ook niet in het nieuwe besluit te kunnen vinden.
Het beroep is opnieuw ter zitting behandeld op 28 maart 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser ontving sinds april 2020 een uitkering op grond van de PW, ten tijde hier van belang naar de norm van een alleenstaande met een korting van 10%. Vanaf 20 april 2022 is de uitkering beëindigd vanwege de verhuizing van eiser naar IJmuiden.
2. Eiser heeft op 25 november 2021 een bedrag van € 16.442,00 aan dwangsommen ontvangen in verband met het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser om een contingentwoning van 25 september 2020.
3. In het besluit van 12 juni 2023 heeft verweerder het recht op bijstand met ingang van 25 november 2021 ingetrokken, omdat het vermogen van eiser door de vermogenstoeval van € 16.442,- de grens van het vrij te laten vermogen heeft overschreden met € 10.147,-. Uitgaande van een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm zou de bijstand met ten minste 30 dagen zijn onderbroken. Verweerder heeft vervolgens berekend of met ingang van de 31e dag weer bijstand moet worden verleend. Op 25 december 2021 was het banksaldo € 7.761,05. Hiervan wordt 1,5 keer de bijstandsnorm afgetrokken, wat erop neerkomt dat een bedrag van € 6.258,57 als in aanmerking te nemen middel wordt beschouwd. Een nog openstaande schuld bij Energiedirect van € 805,76 wordt daarop in mindering gebracht hetgeen leidt tot een vermogen van € 5.452,81. Dat ligt beneden de grens van het vrij te laten vermogen en om die reden wordt per 25 december 2021 weer bijstand toegekend aan eiser, naar de alleenstaandennorm met een korting van 10% wegens geen/lagere woonlasten. Het vrij te laten vermogen heeft verweerder vastgesteld op € 842,19.
Vanwege de intrekking per 25 november 2021 tot en met 24 december 2021 is ten onrechte bijstand verstrekt; dat bedrag (€ 927,78) wordt van eiser teruggevorderd. Uit de bankafschriften leidt verweerder af dat eiser in een maand tijd € 6.739,45 heeft uitgegeven. Een deel daarvan, € 3.589,-, lijkt te zijn gegaan naar de afbetaling van openstaande schulden. Dat deel heeft verweerder buiten beschouwing gelaten. Voor wat betreft het overige deel, € 3.150,45, is verweerder van oordeel dat er te snel is ingeteerd. De toepasselijke interingsnorm is € 1.502,48. Verweerder heeft daarom een maatregel opgelegd van verlaging van de uitkering met 20% gedurende één maand.
Beoordeling
4. Verweerder heeft het bestreden besluit van 16 juni 2022 ingetrokken en het besluit van 12 juni 2023 ervoor in de plaats gesteld. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep dat gericht was tegen het besluit van 16 juni 2022 mede gericht tegen het besluit van 12 juni 2023, omdat daarmee niet volledig aan eiser is tegemoetgekomen. Een belang bij een oordeel over het oorspronkelijke besluit is niet gebleken. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 juni 2022 zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden.
Dwangsommen
5. Eiser voert aan dat verweerder de ontvangen dwangsommen ten onrechte als middel heeft aangemerkt, omdat deze als immateriële schadevergoeding moeten worden bestempeld in de zin van artikel 31, tweede lid, onder m, van de PW. Daarom moeten de dwangsommen buiten beschouwing gelaten worden. Eiser verwijst naar jurisprudentie van het EHRM. Daaruit valt volgens hem af te leiden dat de dwangsommen, voor zover voortvloeiend uit de uitspraak van de rechtbank op grond van artikel 8:55d van de Awb, compensatie zijn voor aangedaan leed en onder de werking van artikel 6 EVRM vallen. Bij een veroordeling op grond van artikel 8:55d van de Awb staat voorop dat het rechtsmiddel mogelijk niet effectief is maar dat dat gecompenseerd kan worden met een vergoeding van de schade door een dwangsom toe te kennen. De dwangsom maakt daarmee deel uit van de rechtsbescherming die geboden wordt op grond van artikel 6 EVRM.
6. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op het standpunt gesteld dat de dwangsommen als middel aangemerkt moeten worden.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moeten dwangsommen als middel aangemerkt worden. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het standpunt van eiser dat de dwangsom die op grond van artikel 8:55d van de Awb is opgelegd en verbeurd is als schadevergoeding moet worden gezien niet wordt gevolgd. Ook deze dwangsommen hebben immers tot doel het bestuursorgaan aan te zetten tot besluitvorming, en zijn niet (tevens) bedoeld als compensatie van leed. In de door eiser aangehaalde Europese jurisprudentie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
Berekening vermogen(saanwas)
8. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van een vermogen van € 0,00 terwijl verweerder zelf al aangeeft dat eiser schulden had bij aanvang van de bijstand. Het klopt volgens eiser wel dat de jurisprudentie uitgaat van een systeem waarbij de vermogenstoename vanuit € 0,00 wordt berekend. Alleen klopt dat niet met de werkelijkheid. Het vermogen van eiser was namelijk negatief. En dan zou dus eerst van negatief naar € 0,00 gerekend moeten worden en van daaruit naar boven de € 0,00. Alleen op die manier kan recht gedaan worden aan de werkelijke situatie van eiser.
Verder voert eiser aan dat verweerder weigert bepaalde schulden mee te rekenen in de vaststelling van het vermogen op de datum van ontvangst van de dwangsommen. Eiser vindt het vreemd dat de schuld uit het huwelijk bij de berekening van het te snelle interen wel wordt meegenomen, maar niet bij de berekening van het vermogen.
9. Volgens verweerder is het vaste rechtspraak dat tijdens een ononderbroken periode van bijstand maar éénmaal een bedrag ter hoogte van de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van PW kan worden vrijgelaten. Als sprake is van een negatief vermogen kan bij een vermogenstoeval een bedrag ter hoogte van de alsdan in acht te nemen vermogensgrens worden vrijgelaten. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2018. Verweerder heeft ook ten aanzien van het niet in aanmerking nemen van bepaalde schulden op het moment van de vermogenstoeval verwezen naar dezelfde uitspraak van de CRvB: als door vermogenstoeval het vrij te laten vermogen wordt overschreden, ongeacht het (negatieve) saldo van de bezittingen en schulden van de betrokkene op het moment van die overschrijding (actuele vermogen) moet het bedrag waarmee het vrij te laten vermogen wordt overschreden als vermogen worden aangemerkt.
10. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat in dit geval af te wijken van de in de bestendige rechtspraak neergelegde uitgangspunten met betrekking tot de berekening van vermogens(aanwas), ook niet in het licht van de maatwerkgedachte. Nu niet is betwist dat verweerder in overeenstemming met de vaste rechtspraak de berekening heeft verricht, treft deze beroepsgrond geen doel.
Maatregel
11. Eiser voert aan dat verweerder hem nu een nieuw en onterecht verwijt maakt dat hij te snel op zijn vermogen zou zijn ingeteerd. Of te snel is ingeteerd moet ook worden bekeken vanuit de vraag wat het vermogen was bij aanvang van de bijstand en of het vermogen al dan niet is vrijgesteld op grond van artikel 31, tweede lid, onder m, van de PW. Het had mogelijk gescheeld als verweerder daarover het gesprek was aangegaan in een hoorzitting, in plaats van zelf aan het rekenen te slaan op basis van kale cijfers. Daarmee is ook het recht om te worden gehoord geschonden. De hoorzitting die in eerste instantie heeft plaatsgevonden is namelijk ingestoken vanuit een ander uitgangspunt en de stukken waar verweerder zich nu op baseert waren ook nieuw.
12. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser niet onderbouwt waarom verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een tekortschietend besef. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat kon worden afgezien van horen, omdat met de beroepsgronden en de zitting al voldoende duidelijk was wat de geschilpunten waren.
13. Volgens vaste rechtspraak brengt de hoorplicht mee dat een belanghebbende in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. In een geval als het onderhavige, waarbij een besluit op bezwaar, waarbij de belanghebbende die gelegenheid reeds is geboden, wordt vervangen door een ander besluit op bezwaar, zal bij het nemen ervan, gegeven de hiervoor weergegeven ratio van de hoorplicht, onder omstandigheden ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mogen worden afgezien. Dat zal met name het geval zijn indien in redelijkheid kan worden verwacht, gezien de afwezigheid van nieuwe feiten of gegevens, dat het opnieuw horen van de belanghebbende tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren. Nu in het besluit van 12 juni 2023 een geheel nieuw element, namelijk de oplegging van een maatregel wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, kan niet worden gezegd dat het opnieuw horen van eiser niet meer zou kunnen zijn dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Dit brengt mee dat verweerder bij het nemen van het besluit van 12 juni 2023 artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft geschonden. Nu eiser zijn bezwaren tegen het opleggen van de maatregel in het beroepschrift en ter zitting heeft toegelicht is aannemelijk dat hij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht. De rechtbank zal dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.
14. Het is vaste rechtspraak dat van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan sprake kan zijn indien een betrokkene de beschikking heeft of krijgt over in aanmerking te nemen vermogen en vervolgens op dat vermogen, tezamen met eventueel beschikbaar inkomen, te snel inteert, terwijl redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor vervroegd opnieuw een beroep op bijstand moet worden gedaan.
15. Eiser had op 25 november 2021 een bedrag van € 10.147,- boven het vrij te laten vermogen ter aanwending voor zijn levensonderhoud.
Conclusie
19. Het beroep tegen het besluit van 12 juni 2023 is ongegrond. Gelet op hetgeen is overwogen onder 13 bestaat wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het reageren op de nieuwe beslissing op het bezwaar, 1,5 punt voor het verschijnen op de zittingen, met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 1, in totaal € 2.625,00. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser vergoeden.
20. Voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wordt 1 punt toegekend met een waarde van € 875,- en wegingsfactor 0,5. De Staat moet deze vergoeding van in totaal € 437,50 betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 juni 2022 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 12 juni 2023 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,00 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.625,00 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,00;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:1432.
Vergelijk ECLI:NL:RBDHA:2022:13492.
ECLI:NL:CRVB:2018:792.
ECLI:NL:CRVB:2018:239.
ECLI:NL:CRVB:2018:3869, ECLI:NL:CBB:2019:91.
ECLI:NL:CRVB:2016:5098.