Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-16
ECLI:NL:RBNHO:2024:8952
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,434 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/6197
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. W. van de Graaff-Eggink),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. Roos).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de mate van arbeidsongeschiktheid. Aan eiseres is een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend, maar eiseres is het niet eens met de hoogte van de uitkering.
1.1.
Met het primaire besluit van 19 april 2022 – is na toegenomen gezondheidsklachten – het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 1 november 2021 vastgesteld op 80-100%.
1.2.
Met het bestreden besluit van 23 november 2022 – op het bezwaar van de ex-werkgever – heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres gewijzigd naar 41,58% per 1 november 2021 en op 43,59% per datum besluit. Eiseres behoudt recht op een loonaanvullende uitkering tot 1 oktober 2024.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
1.5.
De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en heeft het Uwv verzocht om bij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na te vragen of de toelichting onder punt 4.15 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is meegenomen in de beoordeling. Het Uwv heeft de reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 13 december 2023 verstuurd. Eiseres heeft op 2 april 2024 een nadere reactie gegeven.
1.6.
De rechtbank heeft partijen bij brieven van 15 april 2024 medegedeeld dat er voldoende informatie is om uitspraak te doen en dat de rechtbank geen zitting nodig acht. Geen van de partijen heeft aangegeven gebruik te willen maken van het recht opnieuw op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek daarom heden gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres was werkzaam als pedagogisch medewerker. Op 14 mei 2018 viel zij uit wegens gezondheidsklachten. Na een wachttijd van 104 weken is zij per 11 mei 2020 voor 44,85% arbeidsongeschikt bevonden en is haar een WIA-uitkering toegekend. Tegen deze beslissing is zij in bezwaar gegaan, waarna het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 47,82%.
2.1.
Eiseres heeft op 2 juli 2021 doorgegeven dat sprake is van toegenomen gezondheidsklachten. Eiseres heeft aangegeven dat zij (in toenemende mate) last heeft van hypertensie, hyperventilatie en ademnood. Eiseres heeft telefonisch gesproken door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden en heeft de functionele mogelijkheden lijst (FML) aangepast. In de FML van 5 april 2022 is onder meer een urenbeperking van maximaal 10 uur per week opgenomen. De arbeidsdeskundige kon vervolgens geen functies selecteren, wat heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.
2.2.
De ex-werkgever ([ex-werkgever]) is in bezwaar gegaan en heeft vermeld dat onderzocht moet worden of er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar en de bevindingen tijdens het spreekuur op 12 september 2022 de FML gewijzigd. De duurbeperking is aangepast naar 4 uur per dag, 20 uur per week. Ook zijn wijzigingen aangebracht in de rubrieken “persoonlijk functioneren”, “sociaal functioneren” en “dynamische handelingen”. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens wel functies kunnen selecteren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep berekent de mate van arbeidsongeschiktheid op 43,59%. Tegen deze beslissing is eiseres in beroep gekomen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft bepaald dat aan eiseres een WIA-uitkering is toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,59%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
4. Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.1.
Om te kunnen beoordelen of verweerder op juiste gronden het arbeidsongeschiktheidspercentage en daarmee de restverdiencapaciteit van eiser met betrekking tot het recht op een WGA-uitkering heeft vastgesteld, dient de rechtbank te beoordelen of het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand is gekomen, of aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen en of de arbeidsdeskundigen kunnen worden gevolgd in hun conclusie. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres haar gezondheidsklachten zelf ervaart, hiervoor onvoldoende is.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
5. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest.
De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het medisch dossier bestudeerd. Daarbij heeft de primaire verzekeringsarts eiseres telefonisch gesproken en heeft de verzekeringsarts in bezwaar eiseres op een spreekuur gezien, waarbij psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. Uit de medische rapportages is voorts op te maken dat alle beschikbare informatie is meegewogen in de beoordeling.
Medische beoordeling
Urenbeperking
6. De bezwaarverzekeringsarts heeft de urenbeperking in bezwaar bijgesteld naar 4 uur per dag. Reden hiervoor is dat er geen sprake is van een dusdanige stoornis dat hierdoor de energetische belastbaarheid maar 2 uur per dag is. Eiseres kan zich hier niet in vinden en stelt dat zij energetisch sterk is beperkt, zij komt moeizaam in slaap en slaapt slecht door. Eiseres raakt in paniek wanneer zij ’s avonds in bed ligt. Iedere nacht is een compleet gebroken nacht. Hierdoor is eiseres overdag oververmoeid. Ook de long covid en de nare pijn die het syndroom van Tietze meebrengt zorgen voor oververmoeidheid.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd dat met een urenbeperking van 4 uur voldoende rekening wordt gehouden met de beperkingen van eiseres. Er is rekening gehouden met een vergroot energetisch verbruik en verminderde mogelijkheden tot recuperatie. Dat eiseres niet in staat zou zijn om 4 uur per dag te werken blijkt niet uit de medische gegevens, ook niet uit de brief van de huisarts van 8 december 2022. Het enkele feit dat eiseres dit anders ervaart, kan er niet toe leiden dat moet worden getwijfeld aan de conclusies van de verzekeringsartsen.
Borstklachten
8. Eiseres stelt verder dat zij meer beperkt is door haar borstklachten. Recent is namelijk gebleken dat de al lang bestaande pijnklachten op en in haar borst worden veroorzaakt door het syndroom van Tietze. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een brief van de huisarts overgelegd van 8 december 2022, waarin is vermeld dat voornamelijk het syndroom van Tietze op de voorgrond staat.
Naar het oordeel van de rechtbank is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 1 februari 2023 voldoende gemotiveerd dat met de gestelde beperkingen eiseres fysiek niet zwaar wordt belast en dus rekening wordt gehouden met de borstklachten behorend bij het syndroom van Tietze. Uit de brief van de huisarts blijkt niet dat aan deze conclusie moet worden getwijfeld.
Zelfstandig handelen
9. Ook stelt eiseres dat zij wel beperkt is op zelfstandig handelen. Als gevolg van de depressie, maar ook als gevolg van de long covidklachten en de extreme vermoeidheid komt eiseres overdag bijna nergens toe. Dat blijkt uit haar dagverhaal. Uit de informatie van de behandelend psycholoog bij PsyQ van 28 februari 2022 blijkt dat de depressie- en angstklachten aanhouden.
9.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding meer gezien om eiseres beperkt te achten ten aanzien van zelfstandig handelen, omdat de medische situatie hier geen aanleiding voor biedt. Ook het dagelijks functioneren biedt hier aanwijzingen voor. Eiseres is in staat om zelf haar afspraken bij te houden, zaken te regelen en om contacten te onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat aan deze conclusie moet worden getwijfeld.
Vasthouden en verdelen van aandacht
10. Ten onrechte is volgens eiseres geen beperking aangenomen op vasthouden en verdelen van de aandacht. Vanwege de grote vermoeidheid die eiseres ervaart lukt het haar niet om zich te concentreren op een boek of film.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat en waarom er geen sprake is van beperkingen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van aandacht. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vermeld dat dat er geen aanwijzingen gezien zijn bij de psychologische oriëntatie of vanuit het dagelijks functioneren. Er is bij het vaststelling van de beperkingen gebruik gemaakt van de recente en medische informatie van behandelaars op psychisch vlak. Nu eiseres geen medische informatie heeft overgelegd, waaruit blijkt dat aan de conclusie van de verzekeringsartsen moet worden getwijfeld, volgt de rechtbank de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Duizeligheid en hoofdbewegingen
11. Eiseres ervaart duizeligheid en gebruikt medicijnen met een gele sticker (Trazodon). De draaiduizeligheid treedt op zodra eiseres haar hoofd beweegt, maar ook wanneer zij stil in bed ligt. Eiseres stelt dat daarom een beperking had moet worden aangenomen ten aanzien van werken op hoogte en werken met gevaarlijke machines. Ook is ten onrechte geen beperking aangenomen ten aanzien van trillingsbelasting en hoofdbewegingen maken (waar wel een beperkende toelichting op is gegeven wat niet conform de invulinstructie is), buigen, torderen en eigenlijk alle bewegingen waarbij eiseres een draai of een buiging met haar hoofd.
11.1.
De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. In de rapportage van de verzekeringsarts van 21 september 2022 is vermeld dat met de eerder (in de FML van 5 april 2022) gestelde beperkingen rekening wordt gehouden met de duizeligheidsklachten. Dit zijn beperkingen voor bewegingen die de duizeligheid uitlokken en die zwaar fysiek belastend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat hiermee niet voldoende rekening wordt gehouden met de duizeligheid en draaierigheid van eiseres.
Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 1 februari 2023 vermeld dat de ernst van de duizeligheidsproblematiek en de medicatie geen aanleiding vormt om aanvullende beperkingen op de genoemde punten aan te nemen, ook niet ten aanzien van het werken op hoogte of het werken met gevaarlijke machines. Daarbij is gemotiveerd dat het risico op ongelukken, op plekken waar op hoogte en/of met gevaarlijke machines wordt gewerkt, onder andere door de strenge Arbonormen, zo klein is dat een beperking niet is aangewezen.
Conclusie
14. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rapportage van de verzekeringsarts in bezwaar, navolgbaar is en geen tegenstrijdigheden bevat. Daarbij heeft eiseres niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat de medische beoordeling onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de FML van 21 september 2022 in stand blijven.
Arbeidsdeskundig
15. Eiseres vindt de geduide functies niet passend, omdat zij in het geheel niet in staat is te werken. Daarnaast stelt eiseres in de aanvullende reactie van 2 april 2024 dat er wel degelijk sprake is van draaiingen in de geselecteerde functies.
15.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 22 september 2022 vermeld (op pagina 5) dat in de functies snelle draaiingen van het hoofd niet nodig zijn. Na de zitting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – nadat de rechtbank daarom had gevraagd – een nadere motivering gegeven in hoeverre in de geselecteerde functies sprake is van snelle hoofdbewegingen maken, naar aanleiding van de toelichting die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het aspect 4.15 was vermeld. In de nadere toelichting van 13 december 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd aangegeven dat de geconstateerde signaleringen geen overschrijdingen van de belastbaarheid van eiseres inhouden en er geen sprake is van snelle draaiingen van het hoofd in de geduide functies. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – na het geven van de nadere toelichting op 13 december 2023 – voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies, rekening houdend met de beperkingen van eiseres, geschikt zijn voor eiseres en haar belastbaarheid niet te boven gaan.
Conclusie
16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling heeft geleid tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,95%. Het uitkeringspercentage blijft ongewijzigd.
17. Omdat de arbeidskundige motivering in beroep is aangevuld en het besluit daardoor pas in beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Het beroep van eiseres slaagt dus niet.
18. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten en te bepalen dat het Uwv aan eiser het door haar betaalde griffierecht ad € 50,- vergoedt.
De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 februari 2007, ECLI:NL:2007:AZ9153, 3 februari 2011, ECLI:NL:2011:BP3097 en 6 maart 2015, ECLI:NL:2015:754 en 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3203.