Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-06-19
ECLI:NL:RBNHO:2024:8316
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,040 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11054600 \ CV EXPL 24-2443
Uitspraakdatum: 19 juni 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
Stichting Pré Wonen
gevestigd te Haarlem
de eisende partij
gemachtigde: De Best & Partners gerechtsdeurwaarders incasso
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
de gedaagde partijen
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partijen gedagvaard. Tegen de gedaagde partijen is verstek verleend. De dagvaarding bevat tevens een incidentele vordering ex artikel 223 Rv.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de gedaagde partijen tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proces- en nakosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partijen tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
In het incident
2.3.
De eisende partij vordert bij provisionele vordering ex artikel 223 Rv ontruiming van het gehuurde.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing van:
de huurovereenkomst
(hierna: de huurovereenkomst)
en Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte 2018
(hierna: de algemene voorwaarden)
3.1.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partijen algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de
Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
3.2.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
3.3.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.
3.4.
Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Huurprijswijzigings-, servicekosten-, rente-, proceskosten en incassobeding
3.5.
In een eerdere zaak van de eisende partij heeft de kantonrechter de incasso- en rentebedingen in de algemene voorwaarden oneerlijk bevonden. Dit voor zover de bedingen verband hielden met de vordering. De eisende partij heeft hierbij de gelegenheid gekregen zich hierover uit te laten. De kantonrechter heeft in die zaak geoordeeld dat het huurprijswijzigingsbeding in artikel IV van de huurovereenkomst en het servicekostenbeding in artikel 5 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk zijn. Wel heeft de kantonrechter de rente- en incassobedingen in artikel 6.1, 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden, voor zover deze betrekking hebben op de rente en de buitengerechtelijke incassokosten, oneerlijk bevonden en vernietigd en de gevorderde rente en de buitengerechtelijke kosten daarom afgewezen.. Alhoewel de kantonrechter artikel 13.1 van de algemene voorwaarden ook oneerlijk vond ten aanzien van de proceskosten, heeft de kantonrechter geoordeeld dat dit geen gevolg had voor de proceskostenveroordeling, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 Rv ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
3.6.
De eisende partij stelt dat zij de algemene voorwaarden met ingang van 1 april 2024 op grond van artikel 1.2 van haar algemene voorwaarden heeft gewijzigd. Tijdens het minnelijke traject zijn volgens de eisende partij de ‘Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte 2024’, hierna: de gewijzigde algemene voorwaarden, van toepassing geworden. De eisende partij stelt dat de sanctie voor het hanteren van oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden om die reden toepassing mist in deze zaak. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.
3.7.
De eisende partij heeft de onderhavige vordering ingesteld bij dagvaarding van 10 april 2024 en ziet op een huurachterstand van daarvoor. Een eerste aanmaning ex artikel 6:96 lid 6 BW is door de eisende partij op 14 november 2023 aan de gedaagde partijen verstuurd. De eisende partij is dus, na in eerdere zaken op de oneerlijkheid van de bedingen en de gevolgen daarvan gewezen te zijn door de kantonrechter én nadat de gedaagde partijen al (geruime tijd) in verzuim waren, tot actie (afstand nemen van de oneerlijke bedingen) overgegaan.
3.8.
Dat betekent in dit geval dat ondanks dat de kantonrechter niet meer tot vernietiging van de bedingen kan overgaan, wel de gevolgtrekking die daaraan wordt verbonden, wordt toegepast. Dit is pas anders als het nieuwe vorderingen zou betreffen die zijn ontstaan na het moment van afstand van de oneerlijke bedingen. Anders kan de eisende partij de sanctie op het gebruik van oneerlijke bedingen in feite omzeilen en is er geen prikkel om uit zichzelf, en los van een geschil, over te gaan tot wijziging van dergelijke oneerlijke bedingen. Daarmee zou het doel van de onderhavige ambtshalve toetsing voorbij worden geschoten.
3.9.
De conclusie is dat de oorspronkelijk met de gedaagde partijen bedongen rente- en incassobedingen als oneerlijk zijn aan te merken. De kantonrechter zou deze bedingen daarom hebben vernietigd, zij het niet dat de eisende partij van deze bedingen inmiddels zelf afstand heeft gedaan en deze dus niet meer vernietigd kúnnen worden. Niettemin is het gevolg hetzelfde: de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente worden afgewezen.
Het incasso- en rentebeding in de gewijzigde algemene voorwaarden
3.10.
De kantonrechter heeft vooruitlopend op eventuele toekomstige procedures van de eisende partij alvast kennis genomen van de gewijzigde algemene voorwaarden.
3.11.
In de gewijzigde algemene voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
Artikel 17.1: ‘Moet u ons geld betalen? Dan moet u dat op tijd doen. Betaalt u niet op tijd? Dan betaalt u rente over het bedrag dat u te laat betaalt. Dat doet u vanaf de laatst dag dat u had moeten betalen. Andersom geldt dit ook voor Pré Wonen.’
Artikel 17.2: ‘Daarnaast betaalt u – als u een consument bent – ook buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte daarvan hangt af van het bedrag dat u te laat betaalt. Dit wordt berekend volgens de geldende wet- en regelgeving. (…)’
3.12.
De eisende partij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewijzigde algemene voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.
3.13.
De kantonrechter stelt vast dat de bedongen rente in het gewijzigde rentebeding niet is gespecificeerd.
Conclusie
3.19.
De gedaagde partijen worden overwegend in het ongelijk gesteld en zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij worden de gedaagde partijen ook veroordeeld tot betaling van € 135,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partijen om het perceel aan de [adres] [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn);
4.3.
veroordeelt de gedaagde partijen om aan de eisende partij te betalen een bedrag van
€ 4.106,82 aan achterstallige huurpenningen;
4.4.
veroordeelt de gedaagde partijen om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 684,47 per maand, voor iedere maand dat de gedaagde partijen het gehuurde vanaf 1 mei 2024 in gebruik houden;
4.5.
veroordeelt de gedaagde partijen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 137,47 wegens dagvaardingskosten,
€ 496,00 wegens griffierecht en
€ 271,00 wegens salaris gemachtigde;
4.6.
veroordeelt de gedaagde partijen tot betaling van € 135,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
4.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).
ECLI:NL:RBNHO:2023:11119 (tussenvonnis) en ECLI:NL:RBNHO:2024:3693 (eindvonnis)