Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-31
ECLI:NL:RBNHO:2024:8078
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,357 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10912594 \ CV EXPL 24-796
Uitspraakdatum: 31 juli 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
Bergermeer B.V.
gevestigd te Hoorn
de eisende partij
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder S. Baldinger
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
de gedaagde partijen
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 8 mei 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de huurovereenkomst en de van toepassing zijnde algemene voorwaarden te overleggen. Ook is de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden. Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 5 juni 2024.
2De vordering
2.1.
De eisende partij vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van de gedaagde partijen tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De eisende partij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de gedaagde partijen tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst. Hierbij heeft de eisende partij toegelicht dat de gedaagde partijen een huurachterstand hebben laten ontstaan.
3De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden:
huurovereenkomst woonruimte
(hierna: de huurovereenkomst) en
de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (12 oktober 1992)
(hierna: de algemene voorwaarden)
3.1.
De huurovereenkomst is aangegaan per 1 augustus 1995 met een aanvangshuur van f 1.094,00 per maand. De kantonrechter constateert dat sprake is van geliberaliseerde huur.
3.2.
Voordat de kantonrechter een eindoordeel over de vordering kan geven, moet de kantonrechter eerst ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst met de gedaagde partij algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de
Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), omdat dit gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de vordering. Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
3.3.
De kantonrechter moet in dit verband beoordelen of bedingen, waaraan een consument gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. In dat geval moet de kantonrechter daar consequenties aan verbinden, met de bedoeling dat de consument erop kan vertrouwen dat de ‘kleine lettertjes’ niet oneerlijk voor hem uitpakken – en dat hij wordt beschermd als hij zijn handtekening heeft gezet onder een overeenkomst waarin oneerlijke bedingen blijken te zijn opgenomen.
3.4.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat het gaat om een beoordeling van de bedongen afspraken, die de rechten en plichten van partijen over en weer vastleggen en waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. De omstandigheid dat een eisende partij alleen een beroep doet op wettelijke bepalingen ontslaat de kantonrechter namelijk niet van de verplichting om ambtshalve te toetsen. In dat laatste geval heeft de eisende partij ook geen recht op de gevorderde wettelijke vergoeding. Dat geldt voor de gevorderde hoofdsom, maar ook voor bijkomende vorderingen, zoals de gevorderde vergoedingen voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten of rente.
3.5.
Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Huurprijswijzigingsbeding
3.6.
In artikel 19 van de (bijzondere bepalingen van de) huurovereenkomst staat een huurprijswijzigingsbeding. Deze luidt als volgt:
“ De in 19.1 van de Algemene Bepalingen weergegeven indexeringsregeling is niet van toepassing. In plaats daarvan komen partijen het navolgende overeen:
De huurprijs zal worden aangepast op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks CPI-Werknemers Laag (1990-100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De gewijzigde huurprijs wordt berekend volgens de formule:
De gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de kalendermaand die ligt vier kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de kalendermaand die ligt zestien kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast;
Indien het CBS de bekendmaking van genoemd prijsindexcijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd.
Bij verschil van mening hieromtrent kan door de meest gerede partij aan de directeur van het CBS een uitspraak worden gevraagd die voor partijen bindend is.
De eventueel hieraan verbonden kosten worden door partijen elk voor de helft gedragen.
De huurprijs wordt niet gewijzigd indien de aanpassing zou leiden tot een lagere huurprijs dan de laatstgeldende. (…)
De gewijzigde huurprijs geldt ook, indien van de wijziging aan huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan.”
3.7.
Dit beding sluit aan bij de wettelijke regels omtrent het wijzigen van de huurprijs. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat het hiervoor genoemde beding als niet oneerlijk kan worden beschouwd.
Rente
3.8.
In artikel 22.2 van de algemene voorwaarden is een rentebeding opgenomen en luidt als volgt: “Voor elk geval dat huurder in verzuim is, is hij de van rechtswege wettelijke rente over de verschuldigde hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom aan verhuurder verschuldigd.”
3.9.
Het hiervoor genoemde rentebeding is in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat het hiervoor genoemde beding als niet oneerlijk kan worden beschouwd.
Conclusie
3.14.
De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen.
3.15.
De gedaagde partijen worden overwegend in het ongelijk gesteld en zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de gedaagde partijen hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de ene partij betaalt, de andere partij zal zijn bevrijd, om aan de eisende partij te betalen een bedrag van
€ 4.286,60;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partijen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 116,41 wegens dagvaardingskosten,
€ 496,00 wegens griffierecht en
€ 271,00 wegens salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Dat volgt uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) en 8 december 2022 (ECLI:EU:C:2022:971).