Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:7514
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,850 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11187034 \ VV EXPL 24-51
Uitspraakdatum: 23 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:
de stichting Stichting Parteon
gevestigd te Wormerveer
eiseres
verder te noemen: Parteon
gemachtigde: mr. A. Ekkel
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
niet verschenen
1Het procesverloop
1.1.
Parteon heeft [gedaagde] op 8 juli 2024 gedagvaard.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024. [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen [gedaagde] is verstek verleend.
1.3.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat Parteon ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.
Beoordeling
2.1.
Parteon vordert in de dagvaarding dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de door [gedaagde] van Parteon gehuurde woonruimtes aan [adres 1] te [plaats] en [adres 2] te [plaats] te ontruimen en ter beschikking te stellen aan Parteon, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert Parteon dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 7.999,70 (€ 3.711,10 voor de woonruimte aan de [adres 2] en € 4.288,60 voor de woonruimte aan [adres 1] ). Verder vordert Parteon dat [gedaagde] per 2 april 2024 wordt veroordeeld tot betaling van € 857,52 per maand voor de woonruimte aan [adres 1] en per 1 september 2023 € 371,11 per maand voor de woonruimte aan de [adres 2] . Ook vordert Parteon een boete van € 7.500,00, buitengerechtelijke incassokosten van € 927,01 en ontruimingskosten. Tot slot vordert Parteon wettelijke rente en proces- en nakosten.
2.2.
Parteon legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] heeft nagelaten de woning aan de [adres 2] aan Parteon op te leveren, ondanks dat hij de huur van die woning heeft opgezegd. Doordat de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd, heeft [gedaagde] deze woning zonder recht of titel in gebruik. Ten aanzien van de woning aan [adres 1] heeft [gedaagde] illegale prostitutie laten plaatsvinden in de woning. De woning is daarom gesloten op last van de burgemeester. Bovendien heeft [gedaagde] de verschuldigde huur niet tijdig en of volledig betaald.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot ontruiming van de beide woningen kan worden toegewezen. [gedaagde] is niet verschenen in de procedure en heeft de stellingen van Parteon dus niet betwist. Daarom moet worden aangenomen dat [gedaagde] de woning aan de [adres 2] zonder recht of titel in gebruik heeft en dat hij ten aanzien van de woning aan [adres 1] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen als huurder door in die woning illegale prostitutie te laten plaatsvinden. Dat rechtvaardigt toewijzing van de vordering tot ontruiming van de woningen. Daarbij weegt mee dat die vordering met een grote mate van waarschijnlijkheid ook in een gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Parteon heeft in de dagvaarding ook voldoende toegelicht dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen.
2.4.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagde] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.5.
De gevorderde dwangsom zal op hierna te noemen wijze worden gemaximeerd.
2.6.
De vorderingen ten aanzien van de huur en/of gebruiksvergoeding voor de woningen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en die vorderingen worden daarom toegewezen.
2.7.
De gevorderde boete van € 7.500,00 wordt afgewezen, omdat het spoedeisend belang ten aanzien daarvan niet vast is komen te staan. Bovendien vereist deze vordering een ambtshalve toetsing en daarvoor leent deze procedure zich op dit punt niet.
2.8.
De gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen, omdat de met de ontruiming gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, hetgeen niet op voorhand kan worden beoordeeld.
2.9.
Parteon maakt aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en rente. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of op de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Deze toetsing heeft de volgende gevolgen.
2.10.
Voor de woning aan de [adres 2] geldt dat in de huurovereenkomst is opgenomen dat op die huurovereenkomst de Algemene Huurvoorwaarden van Parteon van 31 januari 2007 van toepassing zijn. Hoewel deze Algemene Huurvoorwaarden in deze procedure niet zijn overgelegd, is de kantonrechter er ambtshalve mee bekend dat deze Algemene Huurvoorwaarden voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten een oneerlijk beding bevatten. De kantonrechter zal dit beding dan ook vernietigen en als gevolg daarvan zullen de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
2.11.
Voor de woning aan [adres 1] geldt dat op die huurovereenkomst de Algemene Huurvoorwaarden (zelfstandige woonruimte) van juni 2021 van toepassing zijn verklaard. In deze huurvoorwaarden zijn, voor zover van belang, de volgende bedingen opgenomen:
Artikel 6.1: ‘(…) Vanaf de eerste dag van de maand dat de huurder niet betaalt, is huurder voor de termijn van die maand in verzuim en is hij wettelijke rente verschuldigd.’
Artikel 13.2: ‘Indien huurder in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door verhuurder gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van huurder.’
Artikel 13.3: ‘Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een geldsom, is hij de wettelijke rente verschuldigd over de hoofdsom, gerekend vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van de hoofdsom. (…)’
Artikel 13.5: ‘Alle redelijke buitengerechtelijke kosten die verhuurder moet maken omdat huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, zijn voor rekening van huurder. Onder redelijke buitengerechtelijke kosten worden verstaan de door verhuurder gemaakte kosten van een incassobureau of van een derde, te vermeerderen met de door verhuurder zelf gemaakte kosten. Voor de berekening van de buitengerechtelijke kosten is de wettelijke staffel van toepassing.’
Artikel 13.6: ‘Indien huurder enige bepaling uit de Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, is die partij verplichten behoeve van de andere partij een onmiddellijke opeisbare boete van € 25,- (niveau november2013, geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag te betalen, met een maximum van € 15.000,-, onverminderd de verplichting van die partij om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd de rechten op schadevergoeding. De boete zal, zonder rechtelijke tussenkomst, voor elke dag waarop de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn. Dit artikel is niet van toepassingen op schendingen van de overeenkomst waarin in het voorgaande reeds een gespecificeerde boete is gesteld.’
2.12.
De rentebedingen in artikel 6.1 en 13.3 zijn in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Deze bedingen zijn op zichzelf daarom voor wat betreft de verschuldigdheid van rente niet oneerlijk. In combinatie met het boetebeding in artikel 13.6 zijn de rentebedingen wel oneerlijk. Op grond van deze bedingen zou Parteon in geval van niet tijdige huurbetaling door de huurder wettelijke rente én een boete in rekening kunnen brengen, terwijl de huurder op grond van de wettelijke regeling uitsluitend wettelijke rente verschuldigd zou zijn. Hiermee wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [gedaagde] verstoord.
2.13.
De incassobedingen in artikel 13.2 en 13.5 zijn op zichzelf, maar ook in combinatie met artikel 13.6, oneerlijk. Parteon heeft op grond van artikel 13.2 de vrije hand in het ongelimiteerd in rekening brengen van een bedrag aan incassokosten; de bedongen kosten in het beding zijn niet gespecificeerd.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] de woning aan [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats] en de woning aan de [adres 2] ( [postcode 2] ) te [plaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet in eigendom toebehoren aan Parteon te ontruimen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Parteon te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] , voor het geval hij met de tijdige ontruiming in gebreke blijft, tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per woning per dag, met een maximum van € 5.000,00 per woning;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 7.999,70 aan Parteon te betalen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] , voor [adres 1] , tot betaling van € 857,52 per maand of een gedeelte van een maand vanaf 2 april 2024 tot aan de dag van de ontruiming;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] , voor de [adres 2] , tot betaling van € 371,11 per maand of een gedeelte van een maand vanaf 1 september 2023 tot aan de dag van de ontruiming;
3.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Parteon tot en met vandaag vaststelt op:
€ 136,72 wegens dagvaardingskosten;
€ 524,00 wegens griffierecht;
€ 543,00 wegens salaris gemachtigde;
€ 135,00 wegens nakosten;
te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst de gevorderde voorziening voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
ECLI:NL:RBNHO:2024:3425.