Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-19
ECLI:NL:RBNHO:2024:7340
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,418 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2976
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 14 juni 2024 om de klacht van verzoeker van 11 maart 2024 niet verder te onderzoeken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juni 2024.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe die conclusie tot stand is gekomen.
Wat ging er aan het verzoek vooraf?
2.1.
Verzoeker heeft op 11 maart 2024 bij verweerder een klacht ingediend over de Nationale Politie Eenheid Noord-Holland (de politie). Verzoeker klaagt erover dat de politie zijn persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt. In de klacht stelt hij ook dat de politie zijn verzoek tot inzage onvoldoende heeft gefaciliteerd. Verzoeker wil dat het gebruik van zijn politiegegevens wordt beperkt dan wel afgeschermd. Uit het besluit van 14 juni 2024 blijkt dat verweerder de klacht heeft onderzocht en geen aanleiding ziet om verder onderzoek te doen.
Wat vraagt verzoeker van de voorzieningenrechter?
2.2.
Verzoeker wil in de voorlopige voorziening dat de verwerking van zijn gegevens beperkt wordt totdat hij inzage heeft gekregen. Verzoeker stelt dat de politie hem bij het Veiligheidshuis heeft aangemeld met gegevens die hij niet zelf kan controleren. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder direct moet handhaven om zijn gegevens te beschermen. Volgens verzoeker zijn de gegevens schadelijk voor hem.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
2.3.
De voorzieningenrechter heeft schriftelijk aan verzoeker gevraagd om een onderbouwing van het spoedeisend belang. Daarbij is hem gevraagd om aan te geven waarom hij het bezwaar tegen het besluit van verweerder niet kan afwachten. In reactie daarop heeft verzoeker op 18 juni 2024 laten weten dat de desbetreffende gegevens schadelijk zijn voor zijn reputatie en veiligheid, omdat die gegevens in strijd zijn met de waarheid. Verzoeker stelt dat die gegevens geweld kunnen oproepen bij bepaalde mensen, waardoor hij in isolatie kan raken. Aanvullend heeft hij gesteld dat hij op 26 juni 2024 bij de politie inzage heeft gehad in de gegevens en dat hij niet kan uitmaken waarom hij is aangemeld bij het Veiligheidshuis omdat er geen casusverslag is.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verzoeker daarmee onvoldoende aannemelijk heeft waarom hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Verzoeker heeft inmiddels bij de politie inzage in zijn gegevens gekregen. Hij stelt dat het gaat om gegevens die schadelijk zijn voor zijn reputatie en veiligheid. Hij heeft (de spoedeisendheid van) deze stelling echter ook na de inzage bij de politie niet concreet onderbouwd.
Conclusie
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2976
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder van 14 juni 2024 om de klacht van verzoeker van 11 maart 2024 niet verder te onderzoeken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juni 2024.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe die conclusie tot stand is gekomen.
Wat ging er aan het verzoek vooraf?
2.1.
Verzoeker heeft op 11 maart 2024 bij verweerder een klacht ingediend over de Nationale Politie Eenheid Noord-Holland (de politie). Verzoeker klaagt erover dat de politie zijn persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt. In de klacht stelt hij ook dat de politie zijn verzoek tot inzage onvoldoende heeft gefaciliteerd. Verzoeker wil dat het gebruik van zijn politiegegevens wordt beperkt dan wel afgeschermd. Uit het besluit van 14 juni 2024 blijkt dat verweerder de klacht heeft onderzocht en geen aanleiding ziet om verder onderzoek te doen.
Wat vraagt verzoeker van de voorzieningenrechter?
2.2.
Verzoeker wil in de voorlopige voorziening dat de verwerking van zijn gegevens beperkt wordt totdat hij inzage heeft gekregen. Verzoeker stelt dat de politie hem bij het Veiligheidshuis heeft aangemeld met gegevens die hij niet zelf kan controleren. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder direct moet handhaven om zijn gegevens te beschermen. Volgens verzoeker zijn de gegevens schadelijk voor hem.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
2.3.
De voorzieningenrechter heeft schriftelijk aan verzoeker gevraagd om een onderbouwing van het spoedeisend belang. Daarbij is hem gevraagd om aan te geven waarom hij het bezwaar tegen het besluit van verweerder niet kan afwachten. In reactie daarop heeft verzoeker op 18 juni 2024 laten weten dat de desbetreffende gegevens schadelijk zijn voor zijn reputatie en veiligheid, omdat die gegevens in strijd zijn met de waarheid. Verzoeker stelt dat die gegevens geweld kunnen oproepen bij bepaalde mensen, waardoor hij in isolatie kan raken. Aanvullend heeft hij gesteld dat hij op 26 juni 2024 bij de politie inzage heeft gehad in de gegevens en dat hij niet kan uitmaken waarom hij is aangemeld bij het Veiligheidshuis omdat er geen casusverslag is.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verzoeker daarmee onvoldoende aannemelijk heeft waarom hij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Verzoeker heeft inmiddels bij de politie inzage in zijn gegevens gekregen. Hij stelt dat het gaat om gegevens die schadelijk zijn voor zijn reputatie en veiligheid. Hij heeft (de spoedeisendheid van) deze stelling echter ook na de inzage bij de politie niet concreet onderbouwd.
Conclusie
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.