Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-06-05
ECLI:NL:RBNHO:2024:5694
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9648567 \ CV EXPL 22-472
Uitspraakdatum: 5 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats], Oekraïne
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
te Amsterdam
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.W.L. Russell
1Het procesverloop
1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 18 oktober 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier heeft zich bij akte uitgelaten over (de producties bij) de schriftelijke reactie van de vervoerder.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via München Franz Josef Strauss Airport (Duitsland) naar Kiev Birispol Airport (Oekraïne) op 29 oktober 2019.
2.2.
Vlucht LH2307 van Amsterdam naar München (hierna: de vlucht) heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. De passagier heeft de aansluitende vlucht naar Kiev gemist. Zij is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij meer dan drie uur later dan oorspronkelijk gepland in Kiev is aangekomen.
3De vordering en het verweer
3.1.
De passagier vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagier erkent dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, waardoor de vordering met betrekking tot de hoofdsom en wettelijke rente daarover is ingetrokken. De passagier vordert nog wel buitengerechtelijke kosten en proceskosten, omdat de vervoerder de passagier nodeloos zou hebben gedwongen tot en procedure, doordat de passagier voorafgaand aan de procedure geen informatie over deze buitengewone omstandigheid en daaropvolgende redelijke maatregelen van de vervoerder heeft ontvangen.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. In deze zaak heeft de vervoerder in het buitengerechtelijke traject aangegeven dat hij bereid was de gevorderde forfaitaire compensatie te betalen, onder de voorwaarde dat de passagier een kopie van haar identiteitsbewijs waarop de pasfoto zichtbaar was zou overleggen. De passagier heeft dit geweigerd, zodat er naar het oordeel van de kantonrechter geen overeenkomst tot betaling van compensatie is overeengekomen. De correspondentie tussen partijen brengt echter wel mee dat er voor de passagier geen reden bestond om aan te nemen dat de vervoerder zich in de gerechtelijke procedure zou verweren met een beroep op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter volgt de passagier dan ook in haar stelling dat zij geen andere keuze had dan tot dagvaarding over te gaan.
4.4.
EUclaim heeft meerdere brieven gestuurd naar de vervoerder. Deze brieven zijn aangepast aan de specifieke situatie. Bovendien wordt in deze brieven gereageerd op het verzoek van de vervoerder om een kopie van het identiteitsbewijs van de passagier mét pasfoto te overleggen. Het gaat dan ook niet om (volledig) gestandaardiseerde brieven. De kantonrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 72,60 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagier in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
4.5.
Nu de passagier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 72,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2021 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9648567 \ CV EXPL 22-472
Uitspraakdatum: 5 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats], Oekraïne
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
te Amsterdam
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.W.L. Russell
1Het procesverloop
1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 18 oktober 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagier heeft zich bij akte uitgelaten over (de producties bij) de schriftelijke reactie van de vervoerder.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via München Franz Josef Strauss Airport (Duitsland) naar Kiev Birispol Airport (Oekraïne) op 29 oktober 2019.
2.2.
Vlucht LH2307 van Amsterdam naar München (hierna: de vlucht) heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. De passagier heeft de aansluitende vlucht naar Kiev gemist. Zij is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij meer dan drie uur later dan oorspronkelijk gepland in Kiev is aangekomen.
3De vordering en het verweer
3.1.
De passagier vordert – na vermindering van eis – dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagier erkent dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, waardoor de vordering met betrekking tot de hoofdsom en wettelijke rente daarover is ingetrokken. De passagier vordert nog wel buitengerechtelijke kosten en proceskosten, omdat de vervoerder de passagier nodeloos zou hebben gedwongen tot en procedure, doordat de passagier voorafgaand aan de procedure geen informatie over deze buitengewone omstandigheid en daaropvolgende redelijke maatregelen van de vervoerder heeft ontvangen.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. In deze zaak heeft de vervoerder in het buitengerechtelijke traject aangegeven dat hij bereid was de gevorderde forfaitaire compensatie te betalen, onder de voorwaarde dat de passagier een kopie van haar identiteitsbewijs waarop de pasfoto zichtbaar was zou overleggen. De passagier heeft dit geweigerd, zodat er naar het oordeel van de kantonrechter geen overeenkomst tot betaling van compensatie is overeengekomen. De correspondentie tussen partijen brengt echter wel mee dat er voor de passagier geen reden bestond om aan te nemen dat de vervoerder zich in de gerechtelijke procedure zou verweren met een beroep op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter volgt de passagier dan ook in haar stelling dat zij geen andere keuze had dan tot dagvaarding over te gaan.
4.4.
EUclaim heeft meerdere brieven gestuurd naar de vervoerder. Deze brieven zijn aangepast aan de specifieke situatie. Bovendien wordt in deze brieven gereageerd op het verzoek van de vervoerder om een kopie van het identiteitsbewijs van de passagier mét pasfoto te overleggen. Het gaat dan ook niet om (volledig) gestandaardiseerde brieven. De kantonrechter is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal de vordering of het gevorderde bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 72,60 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagier in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
4.5.
Nu de passagier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven over de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 72,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2021 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter