Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-05-22
ECLI:NL:RBNHO:2024:5211
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10819709 \ CV EXPL 23-7714
Uitspraakdatum: 22 mei 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting
Stichting Pré Wonen
gevestigd te Haarlem
de eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 3 januari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het daarin voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van bepaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 31 januari 2024.
2De verdere beoordeling
Het beding voor de buitengerechtelijke kosten (het incassobeding)
2.1.
De eisende partij stelt in de akte dat artikelen 13.1 en 13.2 niet oneerlijk zijn, omdat artikel 13.2 een lex specialis betreft en een beperking van artikel 13.1. Dit geldt ook voor het boetebeding in artikel 15. De eisende partij stelt dat artikel 13.1 en 15 niet van toepassing zijn op de vordering.
2.3.
De kantonrechter volgt de eisende partij hierin niet. Dat artikel 13.1 en 15 in dit specifieke geval in de praktijk niet zijn toegepast maakt wat is overwogen in het tussenvonnis (r.o. 2.9) niet anders. Zoals overwogen in het tussenvonnis toetst de kantonrechter de bedongen afspraken waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Dat de eisende partij stelt dat de consument niet daadwerkelijk aan die bepalingen wordt gehouden, omdat deze niet van toepassing zijn, is in dit verband niet relevant.
2.4.
De eisende partij voert ook aan dat tussen partijen eerder (op 15 november 2023) een vonnis is gewezen waarin zij de incassokosten heeft gevorderd conform artikel 6:96 BW en het Besluit, en die kosten ook zijn toegewezen. Zij stelt dat niet valt in te zien hoe op dit moment anders over de overeenkomst tussen partijen zou kunnen worden geoordeeld.
2.5.
De kantonrechter licht toe dat in eerdere procedures nog niet (op deze wijze) ambtshalve werd getoetst of sprake was van oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden. De eisende partij kan daar daarom geen rechten aan ontlenen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de kantonrechter blijft bij het oordeel dat artikel 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn voor zover deze betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten en daarom worden deze vernietigd.
2.6.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Huurachterstand
2.7.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 5.479,16 aan achterstallige huurpenningen tot en met november 2023. Dit bedrag aan achterstallige huurpenningen zal worden toegewezen.
Ontbinding, ontruiming en gebruiksvergoeding
2.8.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de gedaagde partij wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Conclusie
2.9.
De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen. Voor het overige blijft de kantonrechter bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
2.10.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 102,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt. De kosten voor het nemen van de akte blijven voor rekening van de eisende partij nu het aan haar te wijten is dat het nodig was om de akte te nemen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 5.479,16 aan achterstallige huurpenningen;
3.4.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 621,61 per maand, voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 30 november 2023 in gebruik houdt;
3.5.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 339,00 wegens salaris gemachtigde;
3.6.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 102,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.7.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte (januari 2018)