Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-04-19
ECLI:NL:RBNHO:2024:4434
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
919 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7059
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de vaststelling van de beslagvrije voet. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft met het besluit van 26 januari 2023 de beslagvrije voet vastgesteld op € 811,00. Op 24 februari 2023 heeft het Uwv een beslissing genomen waarin de beslagvrije voet is gewijzigd naar € 1.160,00. Het Uwv heeft het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Nadat verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend was het tijdelijk niet mogelijk om met verzoeker te corresponderen, aangezien verzoeker door de gemeente Purmerend ambtshalve was uitgeschreven uit de Brp. Na een procedure bij de voorzieningenrechter en bericht van verzoeker dat hij weer in het bezit was van een correspondentie adres, is de correspondentie met verzoeker opnieuw opgestart.
4. De griffier van de rechtbank heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen.
5. In reactie hierop heeft verzoeker per brief van 25 maart 2024 gereageerd en vermeld dat het spoedeisend belang gelegen is in het feit dat sinds november 2023 zijn zorgverleners en in het bijzonder zijn zorgverlener [naam] niet zijn uitbetaald en dat hij niet over leefgeld beschikt.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd. Het standpunt van verzoeker dat zijn zorgverleners ten onrechte niet worden uitbetaald staat bovendien los van de vaststelling van de beslagvrije voet door het Uwv. Nu niet is gebleken van acute financiële nood, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.