Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-13
ECLI:NL:RBNHO:2024:3300
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
8,115 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3700
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mediahuis Regionaal B.V., uit Amsterdam, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder
gemachtigde: mr. C.C.M. Haring, ambtenaar in dienst van de gemeente.
Zitting hebben: mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het verzoek om proceskostenvergoeding van [naam 1] .
1.2
De rechtbank heeft het verzoek op 13 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 2] , Woo-coördinator, eveneens ambtenaar bij de gemeente.
1.3
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder beoordeling door de rechtbank.
Procesverloop
2.1
Bij brief van 18 april 2023 heeft [naam 1] een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) bij verweerder ingediend. Hij stelt het verzoek te doen namens eiseres en het Noordhollands Dagblad. Hij verzoekt om openbaarmaking van documenten van de gemeente met informatie rondom – kortgezegd – de asielopvang in West-Friesland.
2.2
Op 18 mei 2023 heeft verweerder de beslistermijn voor het beslissen op het Woo-verzoek verlengd tot 1 juni 2023.
2.3
[naam 1] heeft verweerder op 19 mei 2023 bericht dat hij zich voor inhoudelijk overleg over het Woo-verzoek kan wenden tot eiseres in de persoon van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en hijzelf dus niet dat overleg voert.
2.4
Op 31 mei 2023 heeft de Woo-coördinator van verweerder contact gehad met [naam 3] . Volgens verweerder is toen overeenstemming bereikt over het afhandelen van het verzoek door middel van deelbesluiten onder toepassing van artikel 4.2a Woo.
2.5
Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft verweerder aan [naam 3] van het Noordhollands Dagblad de afspraken die zij de dag daarvoor volgens verweerder telefonisch hadden gemaakt, schriftelijk bevestigd. Hierbij geeft verweerder aan dat hij het niet redt om het verzoek binnen de termijn geheel af te handelen.
2.6
Op 2 juni 2023 heeft [naam 1] verweerder in gebreke gesteld, omdat volgens hem op dat moment de wettelijke beslistermijn was overschreden. Van (verdere) verdaging van de beslistermijn is volgens [naam 1] geen sprake geweest.
2.7
Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het Woo-verzoek een (eerste deel)besluit genomen.
2.8
Verweerder heeft op 16 juni 2023 op het Woo-verzoek een aanvullend (tweede deel)besluit genomen.
2.9
[naam 1] heeft op 19 juni 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank op grond van het (gesteld) niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek op grond van de Woo van 18 april 2023.
2.10
Verweerder heeft 14 juli 2023 een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
2.11
[naam 1] heeft op 21 juli 2023 bij nadere beroepsgronden op het verweer gereageerd.
2.12
Verweerder heeft zijn besluit op het verzoek nader aangevuld en nog meer documenten openbaar gemaakt, laatstelijk op 11 augustus 2023.
2.13
Op 15 september 2023 heeft [naam 1] het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking heeft hij verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
2.14
Op 20 september 2023 heeft verweerder verzocht om eiseres te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
Beoordeling
3. In artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat na intrekking van een beroep op een verzoek om proceskostenvergoeding kan worden beslist. Dan kan op grond van artikel 8:74 Awb ook beoordeeld worden of het betaalde griffierecht moet worden vergoed. In artikel 8:75a Awb is als vereiste voor inwilliging van het verzoek opgenomen dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Er is voorts geen grond voor een proceskostenvergoeding als het beroep op andere gronden niet succesvol kon zijn, bijvoorbeeld omdat het niet-ontvankelijk was.
Ontvankelijkheid: machtiging?
4.1
[naam 1] stelt gemachtigd te zijn door Mediahuis Regionaal B.V. om namens haar op te treden in het kader van deze Woo-procedure in beroep. De rechtbank heeft onderzocht of hij toereikend is gemachtigd. Daarvoor zijn de volgende feiten van belang.
4.2
[naam 1] heeft in beroep een document overgelegd, gedateerd 20 juni 2023, “Verklaring en volmacht”. In dat document is vermeld dat die verklaring zou zijn gedaan namens “Mediahuis B.V.” en “Mediahuis Regionaal B.V.” en “namens deze” ondertekend door [naam 4] , “Financieel Directeur”, en dat die vennootschappen onder meer [naam 1] machtigen om namens hen op te treden. Bij deze volmacht is gevoegd een uittreksel uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel (KvK-uittreksel) van Mediahuis Regionaal B.V. – waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 1] , en RSIN: [nummer 2] . In dat uittreksel is als (enig) zelfstandig bevoegd bestuurder vermeld “Mediahuis Nederland B.V”. Volgens dat uittreksel is het KvK-nummer van die vennootschap: [nummer 3] .Voorts is een KvK-uittreksel van een andere vennootschap, “Mediahuis NL B.V.” overgelegd, waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 4] en als RSIN [nummer 5] . Als bevoegd bestuurders van die laatstgenoemde vennootschap is niet vermeld [naam 4] , maar zijn vermeld [naam 5] en [naam 6] , elk alleen/zelfstandig bevoegd.
4.3
Op 6 juli 2023 heeft deze rechtbank [naam 1] per brief voorgehouden nog niet over de juiste volmacht(en) en uittreksel(s) te beschikken en dat de rechtbank deze alsnog wenst te ontvangen. De rechtbank heeft hem er daarbij op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen toereikende machtiging wordt overgelegd.
4.4
Op 13 juli 2023 heeft [naam 1] een (nagenoeg gelijkluidende) “Verklaring en volmacht” overgelegd waarin “namens Mediahuis Regionaal B.V./Mediahuis Nederland B.V.” [naam 1] wordt gemachtigd door [naam 5] en [naam 6] om namens haar op te treden in het kader van (deze) Woo-procedure(s).
4.5
Uit de stukken blijkt echter niet dat [naam 5] en/of [naam 6] bevoegd zijn om als (indirect) bestuurder een machtiging aan [naam 1] af te geven namens Mediahuis Regionaal B.V. Uit de overgelegde KvK-uittreksels blijkt immers dat Mediahuis Nederland B.V. de bestuurder is van eiseres, van welke vennootschap geen KvK-uittreksel is overgelegd, en niet Mediahuis NL B.V. waar het ene overgelegde KvK-uittreksel op ziet. Er is geen grond voor de veronderstelling dat Mediahuis Nederland B.V. en Mediahuis NL B.V. dezelfde rechtspersoon zou zijn. De namen verschillen al, maar uit de uittreksels volgt ook dat aan Mediahuis Nederland B.V. een ander KvK-nummer (en RSIN) is toegekend dan aan Mediahuis NL B.V. [naam 1] heeft derhalve, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet een toereikende machtiging overgelegd om eiseres te vertegenwoordigen in beroep. Het beroep is reeds daarom niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid: is wel of niet tijdig beslist?
5. Er is nog een tweede reden waarom het beroep niet-ontvankelijk is. Het Woo-verzoek is ingediend op 18 april 2023. Verweerder heeft per e-mail van 18 mei 2023 de beslistermijn om op het Woo-verzoek te beslissen, verlengd tot 1 juni 2023. Op 2 juni 2023 volgde de ingebrekestelling. Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het verzoek beslist (“eerste deelbesluit”) – en op 16 juni 2023 dat besluit aangevuld (“tweede deelbesluit”). Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan op grond van artikel 6:12, tweede lid, Awb worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is (tijdig) een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. In dit geval heeft verweerder - binnen de ingebrekestellingtermijn van twee weken - een besluit genomen op het Woo-verzoek. Ook al zou het op 2 (en 16) juni 2023 genomen besluit gebrekkig zijn – en volgden immers nog herstelbesluiten (deelbesluiten) -, dat doet niet af aan de constatering dat er reeds was beslist op het Woo-verzoek toen [naam 1] op 19 juni 2023 beroep instelde. Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon toen dus niet meer worden ingesteld en het beroep moest dus, indien dat wel rechtsgeldig door [naam 1] namens eiseres zou zijn ingesteld, ook op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten overvloede
6. Uit de correspondentie tussen partijen volgt dat verweerder met [naam 3] van het Noordhollands Dagblad, nadat [naam 1] verweerder naar hem had verwezen, op 31 mei 2023 heeft afgesproken dat vanwege de omvang van het verzoek deelbesluiten zullen worden genomen. Deze afspraak heeft verweerder aan [naam 3] per e-mail van 1 juni 2023 bevestigd. Die afspraak is weliswaar niet binnen de eerste beslistermijn van vier weken gemaakt, zoals in artikel 4.2a Woo is geregeld, maar met name van een nieuwsmedium als eiseres mag worden verwacht dat het met het bestuursorgaan constructief overleg pleegt over een omvangrijk Woo-verzoek als hier aan de orde en dat zij zich daarin redelijk opstelt en vervolgens uitvoering geeft aan in het kader van dat overleg gemaakte afspraken. Onder die omstandigheden verdient het geen schoonheidsprijs als een externe gemachtigde, kennelijk buiten zijn (gestelde) opdrachtgever om, en in wezen in strijd met afspraken tussen zijn (gestelde) opdrachtgever en verweerder dan toch beroep tegen niet-tijdig beslissen instelt. Dat raakt aan misbruik van procesrecht. Ook om die reden is er geen grond om een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder uit te spreken.
7. Verweerder heeft ook zijnerzijds een verzoek om proceskostenveroordeling gedaan. Aangezien het beroep reeds is ingetrokken, komt de rechtbank aan een beoordeling van dat verzoek niet toe. Artikel 8:75a Awb biedt daarvoor namelijk geen grondslag.
Conclusie
8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk was, wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af. Er is om dezelfde redenen geen grond om verweerder op te dragen het betaalde griffierecht te vergoeden.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024 door mr. R.H.M. Bruin rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Noordhollands Dagblad is een handelsnaam van eiseres en niet zelf een (rechts)persoon.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2024:3300 text/xml public 2026-01-29T10:30:57 2024-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2024-03-13 23/3700 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Haarlem Bestuursrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3683, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:3300 text/html public 2024-04-11T16:01:47 2024-04-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2024:3300 Rechtbank Noord-Holland , 13-03-2024 / 23/3700 Beroep niet-tijdig beslissen Woo-verzoek. Beroep ingetrokken. Verzoek pkv niet toegewezen. Beroep niet-ontvankelijk. Geen toereikende machtiging. Tijdig beslist. Deelbesluiten. Artikel 4.2a Woo. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 23/3700 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mediahuis Regionaal B.V. , uit Amsterdam, eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder gemachtigde: mr. C.C.M. Haring, ambtenaar in dienst van de gemeente. Zitting hebben: mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. Inleiding 1.1 In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het verzoek om proceskostenvergoeding van [naam 1] . 1.2 De rechtbank heeft het verzoek op 13 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 2] , Woo-coördinator, eveneens ambtenaar bij de gemeente. 1.3 Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder beoordeling door de rechtbank. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Beoordeling door de rechtbank Procesverloop, feiten en omstandigheden 2.1 Bij brief van 18 april 2023 heeft [naam 1] een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) bij verweerder ingediend. Hij stelt het verzoek te doen namens eiseres en het Noordhollands Dagblad . Hij verzoekt om openbaarmaking van documenten van de gemeente met informatie rondom – kortgezegd – de asielopvang in West-Friesland. 2.2 Op 18 mei 2023 heeft verweerder de beslistermijn voor het beslissen op het Woo-verzoek verlengd tot 1 juni 2023. 2.3 [naam 1] heeft verweerder op 19 mei 2023 bericht dat hij zich voor inhoudelijk overleg over het Woo-verzoek kan wenden tot eiseres in de persoon van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en hijzelf dus niet dat overleg voert. 2.4 Op 31 mei 2023 heeft de Woo-coördinator van verweerder contact gehad met [naam 3] . Volgens verweerder is toen overeenstemming bereikt over het afhandelen van het verzoek door middel van deelbesluiten onder toepassing van artikel 4.2a Woo. 2.5 Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft verweerder aan [naam 3] van het Noordhollands Dagblad de afspraken die zij de dag daarvoor volgens verweerder telefonisch hadden gemaakt, schriftelijk bevestigd. Hierbij geeft verweerder aan dat hij het niet redt om het verzoek binnen de termijn geheel af te handelen. 2.6 Op 2 juni 2023 heeft [naam 1] verweerder in gebreke gesteld, omdat volgens hem op dat moment de wettelijke beslistermijn was overschreden. Van (verdere) verdaging van de beslistermijn is volgens [naam 1] geen sprake geweest. 2.7 Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het Woo-verzoek een (eerste deel)besluit genomen. 2.8 Verweerder heeft op 16 juni 2023 op het Woo-verzoek een aanvullend (tweede deel)besluit genomen. 2.9 [naam 1] heeft op 19 juni 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank op grond van het (gesteld) niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek op grond van de Woo van 18 april 2023. 2.10 Verweerder heeft 14 juli 2023 een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. 2.11 [naam 1] heeft op 21 juli 2023 bij nadere beroepsgronden op het verweer gereageerd. 2.12 Verweerder heeft zijn besluit op het verzoek nader aangevuld en nog meer documenten openbaar gemaakt, laatstelijk op 11 augustus 2023. 2.13 Op 15 september 2023 heeft [naam 1] het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking heeft hij verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. 2.14 Op 20 september 2023 heeft verweerder verzocht om eiseres te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. Beoordelingskader 3. In artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat na intrekking van een beroep op een verzoek om proceskostenvergoeding kan worden beslist. Dan kan op grond van artikel 8:74 Awb ook beoordeeld worden of het betaalde griffierecht moet worden vergoed. In artikel 8:75a Awb is als vereiste voor inwilliging van het verzoek opgenomen dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Er is voorts geen grond voor een proceskostenvergoeding als het beroep op andere gronden niet succesvol kon zijn, bijvoorbeeld omdat het niet-ontvankelijk was. Ontvankelijkheid: machtiging? 4.1 [naam 1] stelt gemachtigd te zijn door Mediahuis Regionaal B.V. om namens haar op te treden in het kader van deze Woo-procedure in beroep. De rechtbank heeft onderzocht of hij toereikend is gemachtigd. Daarvoor zijn de volgende feiten van belang. 4.2 [naam 1] heeft in beroep een document overgelegd, gedateerd 20 juni 2023, “Verklaring en volmacht”. In dat document is vermeld dat die verklaring zou zijn gedaan namens “Mediahuis B.V.” en “Mediahuis Regionaal B.V.” en “namens deze” ondertekend door [naam 4] , “Financieel Directeur”, en dat die vennootschappen onder meer [naam 1] machtigen om namens hen op te treden. Bij deze volmacht is gevoegd een uittreksel uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel (KvK-uittreksel) van Mediahuis Regionaal B.V. – waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 1] , en RSIN: [nummer 2] . In dat uittreksel is als (enig) zelfstandig bevoegd bestuurder vermeld “Mediahuis Nederland B.V”. Volgens dat uittreksel is het KvK-nummer van die vennootschap: [nummer 3] .Voorts is een KvK-uittreksel van een andere vennootschap, “Mediahuis NL B.V.” overgelegd, waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 4] en als RSIN [nummer 5] . Als bevoegd bestuurders van die laatstgenoemde vennootschap is niet vermeld [naam 4] , maar zijn vermeld [naam 5] en [naam 6] , elk alleen/zelfstandig bevoegd. 4.3 Op 6 juli 2023 heeft deze rechtbank [naam 1] per brief voorgehouden nog niet over de juiste volmacht(en) en uittreksel(s) te beschikken en dat de rechtbank deze alsnog wenst te ontvangen. De rechtbank heeft hem er daarbij op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen toereikende machtiging wordt overgelegd. 4.4 Op 13 juli 2023 heeft [naam 1] een (nagenoeg gelijkluidende) “Verklaring en volmacht” overgelegd waarin “namens Mediahuis Regionaal B.V./Mediahuis Nederland B.V.” [naam 1] wordt gemachtigd door [naam 5] en [naam 6] om namens haar op te treden in het kader van (deze) Woo-procedure(s). 4.5 Uit de stukken blijkt echter niet dat [naam 5] en/of [naam 6] bevoegd zijn om als (indirect) bestuurder een machtiging aan [naam 1] af te geven namens Mediahuis Regionaal B.V. Uit de overgelegde KvK-uittreksels blijkt immers dat Mediahuis Nederland B.V. de bestuurder is van eiseres, van welke vennootschap geen KvK-uittreksel is overgelegd, en niet Mediahuis NL B.V. waar het ene overgelegde KvK-uittreksel op ziet. Er is geen grond voor de veronderstelling dat Mediahuis Nederland B.V. en Mediahuis NL B.V. dezelfde rechtspersoon zou zijn. De namen verschillen al, maar uit de uittreksels volgt ook dat aan Mediahuis Nederland B.V. een ander KvK-nummer (en RSIN) is toegekend dan aan Mediahuis NL B.V. [naam 1] heeft derhalve, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet een toereikende machtiging overgelegd om eiseres te vertegenwoordigen in beroep. Het beroep is reeds daarom niet-ontvankelijk. Ontvankelijkheid: is wel of niet tijdig beslist? 5. Er is nog een tweede reden waarom het beroep niet-ontvankelijk is. Het Woo-verzoek is ingediend op 18 april 2023.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3700
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mediahuis Regionaal B.V., uit Amsterdam, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder
gemachtigde: mr. C.C.M. Haring, ambtenaar in dienst van de gemeente.
Zitting hebben: mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Inleiding
1.1
In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het verzoek om proceskostenvergoeding van [naam 1] .
1.2
De rechtbank heeft het verzoek op 13 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 2] , Woo-coördinator, eveneens ambtenaar bij de gemeente.
1.3
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder beoordeling door de rechtbank.
Procesverloop
2.1
Bij brief van 18 april 2023 heeft [naam 1] een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) bij verweerder ingediend. Hij stelt het verzoek te doen namens eiseres en het Noordhollands Dagblad. Hij verzoekt om openbaarmaking van documenten van de gemeente met informatie rondom – kortgezegd – de asielopvang in West-Friesland.
2.2
Op 18 mei 2023 heeft verweerder de beslistermijn voor het beslissen op het Woo-verzoek verlengd tot 1 juni 2023.
2.3
[naam 1] heeft verweerder op 19 mei 2023 bericht dat hij zich voor inhoudelijk overleg over het Woo-verzoek kan wenden tot eiseres in de persoon van de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en hijzelf dus niet dat overleg voert.
2.4
Op 31 mei 2023 heeft de Woo-coördinator van verweerder contact gehad met [naam 3] . Volgens verweerder is toen overeenstemming bereikt over het afhandelen van het verzoek door middel van deelbesluiten onder toepassing van artikel 4.2a Woo.
2.5
Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft verweerder aan [naam 3] van het Noordhollands Dagblad de afspraken die zij de dag daarvoor volgens verweerder telefonisch hadden gemaakt, schriftelijk bevestigd. Hierbij geeft verweerder aan dat hij het niet redt om het verzoek binnen de termijn geheel af te handelen.
2.6
Op 2 juni 2023 heeft [naam 1] verweerder in gebreke gesteld, omdat volgens hem op dat moment de wettelijke beslistermijn was overschreden. Van (verdere) verdaging van de beslistermijn is volgens [naam 1] geen sprake geweest.
2.7
Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het Woo-verzoek een (eerste deel)besluit genomen.
2.8
Verweerder heeft op 16 juni 2023 op het Woo-verzoek een aanvullend (tweede deel)besluit genomen.
2.9
[naam 1] heeft op 19 juni 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank op grond van het (gesteld) niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek op grond van de Woo van 18 april 2023.
2.10
Verweerder heeft 14 juli 2023 een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
2.11
[naam 1] heeft op 21 juli 2023 bij nadere beroepsgronden op het verweer gereageerd.
2.12
Verweerder heeft zijn besluit op het verzoek nader aangevuld en nog meer documenten openbaar gemaakt, laatstelijk op 11 augustus 2023.
2.13
Op 15 september 2023 heeft [naam 1] het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking heeft hij verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
2.14
Op 20 september 2023 heeft verweerder verzocht om eiseres te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
Beoordeling
3. In artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat na intrekking van een beroep op een verzoek om proceskostenvergoeding kan worden beslist. Dan kan op grond van artikel 8:74 Awb ook beoordeeld worden of het betaalde griffierecht moet worden vergoed. In artikel 8:75a Awb is als vereiste voor inwilliging van het verzoek opgenomen dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Er is voorts geen grond voor een proceskostenvergoeding als het beroep op andere gronden niet succesvol kon zijn, bijvoorbeeld omdat het niet-ontvankelijk was.
Ontvankelijkheid: machtiging?
4.1
[naam 1] stelt gemachtigd te zijn door Mediahuis Regionaal B.V. om namens haar op te treden in het kader van deze Woo-procedure in beroep. De rechtbank heeft onderzocht of hij toereikend is gemachtigd. Daarvoor zijn de volgende feiten van belang.
4.2
[naam 1] heeft in beroep een document overgelegd, gedateerd 20 juni 2023, “Verklaring en volmacht”. In dat document is vermeld dat die verklaring zou zijn gedaan namens “Mediahuis B.V.” en “Mediahuis Regionaal B.V.” en “namens deze” ondertekend door [naam 4] , “Financieel Directeur”, en dat die vennootschappen onder meer [naam 1] machtigen om namens hen op te treden. Bij deze volmacht is gevoegd een uittreksel uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel (KvK-uittreksel) van Mediahuis Regionaal B.V. – waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 1] , en RSIN: [nummer 2] . In dat uittreksel is als (enig) zelfstandig bevoegd bestuurder vermeld “Mediahuis Nederland B.V”. Volgens dat uittreksel is het KvK-nummer van die vennootschap: [nummer 3] .Voorts is een KvK-uittreksel van een andere vennootschap, “Mediahuis NL B.V.” overgelegd, waarin als KvK-nummer is vermeld: [nummer 4] en als RSIN [nummer 5] . Als bevoegd bestuurders van die laatstgenoemde vennootschap is niet vermeld [naam 4] , maar zijn vermeld [naam 5] en [naam 6] , elk alleen/zelfstandig bevoegd.
4.3
Op 6 juli 2023 heeft deze rechtbank [naam 1] per brief voorgehouden nog niet over de juiste volmacht(en) en uittreksel(s) te beschikken en dat de rechtbank deze alsnog wenst te ontvangen. De rechtbank heeft hem er daarbij op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen toereikende machtiging wordt overgelegd.
4.4
Op 13 juli 2023 heeft [naam 1] een (nagenoeg gelijkluidende) “Verklaring en volmacht” overgelegd waarin “namens Mediahuis Regionaal B.V./Mediahuis Nederland B.V.” [naam 1] wordt gemachtigd door [naam 5] en [naam 6] om namens haar op te treden in het kader van (deze) Woo-procedure(s).
4.5
Uit de stukken blijkt echter niet dat [naam 5] en/of [naam 6] bevoegd zijn om als (indirect) bestuurder een machtiging aan [naam 1] af te geven namens Mediahuis Regionaal B.V. Uit de overgelegde KvK-uittreksels blijkt immers dat Mediahuis Nederland B.V. de bestuurder is van eiseres, van welke vennootschap geen KvK-uittreksel is overgelegd, en niet Mediahuis NL B.V. waar het ene overgelegde KvK-uittreksel op ziet. Er is geen grond voor de veronderstelling dat Mediahuis Nederland B.V. en Mediahuis NL B.V. dezelfde rechtspersoon zou zijn. De namen verschillen al, maar uit de uittreksels volgt ook dat aan Mediahuis Nederland B.V. een ander KvK-nummer (en RSIN) is toegekend dan aan Mediahuis NL B.V. [naam 1] heeft derhalve, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet een toereikende machtiging overgelegd om eiseres te vertegenwoordigen in beroep. Het beroep is reeds daarom niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid: is wel of niet tijdig beslist?
5. Er is nog een tweede reden waarom het beroep niet-ontvankelijk is. Het Woo-verzoek is ingediend op 18 april 2023. Verweerder heeft per e-mail van 18 mei 2023 de beslistermijn om op het Woo-verzoek te beslissen, verlengd tot 1 juni 2023. Op 2 juni 2023 volgde de ingebrekestelling. Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het verzoek beslist (“eerste deelbesluit”) – en op 16 juni 2023 dat besluit aangevuld (“tweede deelbesluit”). Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan op grond van artikel 6:12, tweede lid, Awb worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is (tijdig) een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. In dit geval heeft verweerder - binnen de ingebrekestellingtermijn van twee weken - een besluit genomen op het Woo-verzoek. Ook al zou het op 2 (en 16) juni 2023 genomen besluit gebrekkig zijn – en volgden immers nog herstelbesluiten (deelbesluiten) -, dat doet niet af aan de constatering dat er reeds was beslist op het Woo-verzoek toen [naam 1] op 19 juni 2023 beroep instelde. Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen kon toen dus niet meer worden ingesteld en het beroep moest dus, indien dat wel rechtsgeldig door [naam 1] namens eiseres zou zijn ingesteld, ook op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten overvloede
6. Uit de correspondentie tussen partijen volgt dat verweerder met [naam 3] van het Noordhollands Dagblad, nadat [naam 1] verweerder naar hem had verwezen, op 31 mei 2023 heeft afgesproken dat vanwege de omvang van het verzoek deelbesluiten zullen worden genomen. Deze afspraak heeft verweerder aan [naam 3] per e-mail van 1 juni 2023 bevestigd. Die afspraak is weliswaar niet binnen de eerste beslistermijn van vier weken gemaakt, zoals in artikel 4.2a Woo is geregeld, maar met name van een nieuwsmedium als eiseres mag worden verwacht dat het met het bestuursorgaan constructief overleg pleegt over een omvangrijk Woo-verzoek als hier aan de orde en dat zij zich daarin redelijk opstelt en vervolgens uitvoering geeft aan in het kader van dat overleg gemaakte afspraken. Onder die omstandigheden verdient het geen schoonheidsprijs als een externe gemachtigde, kennelijk buiten zijn (gestelde) opdrachtgever om, en in wezen in strijd met afspraken tussen zijn (gestelde) opdrachtgever en verweerder dan toch beroep tegen niet-tijdig beslissen instelt. Dat raakt aan misbruik van procesrecht. Ook om die reden is er geen grond om een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder uit te spreken.
7. Verweerder heeft ook zijnerzijds een verzoek om proceskostenveroordeling gedaan. Aangezien het beroep reeds is ingetrokken, komt de rechtbank aan een beoordeling van dat verzoek niet toe. Artikel 8:75a Awb biedt daarvoor namelijk geen grondslag.
Conclusie
8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk was, wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af. Er is om dezelfde redenen geen grond om verweerder op te dragen het betaalde griffierecht te vergoeden.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024 door mr. R.H.M. Bruin rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Noordhollands Dagblad is een handelsnaam van eiseres en niet zelf een (rechts)persoon.