Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-03-27
ECLI:NL:RBNHO:2024:3149
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
958 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10812579 / CV EXPL 23-7635
Uitspraakdatum: 27 maart 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
Stichting Ymere
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
te [plaats], gemeente [gemeente]
de gedaagde partijen
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 17 januari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de
kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van bepaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. De eisende partij heeft afgezien van het nemen van een akte.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.
2.2.
Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter de artikelen 11.1 en 11.3 van de algemene voorwaarden voor zover deze betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.3.
De eisende partij vordert hoofdelijke veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 8.090,49 aan achterstallige huurpenningen tot en met november 2023. De gedaagde partij heeft deelbetalingen gedaan van in totaal € 7.469,90. Nu de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, strekken deze deelbetalingen, anders dan de eisende partij vordert conform het overzicht bij de dagvaarding, alleen in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 620,59 aan achterstallige huurpenningen zal worden toegewezen. De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen zoals gevorderd.
Conclusie
2.4.
De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen.
2.5.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 67,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij, hoofdelijk, om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 620,59 aan achterstallige huurpenningen (tot en met november 2023), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij, hoofdelijk, in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 131,82 wegens dagvaardingskosten,
€ 365,00 wegens griffierecht en
€ 135,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij, hoofdelijk, tot betaling van € 67,50 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter