Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-13
ECLI:NL:RBNHO:2024:1732
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,571 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/1565
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser 1,
en
[eiser 2] en [eiser 3] , eisers 2, uit [plaats] , gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. R.M. Königel-de Pijper),
en
het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik, verweerder
(gemachtigde: mr. K. van der Wal),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: AGM Vastgoed B.V. uit Alphen aan den Rijn, vergunninghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning voor het verbouwen en wijzigen van de bestemming van een café/restaurant aan de [adres 1] in [plaats] in zeven appartementen.
1.1
Verweerder heeft deze vergunning met het besluit van 17 juni 2021 verleend.
1.2
Met het besluit van 15 februari 2022 op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven. Hier hebben eisers beroep tegen ingesteld.
1.3
Op 14 juli 2022 heeft verweerder het besluit van 15 februari 2022 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar van eisers beslist en dat (weer) ongegrond verklaard.
1.4
Eisers hebben op 5 augustus 2022 aangegeven dat zij zich niet kunnen vinden in het nieuwe besluit en het beroep gehandhaafd.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van verweerder en namens vergunninghouder waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig.
Wettelijk kader
2.1
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
2.2
De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het besluit
4.1
Op 22 januari 2021 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het verbouwen en wijzigingen van de bestemming van café/restaurant tot zeven appartementen op het perceel [adres 1] in [plaats] (het perceel).
4.2
Op het perceel is het bestemmingsplan “Dorpskern I” (het bestemmingsplan) van toepassing met de bestemming ‘Horeca’, de aanduiding ‘Bedrijfswoningen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’. Daarnaast is op het perceel het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Medemblik” (Parapluplan Parkeren) van toepassing.
4.3
Eiser 1 woont op het adres [adres 2] dat direct tegenover het perceel ligt. Eisers 2 wonen op het adres [adres 3] . In het bedrijfsgebouw bij [adres 3] en in de loods op [adres 4] exploiteren zij een timmer- en aannemersbedrijf.
4.4
Op 17 juni 2021 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken’ van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Hier hebben eisers bezwaar tegen gemaakt.
4.5
De adviescommissie bezwaarschriften (commissie) overweegt in het advies van 18 november 2021 dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 12.1 van het bestemmingsplan omdat de geldende bestemming ‘Horeca’ is. In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening bij een afwijkingsvergunning voldoet de aanvraag vervolgens niet aan artikel 4.1 van het Parapluplan Parkeren omdat verweerder niet heeft voorzien in blijvend voldoende parkeerplaatsen. Verweerder wilde dit gebrek ondervangen door een voorschrift op te nemen in de vergunning over de beschikbaarheid van het door vergunninghouder gehuurde parkeerterrein bij [adres 5] . Omdat een huurovereenkomst echter onvoldoende waarborgen biedt, heeft verweerder ook met het voorschrift niet voldaan aan artikel 4.1 van het Parapluplan Parkeren. De commissie adviseert verweerder daarom om het bezwaar gegrond te verklaren.
4.6
Verweerder heeft vervolgens in het besluit van 15 februari 2022 in afwijking van het advies van de commissie het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
4.7
In het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 15 februari 2022 ingetrokken en de bezwaren van eisers opnieuw ongegrond verklaard.
Beoordeling
5.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5.2.
Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Strijd met de goede procesorde?
6.1
Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen verweerschrift in het procesdossier zat. Naar aanleiding hiervan gaf verweerder aan dat er wel een verweerschrift was opgemaakt en hij in de veronderstelling was dat deze aan het dossier was toegevoegd. Ter zitting heeft verweerder het verweerschrift met bijlagen overgelegd. Ook heeft verweerder het verweer mondeling toegelicht. Omdat de bijbehorende bijlagen voor het eerst ter zitting zijn overgelegd, hebben eisers een beroep gedaan op de goede procesorde en de rechtbank gevraagd deze stukken niet bij haar oordeel te betrekken.
6.2.
De rechtbank neemt de bijlagen bij het ter zitting toegelichte verweer niet mee in haar beoordeling vanwege strijd met de goede procesorde. Omdat die stukken pas ter zitting door verweerder zijn ingebracht, hebben de andere partijen zich hierop niet adequaat kunnen voorbereiden. Gelet op de overwegingen in het vervolg van deze uitspraak is ervoor gekozen om het onderzoek niet te heropenen.
Benodigde parkeerplaatsen voldoende gewaarborgd?
7.1.
Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende heeft gewaarborgd dat blijvend in voldoende parkeerplaatsen is voorzien. Ten eerste is het plan om te parkeren op het parkeerterrein van [adres 5] (parkeerterrein) in strijd is met het bestemmingplan. Het parkeerterrein heeft de bestemming ‘Bedrijf’. Op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan mag het parkeerterrein op deze bestemming alleen worden gebruikt voor een bedrijf en niet voor woningen. Ten tweede is het plan ook strijdig met paragraaf 4.6 van de Nota Parkeernormen Gemeente Medemblik 2021 (Parkeernota). De parkeerplaatsen liggen in het buitengebied en moeten daarom op eigen terrein worden aangelegd. Voor het bouwplan worden echter parkeerplaatsen in de openbare ruimte gehuurd. Ten derde is het parkeerterrein slechts gehuurd voor een periode van vijf jaar, waardoor niet is gewaarborgd dat de parkeerplaatsen blijvend beschikbaar zijn. Tot slot is de parkeerbehoefte onjuist berekend. In de Parkeernota wordt de parkeernorm gedifferentieerd naar huur een koop en naar de prijsklasse goedkoop, midden en duur. Onduidelijk is onder welke categorie de geplande appartementen vallen en of de juiste parkeernorm is toegepast. Verweerder moet uitgaan van de maximale planologische mogelijkheid van een bouwplan, waarbij dus de parkeernorm voor de prijsklasse “duur” geldt. Afgerond zijn dan 15 en 13 parkeerplaatsen nodig en niet 10, zoals verweerder stelt.
7.2.
Verweerder heeft over het eerste punt van eisers ter zitting gesteld dat het strijdig gebruik van het parkeerterrein kan worden opgeheven met een omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo. In artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat ‘het gebruiken van bouwwerken en van bij die bouwwerken aansluitend terrein’ daarvoor in aanmerking komt. In het artikelonderdeel is expliciet tot uitdrukking gebracht dat ook het aansluitend terrein onder de reikwijdte valt.
Verweerder heeft ter zitting over het tweede punt van eisers gesteld dat het plan niet in strijd is met paragraaf 4.6 van de Parkeernota. Weliswaar is niet in geschil dat het perceel in het buitengebied (‘gelegen buiten de bebouwde kom’) ligt, maar omdat het een dorpskern betreft (‘bestaand bebouwd gebied’), zijn er openbare parkeerplaatsen in de buurt en is er geen sprake van gevaarlijke situaties. Het plan is verder ook niet in strijd met paragraaf 4.8 van de Parkeernota. Voor woningbouw is een uitzondering gemaakt waardoor parkeren niet binnen de grenzen van het eigen terrein opgelost moet worden.
Verder betwist verweerder niet (langer) dat de huurovereenkomst van het parkeerterrein met onvoldoende waarborgen is omkleed. Om dit te ondervangen heeft verweerder het parkeervoorschrift in de omgevingsvergunning gewijzigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022 concludeert verweerder dat op deze manier het gebruik van de parkeerplaatsen wel voldoende is gewaarborgd. Tot slot stelt verweerder dat de parkeerbehoefte van tien parkeerplaatsen juist is berekend.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van eisers. Verweerder heeft onvoldoende gewaarborgd dat blijvend voldoende parkeerplekken beschikbaar zijn om in de parkeerbehoefte te voorzien.
7.3.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk geworden dat de te realiseren huurappartementen in de categorie goedkoop/midden vallen en dat de Buurt op grond van de Parkeernota in het buitengebied ligt. Volgens Bijlage II bij de Parkeernota geldt voor de categorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ in het buitengebied een parkeernorm van 1,4 per eenheid (appartement). Voor zeven eenheden geldt dus een parkeerbehoefte van 9,8, afgerond 10, parkeerplaatsen. Verweerder heeft de berekening van de parkeerbehoefte juist uitgevoerd.
7.3.2.
Over de geldende bestemming van het parkeerterrein overweegt de rechtbank het volgende. Op het parkeerterrein geldt de bestemming ‘Bedrijf”. In artikel 5.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijfsgebouwen, met daaraan ondergeschikt ‘wegen en paden’ (onder e) en met de daarbij behorende ‘parkeervoorzieningen’ (onder i). Verweerder betwist niet dat het gebruik van het parkeerterrein op het naburige perceel voor woningen in strijd is met het bestemmingplan. Het standpunt van verweerder dat deze strijdigheid met gebruik van de zogenoemde kruimelgevallenregeling wordt opgeheven, is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. In het bestreden besluit is immers niet opgenomen dat van artikel 5.1 van de planregels wordt afgeweken met toepassing van de kruimelregeling. Daarnaast geldt dat het onderdeel ‘en van de bij die bouwwerken aansluitend terrein' van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor ziet op een aansluitend terrein bij een bij de bestemming horend bouwwerk. Gebruik van het parkeerterrein als aansluitend terrein voor woningen is met dit artikelonderdeel uitsluitend mogelijk indien het bouwwerk op de bestemming, de bedrijfsloods, zou worden gewijzigd in ‘Wonen’. Daar is geen sprake van. De voorliggende omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van het perceel van ‘Horeca’ naar ‘Wonen’ maakt dit niet anders omdat het parkeerterrein niet onderdeel is van het perceel. Ook deze beroepsgrond slaagt.
7.3.3.
Vast staat dat de huurovereenkomst voor het parkeerterrein naar de aard en inhoud onvoldoende waarborg is voor de blijvende beschikbaarheid van de parkeerplaatsen. De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn stelling dat het door hem gewijzigde voorschrift over het parkeerterrein wel voldoende waarborg biedt. Vergunninghouder kan het voorschrift namelijk alleen naleven als de eigenaar van het parkeerterrein daaraan medewerking verleent en de grond blijft verhuren aan vergunninghouder of aan vergunninghouder verkoopt. De eigenaar kan daar echter niet toe gedwongen worden. Daarbij komt dat de eigenaar van het parkeerterrein heeft aangegeven niet de grond te willen verkopen of een huurovereenkomst van onbepaalde tijd aan te willen gaan.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen (een zogenoemde bestuurlijke lus) of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. De rechtbank ziet tot slot aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor een bedrag van € 1750,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in het door eisers betaalde griffierecht van € 184,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar van 15 februari 2022;
draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers van € 1750,-;
veroordeelt verweerder in het griffierecht van eisers van € 184,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, […].
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
2˚. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, […].
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II:
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
Bestemmingsplan Dorpskern I
Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving:
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de:
1. milieucategorieën 1 en 2;
2. milieucategorieën 1, 2 en 3.1 ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’;
3. milieucategorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’;
4. een transportbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf';
met uitzondering van:
1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
2. risicovolle inrichtingen;
al dan niet in combinatie met:
1. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
2. een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’;
3. een kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
4. opslag en uitstalling, met dien verstande dat opslag niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag uitgesloten';
5. detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, grootschalige detailhandel en/of supermarkten, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
6. detailhandel in meubelen en woninginrichtingsartikelen, ter plaatse van de aanduiding "detailhandel perifeer";
nutsvoorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';
met daaraan ondergeschikt:
kleinschalige duurzame energiewinning;
nutsvoorzieningen;
wegen en paden;
water;
met de daarbij behorende:
bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, waarbij bij bedrijfswoningen die gebouwd zijn in de vorm van een stolp, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - stolp", wordt gestreefd naar het behoud en het herstel van de bestaande hoofdvormen van de stolpen;
andere bouwwerken;
parkeervoorzieningen;
tuinen, erven en verhardingen;
groenvoorzieningen;
alsmede voor:
de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ aangegeven bebouwing en zoals geregeld in lid 34.3.
Artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving:
De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van:
1. horecabedrijven van categorie 1;
2. horecabedrijven van categorie 2;
met daaraan ondergeschikt:
kleinschalige duurzame energiewinning;
nutsvoorzieningen;
wegen en paden;
water;
met de daarbij behorende:
bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten;
terrassen;
parkeervoorzieningen;
tuinen, erven en verhardingen;
groenvoorzieningen;
andere bouwwerken.
alsmede voor:
de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ aangegeven bebouwing en zoals geregeld in lid 34.3.
Parapluplan Parkeren
Artikel 4.1 Voldoende parkeergelegenheid:
1. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden – al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
2. Bij een omgevingsvergunning dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormen van 6 maart 2014, dan wel een opvolger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
3. Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
Nota Parkeernormen gemeente Medemblik 2021
4.6
Buitengebied:
In het gebied buiten de bebouwde kom dienen de parkeerplaatsen allemaal op eigen terrein te worden aangelegd.