Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-11-20
ECLI:NL:RBNHO:2024:14283
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,992 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/358569 / KG ZA 24-646
Vonnis in kort geding van 20 december 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. C.J. Avis te Hoofddorp,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Tromp te Hoorn.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen;
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
de bijlagen van de advocaat van de vader van 12 december 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 30 december 2024. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
Tevens was als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.3.
[de minderjarige] heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt.
Feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van het minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2018 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, bij de vader verblijft.
2.3.
Bij beschikking van 3 maart 2022 van deze rechtbank zijn de ouders met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] belast. Voorts is bepaald dat [de minderjarige] -na een opbouwregeling- wederom een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft. Tijdens de zomervakantie verblijft [de minderjarige] in totaal drie weken bij de vader, waarvan twee aaneengesloten weken en één losse week.
Geschil
3.1.
De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. de moeder veroordeelt de zorgregeling (voor de niet-vakantieweken) uit de beschikking van 3 maart 2022 na te komen, te weten [de minderjarige] verblijft bij zijn vader om de week van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur, alsmede, kort gezegd, de vakantieregeling vastgesteld in de beschikking van 25 april 2018, met uitzondering van de zomervakantie, die in de beschikking van 2022 is aangepast;
II. het voorgaande op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat de moeder zich niet houdt aan het in deze te wijzen vonnis met een maximum van € 10.000;
III. de moeder veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
De vader legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.
ln de praktijk ziet de vader [de minderjarige] nu om de week op zaterdag gedurende acht uren. De moeder brengt [de minderjarige] op zaterdag om 13.00 uur naar de vader toe en de vader brengt [de minderjarige] om 21.00 uur bij de moeder terug. Hier was wel hulpverlening voor nodig, omdat de moeder [de minderjarige] maanden bij de vader heeft weggehouden. [de minderjarige] is op zaterdag 12 oktober 2024 nog bij de vader geweest.
Daarna zou [de minderjarige] met de vader de as van zijn opa uitstrooien, maar werd [de minderjarige] tot groot verdriet van de vader ziekgemeld door de moeder. Op de vraag van de vader of [de minderjarige] dan de zondag aansluitend zou mogen komen, kwam geen reactie. Ook in de herfstvakantie is [de minderjarige] niet bij de vader geweest, terwijl [de minderjarige] de helft van die vakantie bij de vader zou doorbrengen.
3.3.
De moeder heeft daartegen als verweer gevoerd dat zij de vader altijd heeft willen betrekken bij de opvoeding van [de minderjarige] , maar dat de vader het in eerste levensjaren van [de minderjarige] heeft laten afweten. Pas toen [de minderjarige] acht jaar oud was wilde hij zijn rol als ouder oppakken, waarbij de vader eisen stelde en gerechtelijke procedures voerde. Sinds 2018 zijn de ouders in discussie over welke omgangsregeling het beste bij [de minderjarige] past. Sinds de beschikking van 3 maart 2022 gaat [de minderjarige] om de week op zaterdag van 13.00 uur tot 21.00 uur naar de vader. [de minderjarige] heeft autisme en volgt speciaal onderwijs. [de minderjarige] is snel overprikkeld en gaat wekelijks naar een orthopedagoog. De omgangsregeling verliep redelijk goed, totdat de vader onderhavige procedure heeft gestart. [de minderjarige] heeft hier zo veel stress van gekregen dat hij is uitgevallen op school en niet meer naar de vader wil.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Sinds de beschikking van 3 maart 2022 gaat [de minderjarige] om de week op zaterdag van 13.00 uur tot 21.00 uur en een week in de zomervakantie naar de vader. Partijen hebben nooit uitvoering gegeven aan de vastgestelde weekendregeling.
4.2.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat [de minderjarige] weer naar de vader zal gaan:
op 23 december 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] naar de vader brengt en [de minderjarige] met de vader gaat karten;
op tweede kerstdag 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur;
op oudejaarsdag 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur;
daarna om de week op zaterdag van 13.00 uur tot 21.00 uur.
De voorzieningenrechter zal aldus beslissen. De voorzieningenrechter ziet het als een positieve ontwikkeling, die in het belang is van [de minderjarige] , dat de ouders overeenstemming hebben kunnen bereiken over het hervatten van de zorgregeling. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de reguliere regeling weer aanvangt op 11 januari 2025, tenzij de ouders in onderling overleg een andere ingangsdatum kiezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden, zodat die vordering wordt afgewezen.
4.3.
[de minderjarige] heeft in de brief aan de kinderrechter aangegeven dat het hem niet lukt om een heel weekend bij de vader te slapen, maar dat hij het wel redt om op zaterdag en een week in de zomervakantie naar de vader te gaan en dat dit goed voor hem werkt. [de minderjarige] wordt ziek van het gedoe en wil dat het stopt. [de minderjarige] meent dat hij oud genoeg is om zelf te bepalen hoe lang hij naar de vader gaat en dat hij wil dat de vader naar hem luistert.
4.4.
De vader vraagt nakoming van een zorgregeling waaraan nooit uitoefening is gegeven. De vader heeft daarover toegelicht dat hij het betreurt dat de weekendregeling nooit vorm heeft gekregen, maar het erbij gelaten heeft omdat hij bang was dat de omgang anders helemaal zou stoppen. De vader vond het dan ook een dilemma of hij onderhavige procedure zou starten: de vader was bang dat er geen beweging zou komen als hij het niet zou doen, maar ook bang dat [de minderjarige] verder van hem zou verwijderen als hij het wel zou doen. De vader ziet dat [de minderjarige] het leuk bij hem heeft en afgelopen zomervakantie was heel geslaagd. De vader spreekt van ouderverstoting. De vader wordt niet betrokken bij de school van [de minderjarige] en wist ook niet dat [de minderjarige] met een orthopedagoog praat. Er is al jaren strijd tussen de ouders en veel hulpverlening betrokken geweest. De moeder grijpt elke keer iets aan om de omgang te stoppen terwijl [de minderjarige] autisme heeft en veel duidelijkheid nodig heeft.
4.5.
De moeder heeft toegelicht dat ze het liefst zou willen dat [de minderjarige] om de week naar de vader gaat en het leuk bij hem heeft. Totdat onderhavige procedure werd gestart verliep de regeling prima. De moeder hield [de minderjarige] alleen af en toe thuis wanneer hij overprikkeld was. Stress leidt bij [de minderjarige] tot lichamelijke klachten en schooluitval. Het is spijtig dat [de minderjarige] niet bij het uitstrooien van de as van zijn overleden grootvader was, maar [de minderjarige] was daadwerkelijk ziek. Inmiddels is op de school van [de minderjarige] een MDO georganiseerd. Hier zijn afspraken gemaakt over re-integratie van [de minderjarige] en [de minderjarige] gaat een ander vakkenpakket volgen. Er wordt gekeken hoe school weer leuk voor [de minderjarige] kan worden. [de minderjarige] is gemotiveerd om zijn Havodiploma te halen. [de minderjarige] wil dat de vader hem accepteert met zijn autisme. [de minderjarige] voelt zich niet gehoord en gezien door de vader en voelt zich door hem afgewezen.
4.6.
De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat het ingewikkeld is voor [de minderjarige] dat de ouders een andere zienswijze hebben. Door de stress die de ouders veroorzaken wordt het lastig voor [de minderjarige] om naar de vader (en familie van vaderskant) te gaan en dat is schadelijk. Kinderen met autisme zijn vaak erg gevoelig en kunnen niet goed met die gevoelens omgaan. De ouders hebben daarbij hulp in de vorm van psycho-educatie nodig en daarbij moet de vader ook betrokken worden. De Raad adviseert daarom om de vader te betrekken bij het traject bij de orthopedagoog. Daarnaast adviseert de Raad om een bijzondere curator te benoemen voor [de minderjarige] zodat er iemand naast hem komt te staan. De bijzondere curator dient aan de Raad terug te koppelen en dan zal de Raad beslissen of een beschermingsonderzoek nodig is en of daar spoed bij is.
4.7.
De voorzieningenrechter heeft de indruk dat het de vader er niet om te doen is om een weekendregeling af te dwingen, maar dat het voeren van onderhavige procedure voor de vader als enige optie voelt om het contact met [de minderjarige] te herstellen, omdat het de ouders niet lukt om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. [de minderjarige] voelt zich niet gehoord door de vader maar uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt ook naar voren dat [de minderjarige] niet wil praten over lastige dingen. Voor de vader is het daarom lastig om een gesprek aan te gaan zonder dat [de minderjarige] overprikkeld raakt en het contact uit de weg gaat. Het is daarom van groot belang dat beide ouders psycho-educatie krijgen. De moeder wordt daarom met klem verzocht de vader te betrekken bij het traject bij de orthopedagoog. Naast kindeigen-problematiek is in deze zaak ook sprake van scheidingsproblematiek. Voor kinderen met autisme is het lastig om met gevoelens om te gaan, zodat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om -zoals de Raad adviseert- een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen die naast hem kan staan. De bijzondere curator wordt verzocht te onderzoeken hoe [de minderjarige] zich meer gehoord en gezien kan voelen door de ouders en op welke wijze de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] gemakkelijker voor [de minderjarige] wordt. De voorzieningenrechter acht het van belang dat de bijzondere curator gesprekken met de ouders en [de minderjarige] zal hebben op de wijze die zij aangewezen acht. Voorts wordt aan de bijzondere curator verzocht al datgene te doen wat het belang van [de minderjarige] dient, waarbij het haar vrijstaat op eigen initiatief gesprekken met derden te voeren, indien zij inschat dat deze derden ter zake relevante informatie kunnen verschaffen. De ouders zijn verplicht hun medewerking aan de bijzondere curator te verlenen. Bij de rechtbank loopt geen bodemprocedure, zodat de bijzondere curator wordt verzocht haar bevindingen re rapporteren aan de Raad. De Raad zal daarop beslissen of een beschermingsonderzoek voor [de minderjarige] nodig is en of, en zo ja, in hoeverre, daar spoed bij is.
4.8.
Ter zitting is met de ouders besproken om [bijzondere curator] als bijzondere curator te benoemen, maar uit navraag is gebleken dat zij op dit moment geen capaciteit heeft om de zaak op te pakken. Omdat de voorzieningenrechter het van belang acht dat snel doorgepakt kan worden voor [de minderjarige] , heeft de rechtbank [bijzondere curator] , kantoorhoudende te [plaats] , bereid gevonden om deze zaak als bijzondere curator op te treden.
4.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt de moeder de omgangsregeling na te komen waarbij [de minderjarige] bij de vader verblijft:
op 23 december 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] naar de vader brengt en [de minderjarige] met de vader gaat karten;
op tweede kerstdag 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur;
op oudejaarsdag 2024 van 13.00 uur tot 21.00 uur;
daarna, te beginnen op 11 januari 2025, om de week op zaterdag van 13.00 uur tot 21.00 uur.
5.2.
benoemt tot bijzondere curator over [de minderjarige] :
[bijzondere curator]
[adres]
5.3.
verzoekt de bijzondere curator onderzoek te doen en de Raad voor de Kinderbescherming te informeren over de vraag hoe [de minderjarige] zich meer gehoord en gezien kan voelen door de ouders en op welke wijze de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] makkelijker voor [de minderjarige] wordt, door indiening van een schriftelijk verslag uiterlijk op 14 februari 2025;
5.4.
bepaalt dat aan de bijzondere curator in dit kader de stukken betreffende dit kort geding worden verstrekt;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.E.J. van Schie op 20 december 2024.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.