Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-10-25
ECLI:NL:RBNHO:2024:14282
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,362 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/355776 / FA RK 24-4158
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 25 oktober 2024
in de zaak van:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.P. Hoyng, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. Riezebos, kantoorhoudende te Heerhugowaard.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2024;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 8 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. P.P. Hoyng en de man door
mr. F. Riezebos.
1.3.
Na de behandeling ter zitting zijn op verzoek van de rechtbank de volgende stukken overlegd door de advocaten van partijen:- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 16 oktober 2024;
- het f-formulier, met bijlage, van de advocaat van de man van 18 oktober 2024.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaats] met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
Beoordeling
toevertrouwing minderjarige
3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd.
3.2.
Nu de man tegen de verzochte voorlopige voorziening met betrekking tot de toevertrouwing van de minderjarige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek in zoverre worden toegewezen, aangezien dit de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. Daarbij acht de rechtbank de voorzienging niet strijdig met de belangen van [de minderjarige] .
echtelijke woning
3.3.
De vrouw heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres] , inclusief de aanwezige inboedel, met bevel dat de man deze woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, met machtiging aan de vrouw de beschikking in zoverre nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.4.
De man refereert zich aan het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, met daarbij de bepaling dat de vrouw de gebruikslasten zal moeten voldoen. De man zal bijdragen in zijn aandeel van de hypotheekrente en aflossing. Vanaf het moment dat de man zelfstandige woonruimte heeft, zal de vrouw een vergoeding voor zijn aandeel in het gebruik van de woning dienen te betalen ter hoogte van de helft van de hypotheekrente en aflossing.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de man tegen de verzochte voorlopige voorziening met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek in zoverre worden toegewezen, aangezien dit de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt.
3.6.
Doordat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning, is het redelijk dat beide partijen hun eigen deel van de eigenaarslasten voldoen. Daarnaast acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw de volledige gebruikslasten zal voldoen, omdat zij met uitsluiting van de man de echtelijke woning voorlopig blijft gebruiken. Hetgeen de man verder heeft verzocht, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Partijen dienen daar zelf afspraken over te maken of het zal aan de orde gesteld moeten worden in de bodemprocedure.
3.7.
Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de beschikking ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning ten uitvoer kan worden gelegd met behulp van de sterke arm van politie en justitie, zal worden afgewezen. Uit artikel 822 lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het bevel dat de man de echtelijke woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, zelf de titel verschaft om tot ontruiming van de echtelijke woning met behulp van de sterke arm over te gaan.
zorgregeling
3.8.
De vrouw heeft verzocht om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen tussen [de minderjarige] en de man waarbij [de minderjarige] iedere zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur, in het bijzijn van de vader of de zus van de man dan wel in het bijzijn van de vrouw, bij de man verblijft.
3.9.
De vrouw heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de man al langere tijd kampt met een cocaïne- en gokverslaving en daardoor een omgekeerd dag- en nachtritme heeft. De man ziet de ernst van zijn verslavingen niet in en weigert om hier professionele hulp voor te gaan zoeken. Uitbreiding van de omgang behoort in de toekomst tot de mogelijkheden, maar daarvoor is het van belang dat de man professionele hulp gaat zoeken voor zijn verslavingen. De vrouw acht een meer uitgebreide zorgregeling op dit moment nog niet in het belang van [de minderjarige] .
3.10.
Door en namens de vrouw is ter zitting aangegeven dat de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de man momenteel goed verlopen en dat hij inmiddels één keer alleen met [de minderjarige] is geweest. Dat ging goed, waardoor begeleiding op dit moment overdag niet nodig is. De vrouw blijft het echter lastig vinden dat de man geen behandeling ondergaat en zij daardoor niet de garantie en het vertrouwen heeft dat het goed blijft gaan. Een overnachting van [de minderjarige] bij de man zou mogelijk zijn als zijn zus en zwager ook aanwezig zijn. De vrouw wil niet dat [de minderjarige] bij de man gaat overnachten wanneer hij gaat samenwonen met een door hem genoemde vriend, omdat die vriend ook verslavingsproblematiek heeft. De vrouw wil [de minderjarige] continuïteit en veiligheid bieden.
3.11.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft bij zelfstandig verzoek verzocht een zorgregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en hem, waarbij wordt bepaald dat [de minderjarige] één weekend in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem verblijft, alsmede iedere woensdag uit school tot donderdagochtend naar school, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
3.12.
De man heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het feitencomplex dat de vrouw schetst niet juist is. De vrouw was tot zeer recent niet op de hoogte van de verslavingsproblematiek van de man, omdat hij dit zelf in juni 2024 aan haar heeft medegedeeld. Dit was ook het moment waarop de man zelf tot inzicht kwam dat zijn verslavingsproblematiek een probleem begon te worden, waardoor hij zich heeft gewend tot hulpverlening. De man is tijdelijk uit huis gegaan en bij zijn familie gaan wonen, waarbij hij vervolgens cold turkey is afgekickt. De man gebruikt niks meer en is ook radicaal gestopt met gokken. Indien nodig is de man bereid drugstesten te verstrekken. Daarnaast is hij op dit moment woonachtig bij zijn zus en zwager, zodat er prima een normale omgangsregeling kan plaatsvinden. Dat de man zou gaan samenwonen met een vriend, is niet meer aan de orde. De man wil de echtelijke woning verkopen en op zoek gaan naar een eigen woning. De man is goed in staat om alleen voor [de minderjarige] te zorgen, want hij heeft regelmatig alleen de zorg voor [de minderjarige] gehad als de vrouw bijvoorbeeld aan het werk was. Bovendien heeft [de minderjarige] aangegeven dat zij alleen naar haar vader toe wil gaan en is de man gestart met hulpverlening. De man voert gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en zal over vijf weken starten bij een psycholoog. Voor zijn eventuele trauma’s gaat hij ook therapie krijgen.
3.13.
De rechtbank kan zich voorstellen dat gelet op het voorgaande het vertrouwen van de vrouw in de man is beschadigd. Op dit moment gaat het echter beter met de man, krijgt hij hulp voor zijn persoonlijke problematiek, woont hij bij familie en is er sprake van een vangnet. Beide partijen erkennen dat [de minderjarige] het fijn heeft bij haar vader en dat de zorgregeling goed verloopt. De rechtbank acht het dan ook van belang dat de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] wordt uitgebreid. De rechtbank zal dan ook een zorgregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] per twee weken de ene week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft (met één overnachting), en in de andere week op woensdag vanuit school tot 18.00 uur. Voor de feestdagen acht de rechtbank het van belang dat deze door partijen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. De rechtbank wijst niet de volledige verzochte regeling van de man toe, omdat het vertrouwen van de vrouw in hem zal moeten groeien, zodat gestart wordt met één overnachting en niet met twee. Vanzelfsprekend kunnen partijen in overleg de tijden veranderen of de zorgregeling uitbreiden wanneer dit in het belang van [de minderjarige] is.
Conclusie
3.28.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een kinderbijdrage voor [de minderjarige] van € 268 (€ 377 - € 109) per maand aan de vrouw moet betalen.
partnerbijdrage
3.29.
De vrouw heeft – bij gewijzigd verzoek – verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) een bedrag van € 270 bruto per maand dient te betalen, met ingang van datum van indiening van dit verzoekschrift.
3.30.
De man heeft hiertegen een draagkrachtverweer gevoerd. Bovendien betwist de man dat de vrouw behoefde heeft aan een bijdrage in het levensonderhoud.
3.31.
De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.
ingangsdatum
3.32.
De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage aan bij de datum beschikking, te weten 25 oktober 2024. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de ingangsdatum van een voorlopige voorziening de datum van beschikking is.
behoefte van de vrouw
3.33.
De rechtbank zal de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de zogenaamde hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
3.34.
De rechtbank gaat voor het berekenen van de behoefte van de vrouw uit van het jaarinkomen van de vrouw in 2023. Uit de verstrekte jaaropgave blijkt dat de vrouw in 2023 € 27.395 bruto heeft verdiend. Op basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het feitelijk uiteengaan op € 2.283 per maand.
3.35.
Uit de door de vrouw overgelegde aangifte inkomstenbelasting blijkt dat de man in 2023 bruto € 39.569 (€ 21.357 + € 18.212) heeft verdiend bij [BV] en [BV] Daarnaast heeft de man in 2023 een uitkering ontvangen van in totaal € 3.055 bruto. In totaal was zijn inkomen zodoende € 42.624 (€ 39.569 + € 3.055) bruto. Uitgaande van deze informatie en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het NBI van de man ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen € 2.881 per maand.
3.36.
Uit het voorgaande volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen, te verminderen met de kosten van [de minderjarige] € 5.164 (€ 2.283 + € 2.881) + 11 (kindgebonden budget) - € 725 (behoefte [de minderjarige] ) = € 4.450 per maand bedroeg.
3.37.
Op basis van de hiervoor berekende bedragen is de behoefte van de vrouw: NBGI van € 4.450 x 60% = € 2.670 netto per maand, geïndexeerd naar 2024 € 2.836 netto per maand.
behoeftigheid
3.38.
Op de behoefte van de vrouw dienen haar eigen inkomsten in mindering te worden gebracht. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt € 2.836 - € 2.610 = € 226 netto, zijnde € 444 bruto per maand.
draagkracht
3.39.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het huidige NBI. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm en bedraagt in 2024 € 1.270 per maand. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage.
3.40.
De rechtbank ziet geen aanleiding om thans af te wijken van het woonbudget of rekening te houden met voor de vrouw betaalde hypotheekkosten. Zoals benoemd in overweging 3.4. dient de vrouw haar deel van de eigenaarslasten te voldoen en de volledige gebruikslasten. Daarnaast woont de man momenteel bij zijn zus en zwager en is op de zitting besproken dat de echtelijke woning snel verkocht zal worden en dat de man dan ook een eigen woning wil gaan bewonen.
3.41.
De rechtbank ziet thans eveneens geen aanleiding om rekening te houden met de door de man aangevoerde aflossing op schulden ter hoogte van € 250 per maand. Ter zitting heeft de vrouw erkend dat partijen schulden hebben bij de ouders van de vrouw waarop zij gezamenlijk aflossen, maar het is niet duidelijk geworden wat precies door wie wordt afgelost. De man heeft hier geen stukken van overgelegd en op de zitting zijn door zowel de man als de vrouw ook andere aflossingsbedragen genoemd zoals € 150 per maand en € 75 per maand. De vrouw heeft betoogd de schulden buiten beschouwing te laten, omdat de schulden op korte termijn zullen worden afgelost na verkoop van de woning. Gelet hierop en omdat de lening is afgesloten bij de ouders van de vrouw, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen, indien de aflossing van de schulden problematisch voor (één van) hen wordt, een betalingsregeling kunnen treffen. De man heeft in zijn berekening overigens ook geen rekening gehouden met de aflossing van de schulden.
3.42.
Uitgaande van het NBI van de man van € 3.175 per maand, de kosten van levensonderhoud van € 1.270 per maand, het woonbudget van 30% van het NBI en het eigen aandeel in de kosten van [de minderjarige] van € 377 per maand, heeft de man een draagkracht ten behoeve van de partnerbijdrage van € 195 per maand, zijnde € 309 bruto per maand.
vergelijking van de financiële situaties
3.43.
Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen nader te vergelijken, zodat de vrouw bij toekenning van een partnerbijdrage niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Na vergelijking van de situaties van partijen, stelt de rechtbank vast dat de vrouw beter af is dan de man als de man het bedrag van € 309 bruto per maand aan partnerbijdrage zou moeten betalen. De rechtbank legt daarom een lager bedrag aan partnerbijdrage op, namelijk een bedrag van € 174 bruto per maand. Bij dat bedrag partnerbijdrage houden de vrouw en de man evenveel over.
Conclusie
3.44. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een partnerbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 174 bruto per maand.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
wordt toevertrouwd aan de vrouw;
4.2.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:voornoemde minderjarige [de minderjarige] :- verblijft per twee weken de ene week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man (met één overnachting), en in de andere week op woensdag vanuit school tot 18.00 uur. De feestdagen worden door partijen in onderling overleg bij helfte verdeeld;
4.4.
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 268 per maand met ingang van de datum van deze beschikking, bij vooruitbetaling te voldoen;
4.5.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 174 per maand met ingang van de datum van deze beschikking, bij vooruitbetaling te voldoen;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2024.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Beoordeling
kinderbijdrage
3.14.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 292 per maand dient te betalen, met ingang van datum van indiening van dit verzoekschrift.
3.15.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht te bepalen dat hij een kinderbijdrage betaald van € 10 per maand, althans € 150 als de vrouw afziet van partneralimentatie. De advocaat van de man heeft na de zitting, op 18 oktober 2024, door middel van een berekening aangegeven dat de man een kinderbijdrage kan voldoen van € 216 per maand.
3.16.
De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.
ingangsdatum
3.17.
De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele kinderbijdrage aan bij de datum beschikking, te weten 25 oktober 2024. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de ingangsdatum van een voorlopige voorziening de datum van beschikking is.
behoefte
3.18.
De rechtbank stelt vast dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de behoefte van [de minderjarige] kan worden bepaald op € 725 per maand. Deze behoefte neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
draagkracht van partijen
3.19.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun eigen aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
3.20.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2024, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.270)]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.270 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
3.21.
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.
3.22.
De vrouw is in loondienst werkzaam bij [stichting] . Uit de overgelegde loonstroken van april-juni 2024 volgt dat zij momenteel een bruto salaris heeft van € 2.488 per maand (exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering). Daarnaast volgt uit de loonstroken dat zij € 225 euro per maand afdraagt voor haar pensioen en een arbeidsongeschiktheidspremie betaalt van € 6 per maand. De rechtbank gaat er gelet op dit inkomen vanuit dat de vrouw jaarlijks € 5.569 aan kindgebonden budget (en alleenstaande ouderkop) ontvangt. Uitgaande van deze informatie en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI ten behoeve van de kinderbijdrage € 3.074 per maand.
3.23.
Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 617 per maand.
3.24.
De man is sinds 1 oktober 2024 in loondienst bij [BV] . Uit de arbeidsovereenkomst en de overgelegde loonstrook van oktober 2024 volgt dat hij momenteel een bruto salaris heeft van € 3.845 per maand (exclusief vakantiegeld en dertiende maand). Daarnaast volgt uit de loonstrook dat hij € 278 (€ 328 - € 50) per maand afdraagt voor zijn pensioen, € 13 per maand betaalt voor het personeelsfonds en een WGA/PAWW-premie betaalt van maandelijks € 14. Uitgaande van deze informatie en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 3.175 per maand.
3.25.
Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 667 per maand.
draagkrachtvergelijking
3.26.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.284 (€ 617 + € 667) per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige] van € 725 per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [de minderjarige] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 617 : 1.284 x 725 = € 348 per maand.Het eigen aandeel van de man bedraagt: 667 x 1.284 x 725 = € 377 per maand.
zorgkorting
3.27.
Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Nu de man gemiddeld één dag per week zorg heeft voor [de minderjarige] , geldt een percentage van 15%.
Omdat de behoefte € 725 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 109 per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.