Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-06-11
ECLI:NL:RBNHO:2024:14258
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,602 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/340773-23 (P)
Uitspraakdatum: 11 juli 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1], feitelijk verblijvende op het adres [adres 2].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Klaver, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en/of laptops (vertegenwoordigende een waarde van ongeveer 9 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en/of laptops (vertegenwoordigende een waarde van ongeveer 9 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten chauffeur bij [slachtoffer 3], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat de verdachte de goederen rechtmatig onder zich heeft gehad. Hierdoor kunnen de handelingen van de verdachte niet worden gekwalificeerd als het medeplegen van diefstal. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Inleiding
Op basis van het dossier en de (bekennende) verklaring van de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast. Op 22 december 2023 meldt de verdachte zich bij [bedrijfsnaam] in Rozenburg als chauffeur van een vrachtwagencombinatie. Hij heeft van zijn opdrachtgever ([slachtoffer 3]) de opdracht gekregen een transport uit te voeren voor [slachtoffer 1]. Dit is een transport van Rozenburg naar Tilburg. De verdachte laadt zijn oplegger en vertrekt. De lading bestaat uit een grote hoeveelheid telefoons en laptops. In plaats van direct naar Tilburg te rijden, rijdt de verdachte naar een parkeerplaats in Vianen. Op die parkeerplaats koppelt de verdachte de oplegger los en rijdt hij zonder oplegger naar Tilburg. Op een industrieterrein in Tilburg heeft de verdachte de vrachtwagen (trekker) achtergelaten. Op camerabeelden van de parkeerplaats in Vianen is te zien dat de oplegger vervolgens aan een andere vrachtwagen (trekker) wordt gekoppeld en wordt weggereden.
De verdachte bekent de gedragingen die aan hem ten laste zijn gelegd te hebben gepleegd. De vraag die aan de rechtbank voorligt is hoe die gedragingen juridisch moeten worden geduid.
3.3.2.
Vrijspraak medeplegen diefstal
Voor een bewezenverklaring van (het medeplegen van) diefstal, als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is onder meer vereist dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om het goed zich wederrechtelijk toe te eigenen. Dit oogmerk moet op het moment van het wegnemen van het goed aanwezig zijn. Op grond van het dossier staat vast dat de verdachte als chauffeur was ingeschakeld en in die hoedanigheid de goederen in de oplegger mocht laden en vervolgens vervoeren. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de verdachte pas (zeer) kort voordat hij ging rijden op de hoogte raakte van de (waarde van de) inhoud van de lading die hij moest vervoeren. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte, direct toen hij vertrok vanaf [bedrijfsnaam], al het plan had om de oplegger met inhoud weg te nemen. Hierdoor blijft de mogelijkheid bestaan dat de verdachte, zoals hij zelf verklaard heeft, pas op een later moment, bijvoorbeeld onderweg, het plan heeft opgevat om de oplegger met inhoud weg te nemen. In dat geval heeft de verdachte de oplegger en de lading in beginsel rechtmatig onder zich gehad. Nu niet vast staat dat de verdachte van meet af aan het oogmerk heeft gehad op de wegneming van de goederen, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het medeplegen van diefstal. De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte de oplegger met daarin de lading heeft verduisterd.
3.3.3.
Partiële vrijspraak medeplegen verduistering in dienstbetrekking
Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of meerdere anderen. In het algemeen geldt dat niet ieder van de daders afzonderlijk alle onderdelen van de delictsomschrijving hoeft te vervullen. Voor de rechtbank staat vast dat de verdachte de oplegger heeft verduisterd en dat hierbij ook andere personen betrokken zijn geweest. Desondanks komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van medeplegen, omdat het medeplegen van verduistering vereist dat elk van de deelnemers de goederen anders dan door een misdrijf onder zich heeft (gehad). Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de andere personen die bij het wegnemen van de oplegger betrokken zijn geweest, de oplegger op enig moment rechtmatig onder zich hebben gehad. Daarom zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen.
3.4.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. Daarbij zal zij, nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen.
de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 27 juni 2024 afgelegd;
een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever 1] op 23 december 2023 (digitale dossierpagina 107 e.v.);
een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever 2] op 22 december 2023 (digitale dossierpagina 241 e.v.).
De hiervoor genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 december 2023 in Nederland, opzettelijk een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en laptops, die toebehoorden aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten chauffeur bij [slachtoffer 3] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
6.1
De standpunten
De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij door twee mannen onder druk is gezet en is bedreigd en daarom uiteindelijk tot het plegen van dit feit is gekomen. De raadsman heeft namens de verdachte bepleit dat hij druk heeft ervaren waaraan hij geen weerstand heeft kunnen bieden, waardoor de verdachte is overgegaan tot het plegen van dit feit. Ten aanzien van de juridische kwalificatie hiervan heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van psychische overmacht geen sprake is.
6.2
Beoordeling
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. De verdachte heeft verklaard dat hij al een langere tijd onder druk is gezet en is bedreigd door twee personen, maar de verdachte heeft deze druk of bedreigingen op geen enkele wijze geconcretiseerd. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten biedt voor de verklaring van de verdachte, zal de rechtbank de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde schuiven en het beroep op psychische overmacht verwerpen.
De rechtbank stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
Motivering
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gevraagd bij het bepalen van de straf in strafmatigende zin rekening te houden met de druk die de verdachte heeft gevoeld, waardoor hij tot het plegen van dit feit is gekomen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de media-aandacht die deze zaak heeft gekregen, heeft geleid tot een schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze schending zou ook tot een lagere straf moeten leiden.
7.3
Beoordeling
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een oplegger met daarin een grote hoeveelheid laptops en telefoons, die hij onder zich had in het kader van zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur. De waarde van de lading was enorm, ruim 6 miljoen euro. Door deze oplegger met lading te verduisteren heeft de verdachte zeer veel financiële schade toegebracht aan de bedrijven in wiens opdracht het transport werd uitgevoerd en aan wie de lading toebehoorde. Voor een van de benadeelde bedrijven is het, mede ten gevolge van de opgelopen reputatieschade, zelfs nog maar de vraag of de eigenaar zijn bedrijf kan voortzetten. De verdachte heeft dan ook op zeer grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn opdrachtgever in hem heeft gesteld en heeft hiermee veel personen gedupeerd.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 10 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte in 2019 ook is veroordeeld voor een vermogensfeit, namelijk de diefstal van een fiets. De rechtbank zal dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu onderhavig feit van een andere orde is.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Allereerst betrekt de rechtbank de nog jonge leeftijd van de verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar de reclasseringsrapporten van 8 maart 2024 en 11 juni 2024. Uit de rapporten komt naar voren dat de verdachte voor het plegen van dit feit een redelijk stabiel leven leidde. Wel heeft de reclassering onvoldoende zicht gekregen op het sociaal netwerk, het middelengebruik en psychosociaal functioneren van de verdachte. Ter zitting en uit het dossier komt naar voren dat de verdachte heeft gekampt met enige tegenslagen zoals het verliezen van zijn baan en rijbewijs, schuldenproblematiek en hij te maken heeft gekregen met online-pesterijen. De verdachte heeft op de rechtbank een enigszins kwetsbare indruk gemaakt, waar de rechtbank dan ook rekening mee zal houden. De rechtbank zal niet in strafmatigende zin meewegen dat de verdachte druk heeft ervaren die hem tot het plegen van dit feit heeft gedreven, nu hier, zoals onder 6.2 is overwogen, geen aanknopingspunten voor zijn.
De rechtbank zal de media-aandacht voor deze zaak ook niet in strafmatigende zin meewegen. In artikel 8 EVRM is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geregeld, maar dit recht is niet absoluut en bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een schending komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval. De rechtbank begrijpt dat het voor de verdachte vervelend is geweest dat er door de media over zijn zaak wordt geschreven. Het is echter inherent en onvermijdelijk aan het gegeven dat strafzaken openbaar dienen te worden behandeld en dat strafzaken enige vorm van publiciteit en media-aandacht met zich brengen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de schade die dit feit toebrengt aan de benadeelden, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. De rechtbank onderkent dat detentie hoogstwaarschijnlijk opnieuw een grote impact zal hebben op het leven van de verdachte, maar die omstandigheid doet niet af aan de op de rechtbank rustende taak om een straf op te leggen die passend is bij de ernst van het gepleegde strafbare feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, moet worden opgelegd. De rechtbank acht een fors voorwaardelijk deel passend, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en wil hiermee bereiken dat de verdachte gemotiveerd blijft geen strafbare feiten meer te plegen. Daarnaast zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden aan de proeftijd, zodat de verdachte zijn leven na de detentie met behulp van de reclassering een positieve wending kan geven.
Voorlopige hechtenis
De verdachte is op 1 februari 2024 door de rechter-commissaris in bewaring gesteld en op 7 februari 2024 is door de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte bevolen. Op de raadkamerzitting van 6 mei 2024 is de voorlopige hechtenis met ingang van 8 mei 2024 geschorst onder oplegging van diverse bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het persoonlijke belang van de verdachte zwaarder woog dan het strafvorderlijke belang en dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd (het voorkomen van recidive) ook bereikt konden worden met het stellen van voorwaarden. De verdachte is geschorst tot aan het moment van de uitspraak. De raadsman heeft gevraagd de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen.
De rechtbank ziet geen redenen om het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen. De redenen die tot schorsing hebben geleid, zijn, evenals de gronden voor de voorlopige hechtenis, nog onverminderd aanwezig. Het enkele gegeven dat sprake is van een veroordelend vonnis en de oplegging van een gevangenisstraf, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt hierbij op dat de voorlopige hechtenis geen voorschot behoort te zijn op de uiteindelijke straf. Concreet betekent dit dat als de verdachte tegen onderhavige veroordeling in hoger beroep wenst te gaan, hij die berechting in vrijheid mag afwachten.
8De vorderingen van de benadeelde partijen
8.1
De vorderingen
Namens het bedrijf [slachtoffer 3] is door [aangever 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de materiële schade die hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zou hebben geleden. Het bedrijf vordert een bedrag van € 28.493,68 aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit de kosten die zijn gemaakt voor de zoekactie naar en het ophalen van de trekker en oplegger, kosten die zijn gemaakt voor overleggen met de expert en assurantieadviseur, het standaard eigen risico en het aanvullend eigen risico.
Namens het bedrijf [slachtoffer 1] is door [aangever 1] eveneens een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de materiële schade die hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zou hebben geleden. Het bedrijf vordert een bedrag van € 55.000,00 aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit het eigen risico wat het bedrijf aan de verzekeringsmaatschappij moet betalen.
8.2
De standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat de kosten van het eigen risico, de kosten ten aanzien van de assurantieadviseur en de kosten voor de stilstand van de oplegger voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen. De gemaakte reiskosten kunnen eveneens worden toegewezen, maar de ritten gemaakt met de personenauto moeten allen worden berekend met een kilometerprijs van 0,23 eurocent. De kosten ten aanzien van de uren van [aangever 2] en de chauffeur kunnen niet worden toegewezen omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de hoogte van het te betalen eigen risico nog onvoldoende duidelijk is en nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting zou zijn van het strafproces.
De raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat de kosten voor het eigen risico moeten worden afgewezen, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de reiskosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en met betrekking tot de overige posten heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onvoldoende kan worden vastgesteld wat de verandering is geweest in het vermogen van het bedrijf en daarmee onvoldoende duidelijk is geworden wat de concreet geleden schade betreft.
8.3
Beoordeling
8.3.1
[slachtoffer 3]
Reiskosten, kosten assurantieadviseur, kosten stilstand oplegger
De rechtbank is van oordeel dat deze materiële kostenposten, rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze bedragen voldoende zijn onderbouwd. Ook de hoogte van de vordering komt de rechtbank niet onredelijk voor, met uitzondering van de reiskosten. De gemaakte reiskosten kunnen weliswaar worden toegewezen, maar de ritten gemaakt met de personenauto moeten allen worden berekend met een kilometerprijs van 0,23 eurocent. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.851,80.
Uren
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde bedragen voor het vergoeden van het uurloon van [aangever 2] en een chauffeur onvoldoende zijn onderbouwd, omdat niet duidelijk is geworden hoe de hoogte van het uurloon is bepaald. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien deze post niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Eigen risico
Hoewel de rechtbank begrijpt dat er door [slachtoffer 3] forse schade is of zal worden geleden, kan de rechtbank op dit moment niet vaststellen dat het bedrijf ook daadwerkelijk schade heeft geleden waardoor het eigen risico wordt aangesproken en indien dit wel het geval is, hoe hoog dit bedrag zal zijn. Anders dan de algemeen geformuleerde polisvoorwaarden, heeft de rechtbank immers geen concrete vaststelling van dit schadebedrag en blijkt nergens uit of en zo ja, voor welk schadebedrag het bedrijf uiteindelijk aansprakelijk is gesteld. Het aanhouden van de behandeling van de vordering om hierover duidelijkheid te verkrijgen, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit betekent dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in dit deel van haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst opnieuw aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Conclusie
De gevorderde materiële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.851,80. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de datum waarop de wettelijke rente aanvangt op 22 december 2023. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu een rechtspersoon als [slachtoffer 3] wordt geacht zelf voor het innen van haar vordering te kunnen zorgdragen.
8.3.2
[slachtoffer 1]
Uit wat is besproken op de terechtzitting is duidelijk geworden dat er tussen de verschillende partijen nog onderhandelingen lopen over de vorderingen. Daarnaast bevat de ingediende vordering geen stukken waaruit blijkt dat het bedrijf aansprakelijk is gesteld voor het verlies van de lading, er is enkel een vooraankondiging aanwezig. Verder is het nog onduidelijk welk bedrag het bedrijf aan de verzekering zal moeten betalen, maar ook welk bedrag het bedrijf nog kan verhalen op [slachtoffer 3] Hierdoor kan de rechtbank op dit moment niet vaststellen wat de concreet geleden schade is, of hoe hoog het schadebedrag gaat worden. Het aanhouden van de behandeling van de vordering om hierover duidelijkheid te verkrijgen, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit betekent dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst opnieuw aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht (8) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in buitenlandse detentie, in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij de reclassering
De verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60 te Haarlem. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
De verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Ambulante behandeling
De verdachte werkt indien geïndiceerd mee aan een intake bij De Waag en indien nodig laat hij zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Diagnostiek zal onderdeel zijn van de behandeling. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 1.851,80 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot de betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. E.M. van Poecke en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2024.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/340773-23 (P)
Uitspraakdatum: 11 juli 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2024 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1], feitelijk verblijvende op het adres [adres 2].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. L.R. Klaver, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en/of laptops (vertegenwoordigende een waarde van ongeveer 9 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rozenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en/of laptops (vertegenwoordigende een waarde van ongeveer 9 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten chauffeur bij [slachtoffer 3], in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat de verdachte de goederen rechtmatig onder zich heeft gehad. Hierdoor kunnen de handelingen van de verdachte niet worden gekwalificeerd als het medeplegen van diefstal. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Beoordeling
3.3.1.
Inleiding
Op basis van het dossier en de (bekennende) verklaring van de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast. Op 22 december 2023 meldt de verdachte zich bij [bedrijfsnaam] in Rozenburg als chauffeur van een vrachtwagencombinatie. Hij heeft van zijn opdrachtgever ([slachtoffer 3]) de opdracht gekregen een transport uit te voeren voor [slachtoffer 1]. Dit is een transport van Rozenburg naar Tilburg. De verdachte laadt zijn oplegger en vertrekt. De lading bestaat uit een grote hoeveelheid telefoons en laptops. In plaats van direct naar Tilburg te rijden, rijdt de verdachte naar een parkeerplaats in Vianen. Op die parkeerplaats koppelt de verdachte de oplegger los en rijdt hij zonder oplegger naar Tilburg. Op een industrieterrein in Tilburg heeft de verdachte de vrachtwagen (trekker) achtergelaten. Op camerabeelden van de parkeerplaats in Vianen is te zien dat de oplegger vervolgens aan een andere vrachtwagen (trekker) wordt gekoppeld en wordt weggereden.
De verdachte bekent de gedragingen die aan hem ten laste zijn gelegd te hebben gepleegd. De vraag die aan de rechtbank voorligt is hoe die gedragingen juridisch moeten worden geduid.
3.3.2.
Vrijspraak medeplegen diefstal
Voor een bewezenverklaring van (het medeplegen van) diefstal, als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is onder meer vereist dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om het goed zich wederrechtelijk toe te eigenen. Dit oogmerk moet op het moment van het wegnemen van het goed aanwezig zijn. Op grond van het dossier staat vast dat de verdachte als chauffeur was ingeschakeld en in die hoedanigheid de goederen in de oplegger mocht laden en vervolgens vervoeren. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de verdachte pas (zeer) kort voordat hij ging rijden op de hoogte raakte van de (waarde van de) inhoud van de lading die hij moest vervoeren. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte, direct toen hij vertrok vanaf [bedrijfsnaam], al het plan had om de oplegger met inhoud weg te nemen. Hierdoor blijft de mogelijkheid bestaan dat de verdachte, zoals hij zelf verklaard heeft, pas op een later moment, bijvoorbeeld onderweg, het plan heeft opgevat om de oplegger met inhoud weg te nemen. In dat geval heeft de verdachte de oplegger en de lading in beginsel rechtmatig onder zich gehad. Nu niet vast staat dat de verdachte van meet af aan het oogmerk heeft gehad op de wegneming van de goederen, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het medeplegen van diefstal. De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte de oplegger met daarin de lading heeft verduisterd.
3.3.3.
Partiële vrijspraak medeplegen verduistering in dienstbetrekking
Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of meerdere anderen. In het algemeen geldt dat niet ieder van de daders afzonderlijk alle onderdelen van de delictsomschrijving hoeft te vervullen. Voor de rechtbank staat vast dat de verdachte de oplegger heeft verduisterd en dat hierbij ook andere personen betrokken zijn geweest. Desondanks komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van medeplegen, omdat het medeplegen van verduistering vereist dat elk van de deelnemers de goederen anders dan door een misdrijf onder zich heeft (gehad). Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de andere personen die bij het wegnemen van de oplegger betrokken zijn geweest, de oplegger op enig moment rechtmatig onder zich hebben gehad. Daarom zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen.
3.4.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. Daarbij zal zij, nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen.
de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 27 juni 2024 afgelegd;
een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever 1] op 23 december 2023 (digitale dossierpagina 107 e.v.);
een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever 2] op 22 december 2023 (digitale dossierpagina 241 e.v.).
De hiervoor genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 december 2023 in Nederland, opzettelijk een oplegger met daarin een grote hoeveelheid telefoons en laptops, die toebehoorden aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten chauffeur bij [slachtoffer 3] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
6.1
De standpunten
De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij door twee mannen onder druk is gezet en is bedreigd en daarom uiteindelijk tot het plegen van dit feit is gekomen. De raadsman heeft namens de verdachte bepleit dat hij druk heeft ervaren waaraan hij geen weerstand heeft kunnen bieden, waardoor de verdachte is overgegaan tot het plegen van dit feit. Ten aanzien van de juridische kwalificatie hiervan heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van psychische overmacht geen sprake is.
6.2
Beoordeling
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. De verdachte heeft verklaard dat hij al een langere tijd onder druk is gezet en is bedreigd door twee personen, maar de verdachte heeft deze druk of bedreigingen op geen enkele wijze geconcretiseerd. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten biedt voor de verklaring van de verdachte, zal de rechtbank de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde schuiven en het beroep op psychische overmacht verwerpen.
De rechtbank stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
Motivering
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gevraagd bij het bepalen van de straf in strafmatigende zin rekening te houden met de druk die de verdachte heeft gevoeld, waardoor hij tot het plegen van dit feit is gekomen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de media-aandacht die deze zaak heeft gekregen, heeft geleid tot een schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze schending zou ook tot een lagere straf moeten leiden.
7.3
Beoordeling
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een oplegger met daarin een grote hoeveelheid laptops en telefoons, die hij onder zich had in het kader van zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur. De waarde van de lading was enorm, ruim 6 miljoen euro. Door deze oplegger met lading te verduisteren heeft de verdachte zeer veel financiële schade toegebracht aan de bedrijven in wiens opdracht het transport werd uitgevoerd en aan wie de lading toebehoorde. Voor een van de benadeelde bedrijven is het, mede ten gevolge van de opgelopen reputatieschade, zelfs nog maar de vraag of de eigenaar zijn bedrijf kan voortzetten. De verdachte heeft dan ook op zeer grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn opdrachtgever in hem heeft gesteld en heeft hiermee veel personen gedupeerd.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 10 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte in 2019 ook is veroordeeld voor een vermogensfeit, namelijk de diefstal van een fiets. De rechtbank zal dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu onderhavig feit van een andere orde is.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Allereerst betrekt de rechtbank de nog jonge leeftijd van de verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar de reclasseringsrapporten van 8 maart 2024 en 11 juni 2024. Uit de rapporten komt naar voren dat de verdachte voor het plegen van dit feit een redelijk stabiel leven leidde. Wel heeft de reclassering onvoldoende zicht gekregen op het sociaal netwerk, het middelengebruik en psychosociaal functioneren van de verdachte. Ter zitting en uit het dossier komt naar voren dat de verdachte heeft gekampt met enige tegenslagen zoals het verliezen van zijn baan en rijbewijs, schuldenproblematiek en hij te maken heeft gekregen met online-pesterijen. De verdachte heeft op de rechtbank een enigszins kwetsbare indruk gemaakt, waar de rechtbank dan ook rekening mee zal houden. De rechtbank zal niet in strafmatigende zin meewegen dat de verdachte druk heeft ervaren die hem tot het plegen van dit feit heeft gedreven, nu hier, zoals onder 6.2 is overwogen, geen aanknopingspunten voor zijn.
De rechtbank zal de media-aandacht voor deze zaak ook niet in strafmatigende zin meewegen. In artikel 8 EVRM is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geregeld, maar dit recht is niet absoluut en bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een schending komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval. De rechtbank begrijpt dat het voor de verdachte vervelend is geweest dat er door de media over zijn zaak wordt geschreven. Het is echter inherent en onvermijdelijk aan het gegeven dat strafzaken openbaar dienen te worden behandeld en dat strafzaken enige vorm van publiciteit en media-aandacht met zich brengen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de schade die dit feit toebrengt aan de benadeelden, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. De rechtbank onderkent dat detentie hoogstwaarschijnlijk opnieuw een grote impact zal hebben op het leven van de verdachte, maar die omstandigheid doet niet af aan de op de rechtbank rustende taak om een straf op te leggen die passend is bij de ernst van het gepleegde strafbare feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, moet worden opgelegd. De rechtbank acht een fors voorwaardelijk deel passend, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en wil hiermee bereiken dat de verdachte gemotiveerd blijft geen strafbare feiten meer te plegen. Daarnaast zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden aan de proeftijd, zodat de verdachte zijn leven na de detentie met behulp van de reclassering een positieve wending kan geven.
Voorlopige hechtenis
De verdachte is op 1 februari 2024 door de rechter-commissaris in bewaring gesteld en op 7 februari 2024 is door de rechtbank de gevangenhouding van de verdachte bevolen. Op de raadkamerzitting van 6 mei 2024 is de voorlopige hechtenis met ingang van 8 mei 2024 geschorst onder oplegging van diverse bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het persoonlijke belang van de verdachte zwaarder woog dan het strafvorderlijke belang en dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd (het voorkomen van recidive) ook bereikt konden worden met het stellen van voorwaarden. De verdachte is geschorst tot aan het moment van de uitspraak. De raadsman heeft gevraagd de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen.
De rechtbank ziet geen redenen om het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen. De redenen die tot schorsing hebben geleid, zijn, evenals de gronden voor de voorlopige hechtenis, nog onverminderd aanwezig. Het enkele gegeven dat sprake is van een veroordelend vonnis en de oplegging van een gevangenisstraf, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt hierbij op dat de voorlopige hechtenis geen voorschot behoort te zijn op de uiteindelijke straf. Concreet betekent dit dat als de verdachte tegen onderhavige veroordeling in hoger beroep wenst te gaan, hij die berechting in vrijheid mag afwachten.
8De vorderingen van de benadeelde partijen
8.1
De vorderingen
Namens het bedrijf [slachtoffer 3] is door [aangever 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de materiële schade die hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zou hebben geleden. Het bedrijf vordert een bedrag van € 28.493,68 aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit de kosten die zijn gemaakt voor de zoekactie naar en het ophalen van de trekker en oplegger, kosten die zijn gemaakt voor overleggen met de expert en assurantieadviseur, het standaard eigen risico en het aanvullend eigen risico.
Namens het bedrijf [slachtoffer 1] is door [aangever 1] eveneens een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de materiële schade die hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zou hebben geleden. Het bedrijf vordert een bedrag van € 55.000,00 aan materiële schade. Dit bedrag is opgebouwd uit het eigen risico wat het bedrijf aan de verzekeringsmaatschappij moet betalen.
8.2
De standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat de kosten van het eigen risico, de kosten ten aanzien van de assurantieadviseur en de kosten voor de stilstand van de oplegger voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen. De gemaakte reiskosten kunnen eveneens worden toegewezen, maar de ritten gemaakt met de personenauto moeten allen worden berekend met een kilometerprijs van 0,23 eurocent. De kosten ten aanzien van de uren van [aangever 2] en de chauffeur kunnen niet worden toegewezen omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de hoogte van het te betalen eigen risico nog onvoldoende duidelijk is en nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting zou zijn van het strafproces.
De raadsman
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] op het standpunt gesteld dat de kosten voor het eigen risico moeten worden afgewezen, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de reiskosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en met betrekking tot de overige posten heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onvoldoende kan worden vastgesteld wat de verandering is geweest in het vermogen van het bedrijf en daarmee onvoldoende duidelijk is geworden wat de concreet geleden schade betreft.
8.3
Beoordeling
8.3.1
[slachtoffer 3]
Reiskosten, kosten assurantieadviseur, kosten stilstand oplegger
De rechtbank is van oordeel dat deze materiële kostenposten, rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze bedragen voldoende zijn onderbouwd. Ook de hoogte van de vordering komt de rechtbank niet onredelijk voor, met uitzondering van de reiskosten. De gemaakte reiskosten kunnen weliswaar worden toegewezen, maar de ritten gemaakt met de personenauto moeten allen worden berekend met een kilometerprijs van 0,23 eurocent. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.851,80.
Uren
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde bedragen voor het vergoeden van het uurloon van [aangever 2] en een chauffeur onvoldoende zijn onderbouwd, omdat niet duidelijk is geworden hoe de hoogte van het uurloon is bepaald. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien deze post niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Eigen risico
Hoewel de rechtbank begrijpt dat er door [slachtoffer 3] forse schade is of zal worden geleden, kan de rechtbank op dit moment niet vaststellen dat het bedrijf ook daadwerkelijk schade heeft geleden waardoor het eigen risico wordt aangesproken en indien dit wel het geval is, hoe hoog dit bedrag zal zijn. Anders dan de algemeen geformuleerde polisvoorwaarden, heeft de rechtbank immers geen concrete vaststelling van dit schadebedrag en blijkt nergens uit of en zo ja, voor welk schadebedrag het bedrijf uiteindelijk aansprakelijk is gesteld. Het aanhouden van de behandeling van de vordering om hierover duidelijkheid te verkrijgen, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit betekent dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in dit deel van haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst opnieuw aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Conclusie
De gevorderde materiële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.851,80. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de datum waarop de wettelijke rente aanvangt op 22 december 2023. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu een rechtspersoon als [slachtoffer 3] wordt geacht zelf voor het innen van haar vordering te kunnen zorgdragen.
8.3.2
[slachtoffer 1]
Uit wat is besproken op de terechtzitting is duidelijk geworden dat er tussen de verschillende partijen nog onderhandelingen lopen over de vorderingen. Daarnaast bevat de ingediende vordering geen stukken waaruit blijkt dat het bedrijf aansprakelijk is gesteld voor het verlies van de lading, er is enkel een vooraankondiging aanwezig. Verder is het nog onduidelijk welk bedrag het bedrijf aan de verzekering zal moeten betalen, maar ook welk bedrag het bedrijf nog kan verhalen op [slachtoffer 3] Hierdoor kan de rechtbank op dit moment niet vaststellen wat de concreet geleden schade is, of hoe hoog het schadebedrag gaat worden. Het aanhouden van de behandeling van de vordering om hierover duidelijkheid te verkrijgen, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit betekent dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst opnieuw aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht (8) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in buitenlandse detentie, in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij de reclassering
De verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60 te Haarlem. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
De verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Ambulante behandeling
De verdachte werkt indien geïndiceerd mee aan een intake bij De Waag en indien nodig laat hij zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Diagnostiek zal onderdeel zijn van de behandeling. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 1.851,80 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot de betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. E.M. van Poecke en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2024.